DICSIONAÎRE JÈNÈRÂL DI TOPONIMÎYE

DICTIONNAIRE GÉNÉRAL DE TOPONYMIE

Z

Zaffelare

dial. uitspr. [‘sa.fəlↄ.ərə / ‘zafəlↄ.ərə]

OV, Lochristi. 1246 apud Safflar (GN), 1257 Zaflare, 1259 Scafflar (Gyl978), 1263 Sa/elaer (M), 1280Zaffelaer, 1311 Tsaffelaer, 1324 Tsafflaer (Gyl984).

Zaffelare is een samenstelling op -laar waarvan het eerste deel niet met zekerheid verklaard kan wordcn. Gysseling vermoedde aanvankelijk cen afleiding uit Germaans *skafti (waaruit ook Nederlands schacht) ‘scaak’, hier op te vatten als ‘boomstam’, wat voor het geheel de betekenis ‘laar in hoogstammig bos’ oplevert (Gyl980). Het probleem met die reconstructie is dat de beginmedeklinker van de plaatsnaam niet overeenstemt met de klankwettige opvolger van Germaans sk, namelijk sch. Op grond van de 14de-eeuwse attestaties van het type Tsaffelaer ontwikkelt Gysseling in een latere bijdrage de hypothese, dat deze vormen door omzetting van medeklinkers ontstaan zijn uit ouder *Staffelaar. Hierin is het eerste deel etymologisch terug te brengen tôt Germaans *stabh-, de klankwettige voorloper van Nederlands staf en staaf, die in de nederzettingsnaam de betekenis ‘boomstam’ heeft. Ook volgens die theorie betekent Zaffelare dus ‘laar in hoogstammig bos’ (Gyl984). Een derde opvatting, aïs zou zaffel-teruggaan op Vlaams zavel < Latijn sabulum ‘zand’ (M, GN), is weinig geloofwaardig, omdat daarbij de verscherping van de medeklinker v totfcn de daarmee gepaard gaande klinkerverkorting onverklaard blijven. (md, pk) FD

ZAIRYS  Ris (azès _)

(Corroy-le-Château, Gembloux, N): aux (wall. as è agglutiné) ruisseaux (wall. ris) (C.). JJ

ZAIWY Êwis (ès-_)

(Tohogne, Durbuy, Lx) : aux (wall. es agglutiné) prés humides (wall. êwîs, lat. aquaria) (C). JJ

zand

Middelnederlands sont, zand, sand, saent betekent ‘zand’, ook ‘onbebouwd land’ en o.a. ‘zandwoestijn, zandige vlakte’, ook ‘veld in het algemeen’. Als toponiem komt Zand in de Kempen zeer vaak voor en ook elders is het zeer verbreid, verwijzend naar de plaatselijke zandachtige bodemgesteldheid, zelden naar de zand- of zavelwinning. Als veldnaam slaat de verwijzingop de bouwlaag, namelijk droge en lichte dekzandgrondcn, vaak aan verstuiving onderhevig. De naam is echter zeer vaak geen perceelsnaam, maar te verstaan als een collectiefvorming met de betekenis en ter aanduiding van een zandige vlakte, een zandige streek, terreinen grenzend aan nog niet ontgonnen heide. Hij werd vaak nederzettingsnaam, namelijk meestal aïs verwijzing naar een gehucht of een onderdeel van een gehucht. (wvo) FD

ZANDBEEK

(cours d’eau) : ruisseau (néerl. beek) ensablé (néerl. zand « sable »). § Affluent du Zwartebeek à Drogenbos. JJ

Zandbergen

F. or.  1217 Samberghes, 1430 Zantberghe  AV

Zandbergen

dial. uitspr. [‘zambæ.rn]

OV, Geraardsbergen. 1176 Zamberghen, 1208 Santbergis, Sanbergis, 1209 Zantbergis (TW), 1430 Zant-

Zandbergen is samengesteld uit zand en de datiefvorm van berg, dus ‘aan de zandige berg’ (TW, EV). (md, pk) FD

Zande

dial. uitspr. [‘zandə]

WV, Koekelare, 1280 Zande, 1284 prochia van den Sande, 1321 ten Zande (DF).

Dorp op het zand, op zandige bodem. (fd) FD

Zandhoven

dial. uitspr. [‘zanto.və]

AN, 1183 Santthouen, Santoua, Santhoven (TW).

Samenstelling met zand en de datief meervoud van hof ‘hove’ (M, C, TW, WB), dus bij de hoeven op zandige grond’. (wvo) FD

Zandvliet

dial. uitspr. [‘za:ntfli.t]

AN, Antwerpen. 1119 kopie 13de eeuw Zantfliten, 1135 Santflit, 1148 Santflite (TW). Samenstelling van zand en f/ief’rivicr, beek, ook kreek, inham’ en dus ‘aan de zandbeek of zandkreek’. (wvo) FD

Zandvoorde

dial. uitspr. [‘zãntfo.ərdə]

WV, Oostende. 1249 Zantvorde, 1250 Zandvorde, 1328 Zandvoorde (DF).

Dezelfde etymologie als bij het volgende Zandvoorde (zie volgend artikel). (fd) FD

Zandvoorde

dial. uitspr. [‘zã.(n)fo.ədə].

WV, Zonnebeke, 1102 Santfort, 1201 Santforda (TW), 1249 Zantvorde, 1353 Zantvoorde, 1428 Zandvoorde (DF). Voorde of doorwaadbare plaats in zandig terrein. (fd) FD

Zarlardinge

dial. uitspr. [‘zo.ərlIηə].

OV, Geraardsbergen, 868 kopie 18de eeuw Saroldingas, 1142 kopie 15de eeuw Saraldenges, 1210 Somudenges (TW), 1326  Zalardinghen (Gyl978), 1428   Saerledingen, 1490  Zareldinghen (DP1899.M).

Afleiding uit de Germaanse persoonsnaam Saruwald met het verzamelsuffix -inga: ‘nederzetting bij de lieden van Saruwald’ (M, TW, VD1996b). (md, pk) FD

Zarren

[zarn]

WV, Kortemark. 1089 Sarra, 1112 kopie 12de eeuw Sarran, ±1185 Zarren (TW).

Vernoemd naar de plaatselijke beeknaam, de Zarre. Die waternaam, verwant met de naam van de rivier de Saar, is afgeleid van een Indo-Europese wortel *ser-/*sor- Vloeien, stromen’. (fd) FD

ZAVELENBERG

(Berchem-Sainte-Agathe, BC) : hauteur (néerl. berg) de la sablonnière (moy. néerl. zavel) (C.). JJ

Zaventem

B. 1117 in Saventa, 1179 Saventhem  (comp. le Saventerloo, bois voisin) AV

Zaventem

dial. uitspr. [‘zↄ.vətum] VB, 1117 Sauenta, ça. 1 123 Sauenten, 12dc eeuw Sauentinis (TW, DV1976B).

De naam is blijkens de oudste attestatic geen beem-n&am: de huidige uitgang -em

ontstond door analogie met talrijke gemeentenamen op -(h)em. Zaventem wordt wellicht ten onrechte verklaard uit een Keltische waternaam *Sab- met -«/-suffix, dus

*Sabunt-, of uit Latijn *Sablantina ‘zavelgrond’ (M, C, WB, DV). Gysseling leidt

Zaventem af van een Vborgermaanse waternaam met de wortel *sabh- ‘uiobuigend’, waaruit *Sabhantia ‘de bochtige’. Zaventem ligt in een opvallende bocht van een beek

(Gyl983). (pk) FD

ZÉBIER Biès (azès _)

(Gouy-lez-Piéton, Courcelles, Ht) : aux (wall. as è agglutiné) biefs (wall. biès) (C.). JJ

Zedelgem

dial. uitspr. [‘zεləɤæm]

WV, 1089 Sedelingem, 1107 Sedelengem, 1151 Sedelghem (TW), 1164 Zedelgem, 1421 Zeleghems kercke, 1 563 Zelegbem (DF).

Samenstelling   van   de   Germaanse persoonsnaam Sidulo,  verbonden met het verzamelsuffix -inga en heem ‘woonplaats van de lieden van Sidulo’ (TW) of Sidilo, verkleinvorm bij sidu ‘zede’. De vorm 1080 Sillengem, zowel in TW aïs bij De Flou, berust op een vergissing. Dat Sillengem slaat eigenlijk op Zieldegem, Zielegem in Kruishoutem, vandaar de familienaam Van Sieleghem (DB1980b; DB1990). (fd) FD

ZEECRABBE

(Uccle, BC) : défrichement (néerl. krab « [lieu] gratté, rayé ») (ayant une belle] vue (néerl. zie), déformé par étymologie populaire en « crabe de mer » (néerl. zeekrab) (?).

JJ

-zeel, -zele

Sele > zele (f. voisine  du moyen  néerl. sale> zaal, « salle »), « demeure comportant une salle »,« demeure im­portante ». V. kotth, 280-7. Quand ce mot est accentué, il se   prononce   souvent   « zîl ».Non   accentuée,   en   composition, -sele s’affaiblit parfois en -sel : Heizele F. or., local « e:zœl(œ)» ; Liezele A.., local « li:zœl ». Les noms en -sele sont particulière­ment nombreux dans le Brabant. les Flandres et la Flandre française. Le nom d’homme formant le premier élément est généralement au génitif faible (…);  on  rencontre  aussi  le  suffixe  -ing ; souvent du reste il est impossible de dire comment les deux éléments sont rattachés. AV

Zegelsem

F. or. 868-9 (cop. XIIe) Sigulfi villa , 1150 Singulfi villam , 1185 Singulfi villam  (Singulph). AV

Zegelsem

dial. uitspr. [‘ze.əlsæm]

OV, Brakel, 866 kopie 18de eeuw Sigulfi villa, ça. 1 150 Sigelshem, ça. 1185 Sechelshem, Sichelskem

(TW), 1494 Zegbelsem (BE).

Samenstelling van de Germaanse naam Sigulf’m de genitief met heem, ‘woonplaats

van Sigulf (M, C, Fol, BE). Sigulfis zelf een samentrekking van Sigi-wulf(VLl98\). (md, pk) FD

zele

Bekend plaatsnaamelement, Germaans “sali- ‘uit één ruimte bestaand huis’ (TW), waaruit ook Nederlands zaal. Hct element valt voor de betekenis te vergelijken met -heem. Daarbij hecft men lang aangenomen dat veel -Wz-nederzettingen oorspronkelijk weinig meer waren dan vooruitgeschoven en alleenstaande veeteelthoeven in het bos (Roi 965). Recent onderzoek heeft echter uitgewezen dat tal van vroegmiddeleeuwse zele-namen veeleer wijzen op een voornaam, Frankisch zaalgebouw en dus aanzienlijker nederzettingen lijken te hebben aangeduid dan heem-namen (VL2000). Secundair zou  zele ook zijn toegepast op ‘de grote binnenruimte in een eenschepige boerenwoning’ en vervolgens een betekenisdepreciatie hebben gekend waardoor het ook bescheidener bouwsels kon gaan aanduiden (VL2000). (wvo) FD

Zele

dial. uitspr. [ze.lə]

OV, 1 149 kopie 2de kwart 13de eeuw, 1183 Zele (TW).

Zèle moet hier waarschijnlijk worden opgevat aïs ‘grote zaal in een gebouw van een vorstelijk of adellijk domein’. Misschien was Zèle oorspronkelijk een Karolingische fiscus of kroondomein (Gyl978). Sinds de 9de eeuw was Zèle aïs uitbatingscentrum van de Westfaalse abdij Werden een belangrijke plaats, wat wellicht de enkelvoudige naamsvorm verklaart temidden van een reeks samengestelde Oost-Vlaamse zele-numen (VL1981). (md.pk) FD

Zelem

dial. uitspr. [‘zε.ələm]

LB, Halen, 1114 kopie midden 12dc eeuw Salechem (TW), 1397 Se/em (OBL), \390-l4l3Zelem (Grl981), I504zeelhem (Me2003).

Het eerste deel van deze heem-nnnm is niet – zoals wel wordt beweerd (T W) – Germaans

sali- ‘uit één ruimte bestaand huis’, maar het bijvoeglijke naamwoord salich (selicb)

‘gelukkig, gelukzalig’ (MW). De burcht of oude kern van de vroegere heerlijkheid

Zelem lag destijds in een bocht van de Demer (Clal992). Deze vroegmiddeleeuwse

kern behoorde vroeger tôt het abdijgoed van Sint-Truiden (Vel993). Het “zalige”

karakter van deze nederzetting staat mogelijk in verband met het feit dat Adela, de moeder van de heilige Trudo en patrones van Zelem, omstreeks het midden van de 7de eeuw in de kerk bij de villa van Zelem begraven werd (Vel993). (vm) FD

Zellik

B. et Neerzellick (Zellick B) 974 Sethleca 1030 Sedleca Le Glay, 1108 al tare de Selleca, cum appenditiis suis Netherselleca, juxta Bursellam , 1148 Zellecka i  (Setilius). AV

Zellik

dial.uitspr. [‘zεlək]

VB, Asse, 974 Sethleca, 1003 Setleca, 1 108 Selleca, enz. (TW).

Zellik is een acum-naam afgeleid van een Romeinse persoonsnaam Setilius (ofSatilos),

te reconstrueren als “Setiliacum ‘landgoed van Setilius’ (VD1996b, VD2003). (pk). FD

ZELVAS Va (à-z-èl _)

(Bléharies, Brunehaut, Ht) : dans la (wall. as èl agglutiné) vallée (wall. va). § Est aussi le nom d’un ruisseau. JJ

Zelzate

F. or. 1356Walredonc, dat men heet Zelsate . AV

Zelzate

dial. uitspr. [‘zalzↄ.ətə]

OV, 1275 Zelsate (DP1872, M, EV).

Zelzate is samengesteld met Middelnederlands zel, etymologisch hctzelfde woord als Frans sel en Latijn sa/, dat in de terminologie van de turfstekerij ‘zouthoudende veengrond’ en ‘zout gewonnen uit vcenlagen’ betekende (Bel 94l, WNT). Het grondwoord zate is een aflciding van het werkwoord zitten met betekenis ‘plaats waar iets zich bevindt’. Letterlijk betekent Zelzate dus ‘plaats waar zout in het veen zit’ of ‘plaats waar (door verhitting) zout uit veen wordt gewonnen’. Zelzate maakt deel uit van het grote Noord- Oost-Vlaamse moergebied, dat in de tweede helft van de 13de eeuw systematisch werd uitgeveend en waar zich ook zoutziederijen bevonden, o.m. in Zelzate. (md, pk) FD

ZÉMÉ Més (azès _)

(Limbourg, Lg) : aux (wall. as è agglutiné) manses (wall. més) (C.). JJ

Zemmersake

F. or. 977 Cymbresac, 1036 Cymbersaka, 1163 Semmersake (premier élément non isolé). AV

ZÉMONT Monts (auzès _)

(Lonzée, Gembloux, N) : al. Auzémonts: loc. Auzémonts : aux (wall. auzès « aux » agglutiné) monts (C.). JJ

Zemst

B. v. 1220 Zempsa .  AV

Zemst

dial. uitspr. [‘zεms]

VB, 1150 Sempst (M), 1181 kopie midden l4de eeuw Semse, l262 Sempse, ca. 1475 Sempse, Sympse (VE1967).

De naam is misschien te verklaren uit Middelnederlands seem ‘bies’ en het suffix -st ‘nederzetting’ (WB), dus ‘plaats waar biczen groeien’. Vergelijk met de riviernaam Die Sempt, bijrivier van de Isar, bij Oudhoogduits semida ‘biesgras’ (BA par. 192). (pk) FD

Zepperen

dial. uitspr. [‘zæpərə]

LB, Sint-Truiden, 784-791 Septimburias, 1136 kopie midden 12de eeuw Septemburias, 1139 Septemburis (TW), 1280 Seppren (BG1965), 1333kopie I4de – 15de eeuw supra Zeppere (EE). De naam verwijst naar een aantal gebouwen en gaat terug op Romaans septem bûrias ‘zeven koten’; Romaans buria is ontleend aan Germaans *burja ‘kot’ dat onder meer in het Middelnederlands bacbuur, West- en Oost-Vlaams  ovenbuur ‘bakhuis’ en in het Engels byre ‘koestal’ voortleeft, maar in het Nederlands verdween. Vergelijk het West-Vlaamse Zevekote met dezelfde betekenis (TW, VO1996). (vm) FD

Zerkegem

dial. uitspr. [‘zæ.rkəɤæm]

WV, Jabbeke, 1025 vals ± 1170 Sarchingehem, 1089 Sarkangem, 1164 Serchingehem (TW), 1255 Zerkengheem, 1268 Zerkenghem, 1796 Zerkegem (DF).

Samenstelling van de Germaanse persoonsnaam Saruko’ (TW), of Saracbo, Saricbo (Fol), verbonden met het verzamelsuffix -inga en heent ‘woonplaats van de lieden van Saruko’. Vergelijk met Zerkingen, de oudste wijk van Sint-Truiden. (fd) FD

ZÉTRUD Sétrë

 (Zétrud-Lumay, Jodoigne, BW) : 1139 Seytruth. 1155 Seitrut, 1220 Sittrut, loc. Sétrë, néerl. Zittert : plantation de laîche, carex (germ. *sigidroihu, coll. de *sigidra « laîche », dérivé de sigi ; confondu au XVIIIe s. avec sainte Gertrude, abbesse de Nivelles) (G., H.). JJ

Zétrud Sétrë

B. fl. Sittert,1706 Zittart ou S. Gertrude rcpbf (patron saint Barthélémy). AV

ZÉTRUD Sétrë

(Ni 17), XIIe Seytruth : Sigidrôth « l’en­droit où l’on trouve la laîche » (grm sigidr-) (C) (Gysseling). S. Setrez (Nd) et Setru (PC). MB

ZÉTRUD-LUMAY Sétrë-Loumây

 (Jodoigne, BW) : néerl. Zittert-Lummen : village formé au Moyen Âge par Zétrud et sa dépendance *Lumay § Vestiges préhistoriques ; « terre de débat » entre Brabant et Namur ; alleu de la famille de Zétrud inféodé aux comtes de Namur, devenu ensuite terre franche, enclave namuroise dans le duché de Brabant ; les Zétrud furent une importante famille namuroise ; f. > Outgaarden (VB) et rattachée au département de la Dyle le 23.5.1810 ; érigée en commune auto­nome par séparation d’Outgaarden le 22.7.1922 ; appartint jusqu’en 1962 à l’arrondissement de Louvain, puis fut rattachée à celui de Nivelles, sauf le hameau flamand d’Elst (wall. Elji), transféré à Hoegaarden (VB). JJ

ZÉTRUD-LUMAY Sétrë-Loumây

(Jodoigne, BW) : néerl. Zittert-Lummen : village formé au Moyen Âge par #trud et sa dépendance *Lumay. § Vestiges préhistoriques ; « terre de débat » entre Brabant et Namur ; alleu de la famille de Zétrud inféodé aux comtes de Namur, devenu ensuite terre franche, enclave namuroise dans le duché de Brabant ; les (sous le régime prussien), de la commune de Bé-vercé ; sous le régime du Haut-Commissariat (1918-1925), constitua une des trois «sections» de Bévercé, élisant 4 conseillers communaux ; siège d’une paroisse. JJ

Zétrud-Lumay Sétrë-Loumây

B fl. Sittert-Lummen, Zetrud-Lumay. AV

Zétrud-Lumay Sétrë-Loumây

[Ni 17], sétrë, néerl. Zittert-Lummen; 1139 (cop. milieu 13e s.) «Seytruth»; 1155 «Seitrut»; (ça 1220) «Setrut»; 1220 « Sittrut ». — Germ. sigidrôpu- f., collectif de sigidra- « laîche », qu est dérivé de sigi G; topon. fréquent; autres gloses moins proba­bles dans C, cf. BTD, 52, 1978, p. 212-214; cf. Lumay. JH

ZEUPIRES Pîres (azès _)

(Gozée, Thuin, Ht) : aux (wall. as eu agglutiné) chemins empierrés (wall. pîres) (C.), interprété abusivement comme « pierres de Jupi­ter » (grec Zeus). § Il y avait jadis trois menhirs à cet endroit ; il n’en reste qu’un, exhumé en 1887. JJ

Zevekote

dial. uitspr. [‘ze.vəko.tə]

WV, Gistel, 1200 Zeven cote, 1250 Zevenkota, ± 1300 Sevekote, 1826 Zevekote (DF). Waarschijnlijk zeven koten ‘zeven huisjes’, vergelijk Zevenhutten in Cuijk (Noord-Brabant) en de verschillende plaatsen Zevenhuizen in Nederland (VBS). Naar de betekenis verwant met Zepperen (zie daar). (fd) FD

Zeveneken

F. or. 1220 Ten Seveneken (« sept chênes »). AV

Zeveneken

dial. uitspr. [ze.və’ni.əgη]

OV, Lochristi, 1220 ten Seueneken (M), 1281 seuen eecken (DP1866b, EV).

Samenkoppeling van het tclwoord zeven met eken ‘eiken’, dus ‘nederzetting bij de zeven

eiken’ (M, WB). Het telwoord zeven komt ook in andere plaatsnamen voor, vergelijk

Zevekote en Zepperen. (md, pk) FD

Zeveren

dial. uitspr. [‘ze.vərn]

 OV, Deinze, 1123-1146 kopie ça. 1 175 Seuerne, ça. 1175 Zeuerne (TW).

Zeveren komt uit de oude waternaam *Sabrina, gevormd met het Voorgermaanse hydronymische suffix —ina en identiek met Engels Severn (ça. 115 kopie 9de eeuw Sabrina) (Gyl978). Misschien behorend bij Voorgermaans *Sava, afgeleid uit de Indo-Europese wortel  *seu- ‘regenen, stromen” (GN). Zeveren zou dan betekenen

‘nederzetting bij de beek Sava’. (md, pk) FD

Zevergem

dial. uitspr. [‘zi.əvərɤεm]

OV, De Pinte, 964 Seuuaringahem, 1038 Seuringahem, 1114 Seurengem, 1168 Seuuergem, 1220 Zewergem (TW).

Samenstelling  van   de   Germaanse   persoonsnaam   Saiwara   verbonden   met   het verzamelsuffix -inga en heem (GN), ‘woonplaats van de lieden van Saiwara’. (md, pk) FD

Zichem

B. 1134 Zigghene , 1378 Sichenen  AV

Zichem

dial. uitspr. [‘ziχə]

VB, Scherpenheuvel-Zichem, 1134 Sichene, Sichenen, Zigghenne (Bol944), circa 1 140 Sicbne, 1219 Sighenen, 1220 Sihnen (TW).

Misschien   te   verklaren   als   een   Voorgermaanse   waternaam,   afgeleid   met   het hydronymische suffix -‘ma van de Indo-Europese wortel *sego ‘machtig’ (BE). De huidige vorm op -em onstond onder invloed van de vele -(g)em-namen. Vergelijk met Zichen. (pk). FD

Zichen

dial. uitspr. [‘zIχə]

LB, Riemst, 1139 Sechene, 1178-1181 Sehchene (TW), 1284 tusschen Susschen ende Seggen (BG1965), 1526Z/flk»(U11932).

De betekenis van Zichen kan in verband staan met de plaatselijke bodemgesteldheid en verwijzen naar de waterdoorlaatbare (onder)grond van het mergelplateau van Zuid-Oost-Limburg, waarop Zichen gelegen is (meegedeeld door wijlen A. Stevens). Vergelijk Oud Nederfrankisch (Oudnederlands) ‘sigan, Middelnederlands sigen ‘druppelen, afvloeien’, (overgankelijk) ‘door iets naar beneden laten vloeien’, sichene ‘zeef ‘ (MW), Nederlands zijgen, bi den siken (‘gracht’) âne den wier (1290, BG), Duits sickern ‘herabfliessen’ en Rijnlands sicken, secken ‘urinare’ (Dil963). Anderen reconstrueren een nederzcttingsnaam: Voorgermaans *Segina ‘de machtige’ bij *$ego- ‘machtig’ (BE, Herl978). In het verleden waren de heerlijkheden Zichen en Zussen eng met elkaar verbonden, hoewel ze meestal tot verschillende heren behoorden. De gemeente Zichen-Zussen-Bolder kwam in 1796 tôt stand, nadat Bolder van het naburige Meer (zie daar) losgemaakt was en bij Zichen-Zussen gevocgd werd (Gol986, DS). (vm) FD

ZIEKHUIS

(Uccle, BC) (Wemmel, VB) : léproserie (néerl.    huis   « maison »,   moy.   néerl.   ziek « lépreux »). JJ

ZIJP

(Wemmel, VB) : petit fossé (moy. néerl. sip) (C.). § Longe la vallée du Maalbeek (IV). JJ

ZIKKELENBERG

(Wezembeek-Oppem, VB) : hau­teur (néerl. berg) des [terres défrichées à la] fau­cille (néerl. sikket). JJ

Zillebeke

dial. uitspr. [‘zᴧləbe.kə]

WV, leper, 1 102 Selebecha (TW), 1 123 Silbeke (GN), 1207 Selebeke (TW), 1222 Zelebeke, 1281 Zillebeke (DF).

Een waternaam samengesteld met beek. Misschien een kustdialectisch ontronde variant naast Duits Sulbek, Sulbach, met sul uit Indo-Europees *swel’ opborrelen, heftig bewegen’ (GN). De dialectische uitspraak is misschien hypercorrect vanwege de West-Vlaams ontronde vorm zille voor zulle ‘drempel’, Duits Schwelle, Engels sill. Vergelijk Oudhoogduits sul, Wmocrassige plaats’ en het in de Limburgse Kempen voorkomende toponiem Soit, collectief van Germaans sula ‘slijk, modder’. (fd) FD

Zingem

F.or. 811-870 Siggangahem super fluvio Scald , 960 Sicgingahaem , 967 Siggingehem Le Glay, 1455 Zinghem  (Siggo). AV

Zingem

dial. uitspr. [‘zIηɤəm]

OV, 885-886 kopie 941 Siggingahem, eind 9de eeuwkopie 941 Segingebem, 963 Sicgingahem, 1121 Sinchem, 1219Singhem (TW, GN).

Samenstelling van de Germaanse persoonsnaam Siggo verbonden met het verzamelsuffix -inga en heem, ‘woonplaats van de lieden van Siggo’ (M, TW, GN). Siggo is een vaak geattesteerde vleivorm met dubbele van een Sigi-naam (Föl, GN). (md, pk) FD

Zoerle-Parwijs

A. 1703 Zoerle-Parwez , 1804 Soerle-Perwijs oud. (appartint longtemps aux seigneurs de Perwez R (1360 den heer van Parwijs) . Une partie du village tirait du reste jadis son nom des seigneurs de Westerloo, la commune voisine : 1702 Soerle-Westerloo). AV

Zoerle-Parwijs

dial. uitspr. [zy.l]

AN, Westerlo, 1286 Zuerle (C), 1560 Soerla, 1649 Soerle (DS).

Samenstelling van -lo met als eerste lid zoer, waarin de oorspronkelijke Westgermaanse klinker is behouden, die later in de gewone woordenschat palataliseerde rot uu zoals ook in Zoersel (zie daar) en verklaard als ‘bos of bosweide met zurige bodem’ (DV2, WB). Waarschijnlijk echter is het eerste lid door d-syncope terug te brengen tot Westgermaans *suthar (waaruit Nederlands zulder). De naam is dan identiek me£ Soerel (1418 Zuerlo) in Gelderland en in verband te brengen met nabijgelegen Oosterlo en Westerlo (zie daar) (VO2001). De toevoeging Parwijs slaat op de vroegere bezitters, de heren van Perwez. (wvo) FD

Zoersel

dial. uitspr. [‘zu.əsəl]

AN, 1240 (kopie) Colinus/Nicolaus de Surcele (OSB), 1247 Sursele (OSB), 1257 (kopie) Zursela (OSB), \336Zoersle, 1817 Zoersel (DS).

Een zele-naam, met als eerste lid wellicht zoer, de oude, niet-gepalataliseerde vorm van Nederlands zuur (M, C, DV, WB, VL1986), en dan ‘woning op de zure gronden’, maar mogelijk ook zoer uit Westgermaans “suthar ‘zuider’ (DV2). Zie ook Zoerle-Parwijs. (wvo) FD

Zoetendale

(Maldegem F. or.) 1215 curtem Dulcis Vallis . Voyez n° 135 dael composé avec un nom d’homme. AV

Zolder

dial. uitspr. [‘zↄ.ldər]

LB, Heusden-Zolder,  1154 Surle (TW), 1366 Zoelre (LA), 1434 te Zuylre, 1440 Zuelrc, 1669 Solder (Mol982b).

In de oudste vermelding is het later verdofte lo hcrkenbaar. De oudste attestatie wijst erop

dat het eerste deel het in veldnamen zeer verspreide Middelnederlands suur (suer) is (dat op de bodemgesteldheid wijst) en waarbij r-l-wisseling plaatshad. In de oorspronkelijke vorm trad metathesis rl > lr op en vervolgens werd een epenthetische -d- toegevoegd

in de moeilijk uit te spreken medeklinkerverbinding -lr-. De oorspronkelijke betekenis

van de naam is dus ‘bos op zure bodem’. In Midden- en West-Limburg komt trouwens het toponiem  Gezuur zeer fréquent voor als benoeming van minder vruchtbaar

(cultuur)land. Zie in dit verband de eerste vermelding van Zutendaal. (vm) FD

ZOLOS

Ûlaus (aus-_)

(Fosses-la-ville, N) : aux (wall. aus agglutiné) + (wall. Ûlaus (ceux qui hurlent)) (C.). (origine indéterminée) JJ

Zomergem

F. or. 811-870 villa Sumaringahem , 966 Sume-ringehem , 1139 Sumerinchem, 1139-63 Somrengemt, 1167 Somergern , 1201 Sonbrenghien (Sumar). AV

Zomergem

dial. uitspr. [zo.mərgεm]

OV, 9de eeuw kopie 94l Sumaringahem, 964 Sumeringehtm, 1122 Somerengem, Somergem (TW).

Samenstelling van de persoonsnaam Sumar uit Voorgermaans “Sumarios, verbonden met het verzamelsuffix -inga en heem, ‘woonplaats van de lieden van Sumar’ (TW, Gyl978). Te vergelijken met Engelse plaatsnamen aïs Summersalc, Somersham en Somerset (Fol, GN). (md, pk) FD

ZONE Aunes (ès-_)

 (Gozée, Thuin, Ht) : aux (wall. es agglutiné) aulnes (C.). § Ferme de l’abbaye d’Aulne, du XVIIIe s. JJ

ZONE Aunes (ès-_)

 (Mont-sur-Marchienne, Charleroi, Ht): aux (wall. es agglutiné) aulnes (C.). § Ateliers métal­lurgiques de la fin du XVIe s. au bord de l’Eau d’Heure, qui furent notamment aux Polchet et aux Bilquin, seigneurs engagiers de Mont-sur-Mar­chienne ; transformés en 1826 par Charles de Car­tier ; société des Forges et Laminoirs de l’Heure, constituée en 1842, supprimée en 1878 et trans­formée en clouterie. JJ

Zonhoven

dial. uitspr. [‘zo.nəvə]

LB,  1218 kopie 1292 Uliro de sonue, 1280 sonuwe, 1527 zonhoven (Mol 982).

Het tweede lid is blijkens de oudste vermeJdingcn ouwe, wat later verkeerdelijk als een hof-naam geïnterpreteerd werd. De betekenis is te omschrijven als ‘waterland aan

de waterloop de Son! Deze Son, nog terug te vinden in Seune, bijrivier van de Zenne, (VLW1991) is vermoedelijk de huidige Roosterbeek. De nederzettingsnaam verwijst dus naar de alluviale depressie van de waterloop (Mo 1982), hoewel de Roosterbeek een eind van het dorp ligt. (vm) FD

Zonnebeke

F. oc. 1233 Zinnebeka, 1424 Zinbecque , 1570 Sunnebeke pt. AV

Zonnebeke

dial. uitspr. [‘zœnəbe.kə]

WV, 1072 Sinnebecche, 1114 Sinnebeca (TW), 1178 Sinnebeke, 1274 Zinnebeke, 1307 Zonnebeke, 1323Zunnebeke, 1370 Zunnebeke, 157 6 Zonnebeke (DF).

Misschien te vergelijken met Zennewijnen (Gelderland), 1222 Sinewenne, mogelijk

te verbinden met Oudnoords sina ‘oud wintergras’, Gotisch sin- ‘oud’ (VBS). De Westvlaamse uitspraak Zunnebeke is vermoedelijk een hypercorrecte vorm, vanwege de

bekende Ingveoonse ontronding, bijv. put > pit. De officiële naam Zonnebeke is pas sinds de late zestiende eeuw volop in gebruiken is te verklaren door adaptatie van West-Vlaams zunne aan het algeineen Nederlands zon. Gysseling (Gyl983b) verldaart het eerste lid uit Middelnederlands swen uit Germaans *sunia ‘modderig’. (fd) FD

Zonnegem

dial. uitspr. [zœnəɤæm]

OV, Sint-Lievens-Houtem,  1173 kopie eind 13de eeuw Sonneghem (TW).

Samenstelling   van   de   Germaanse   persoonsnaam   Sunno   verbonden   met   het verzamelsuffix -inga en heent, ‘woonplaats van de lieden van Sunno’ (TW). Sunno / Sundo is een verkorting van namen als Sundfrid en Sundmar (DV). (md, pk) FD

Zottegem

dial. uitspr. [zↄ.təgεm]

OV, 1088 Sottengem, 1120 Sottingem, 1150-1154 Sotengem, 1202 Sotteghem (TW, BE, GN), \346zotteghem (VD1999).

Samenstelling van de Germaanse persoonsnaam Sotto verbonden met het verzamelsuffix -inga en heem, ‘woonplaats van de lieden van Sotto’. Sotto is een vleivorm van Suto, dat wellicht schuilgaat achter de spellingvarianten met enkele -t-. De persoonsnaam zou afgeleid zijn van het adjectief zoet, en verwijzen naar het zachtaardige karakter van de eerste naamdrager (La2001). (md, pk) FD

ZOUDE

(Bouge, Namur, N) : propriété des Zoude, célèbre famille namuroise de maîtres de forges aux XVIIe et XVIIIe s. § Ferme avec des bâtiments du XVIe au XIXe s. JJ

ZOUPIRE  Pîres (azès _)

(Comblain-au-Pont. Lg) : aux (wall. as ou agglutiné) chemins empierrés (wall. pîres) (C.). JJ

Zoutenaaie

dial. uitspr. [‘zutnↄjə]

WV, Veurne, 11de super fluvium Saltanawa (TW), 1228 Soutena, 1229 Zoutena,1268 Zoutenay, 1584 Zoutenaye, 1915 Zoetenaai (DF).

Oorspronkelijk een waternaam gevormd door de samenkoppeling van het verbogen adjectief zouten ‘zout’ hier bepaaldelijk ‘met zeewater gevuld’ en aaie, variant van ouwe. (fd) FD

Zoutleeuw

B. fl. Zoutleeuw, 1139 Lewis , 1135 Leugues, 1194 Leuva, 1221 Lewes, 1235 Leeuwis, 1336 Lyewes, 1514 Leuwe (fl.) , 1632 Sout-Leeuw, 1694 Leaues , XVIIe Leeuwen, 1842 Leeuw-Saint-Léonard. AV

Zoutleeuw

dial. uitspr. [li:əf]

VB, 980 Leuua (?) (lees: Lewa), 1136 kopiemidden, 12de eeuw Leugues (een erg afwijkende vorm geschreven door een Romaans auteur!), 1139 kopie, midden 13de eeuw Lewis, 1154 Leuue, 1155 Lius, 1161 Lewis (TW, BE), 1213 lewe, 1383 leeuwe, 1533 Soutleu, 1538 buyten saut Leeuwe (Ke2003).

De attestatie Leuua van 980 is volgens Gysseling (TW) de oudste vorm van (Zout) leeuw, maar is veeleer te verbinden met Gors-Opleeuw (mededeling van Ulrich Maes). Oorspronkelijk heette de plaats gewoon leeuw ‘helling, grafheuvel’, te vergelijken met de Engelse plaatsnaam Lewis. De voorbepaling zout werd pas na de middeleeuwen toegevoegd. Zoutleeuw was eertijds een havenstad waar zout werd ingevoerd (Ke2003). De Franstalige naam Léau komt voor het eerst voor in een krantenartikel in Parijs, in 1672: “la citadelle de Lewe … que les François nomment l’Eau” (Ke2009b). (pk) FD

ZOUW

(Zétrud-Lumay, Jodoigne, BW) : 1404 Suewe : fossé (flam. brabançon zouw) (C.). JJ

ZUALART

(Suarlée, Namur, N) : château de la famille Zualart. § Château domanial de Suarlée, du XVIIIe s., restauré par la famille Zualart, qui l’a ac­quis par alliance au XIXe s. JJ

Zuidschote

dial. uitspr. [‘zytʃχo.ətə]

WV, Ieper, 1119 Sutscotes, 1138 Zutscoten, 1290 Zuutschoten, 1581 Suytscbote, 1836 Zuidschote

(DF).

Zuidelijke schoot. Zie voorts Bikschote en Noordschote. (fd) FD

Zuienkerke

dial. uitspr. [‘zuηkærkə / ‘zyηkærkə] of jonger [‘zywəηkærkə]

WV,  1108 Zuwankerka (DF), 1 110 Siwancherka, 1 135 Suwankerca, 1207 Suenkerke (TW), 1219 Zuwenkerc(k)a, 1248 Zuenkerke, 1749 Suywenkercke, 1791 Zuyenkerke, 1826 Zuienkerke (DF).

Onzeker. De naam is mogelijk een samenstelling van de persoonsnaam Siw o en kerk, en verwijst dan naar een kerk gesticht door ene Siwo (TW, DV2), maar die interpretatie steunt slechts op één attestatie (11 10). Aangezien suwan mtsiwan verklaard kan worden door ronding van de klinker voor de bilabiale w (bij voorbeeld huwen uit hiwan), kan op grond van alle andere attestaties voor het eerste lid de voorkeur gaan naar Middelnederlands zuwe, suive, sauwe ‘sloot, gracht, greppel, goot’ (Kel983), suweren ‘afwateren’, maar het is niet zeker of het woord zuwe voor ‘sloot’ ooit gebruikelijk is geweest in het Noord-West-Vlaams. De huidige plaatselijke uitspraak is daarmee wel in overeenstemming. De oude uitspraak van Zuienkerke is evenwel zoengkerke, waarin de klinker van het eerste deel een oe-relict kan zijn van zuiden, zoals in Soeberg op Walcheren en misschien Zoerle(-Parwijs) en Zoersel. De vormen suwan- en zuwen-stemmen ook overeen met de plaatselijke uitspraak van de windstreekbenamingz«/W«2 in Noord-West-Vlaanderen: ‘t zuwen. (fd) FD

Zulte

dial. uitspr. [zᴧltə]

OV,  1182 kopie eind 12de eeuw Zulte, eind 12de eeuw Sulta (TW).

Zulte komt uit Germaans *sulitja, met het verzamelsuffix -itja afgeleid van Germaans *sula  ‘modderpoel’ (TW), Middelnederlands sol ‘poel, modderpoel, vuil, slijk’ (MW).

Het beekdal van de Zaubeek is een laag, moerassig gebied (Goel999). Soit komt ook voor als nederzettingsnaam in de Limburgse Kempen en Maasstreck, bijv. in Gruitrode-Soit, (ma, pk) FD

Zulzeke

dial. uitspr. [‘zᴧəlzək]

OV, Kluisbergen, 1296 Sulseke (TW), 1560 Sulseke (M). Zulzeke gaat terug op een afleiding met het nederzettingssuffix -acum, een latinisering van Keltisch -akom, van de Gallo-Romaanse persoonsnaam Su/dus (Gyl978), te reconstrueren aJs “Sulciacum ‘landgoed van Sulcius’ (VD1996b). (md, pk) FD

Zussen

dial. uitspr. [‘zøsə]

LB, Riemst, 1139 Susgene, 1186 Sescan (TW), 1280 Susscen (BG1965).

Een samenstelling van *sub, *sup of *sursum ‘boven, naar boven gekeerd’ met *sigan (zie Zichen) is het meest aanvaardbaar, ook omdat Zussen boven Zichen gelegen is (meegedeeld door wijlen A. Stevens). Zie hiervoor ook Gors-Opleeuw en Opheers.

Volgens Stevens gaat Zussen mogelijk terug op een prototype *suskiô/ân > suskô/ân  met onduidelijke betekenis (Herl978). (vm) FD

Zutendaal

dial. uitspr. [‘zitəndↄ:l]

LB,  1304 Suetendael olim Soursbroeck, 1364 in Zutendale (LA).

Zutendaal is een middeleeuwse fantasienaam waarbij het eerste lid in poëtische zin opgevat moet worden.  Middelnederlands soet, suet ‘aangenaam, liefelijk’  (MW)

gekoppeld aan daal. De naamsverandering gebeurde onder invloed van de norbertijnen van Averbode, die vanaf 1 304 deparochiekerk bedienden. De naam kan zowel in verband staan met de zoete of ‘aangename’ ligging in het dal als met de in de middeleeuwen ontstane, plaatselijke Mariadevotie (Pu 1946). Soursbroeck, de vroegere naam van het dorp, met -s- in het midden, is ongewoon aïs verwijzing naar de bodemgesteldheid van het laaggclegen hooiland dat uit een ontwaterd moeras ontstond (zie voorts broek en Zolder). (vm) FD

ZUUN

(Anderlecht, BC) : al. Zuen : village puis quartier au confluent du #Zuunbeek al. Zuun et de la Senne. § S’étend principalement sur Sint-Pieters-Leeuw (VB) ; sur la frontière régionale. JJ

ZUUNBEEK

(cours d’eau) : al. Zuun : 1179 Sonna : ruisseau (néerl, beek) l’eau] coulante (celt. *sagotvicj, de *saucos, indo-eur. *seu « couler ») (C.). § Affluent de la Senne à Sint-Pieters-Leeuw. JJ

Zuurbemde

dial. uitspr. [‘zørəbøm]

VB, Glabbeck, 1208-1209  Surbam,   1209  Surbammet,  Surbemth  (TW),   1366  Wilhelmus  de Zoerbemde (Cla2000).

Zuurbemde is een samenstelling van zuurmct de oude combinatie van ban ‘rechtsgebied’ en mode ‘weide’, wat correspondeert met het modem Nederlandse beemd (EWN).

De plaats is zo genoemd vanwege de zure en drassige grond (Clal987). In 1825 werd Zuurbemde verenigd met Glabbeek: Glabbeek-Zuurbemde (GB, Ke2008). (pk) FD

Zwalm

dial. uitspr. [zwalm]

OV, 1040 kopie ça. 1060 fluuiolum Sualma (TW).

Naam voor de nieuwe gemeente die in 1977 ontstond uit de fusie van Nederzwalm-Hennelgem en Groot-Munkzwalm. De gemeente omvat nu 12 dorpen, namelijk Beerlegem, Dikkcle, Hundclgem, Meilegem, Munkzwalm, Nederzwalm-Hermelgem, Paulatem, Roborst, Rozebeke, Sint-Blasius-Boekel, Sint-Denijs-Boekel en Sint-Maria-Latem. Genoemd naar de rivier Zwalm, bijrivier van de Schelde en etymologisch identiek met Swalm, naam van een zijriviertje van de Maas in Nederlands-Limburg en met de Duitse riviernaam Schwalm (Hessen). Wellicht afgeleid uit Germaans *swellan ‘zwellen’ (Bel999), dus ‘het zwellende water’. Minder overtuigend is de afleiding uit de Indo-Europese wortel *swel ‘branden’, bewaard in onder rheer Lets svelme ‘damp’ en Middelnederduits swalm ‘damp’ (Gyl978). (md, pk) FD

ZWARTEBEEK

 (cours d’eau) : ruisseau (néerl. beek) l’eau] noire (néerl. zwart). § Affluent de la Senne à Drogenbos. JJ

Zwevegem

dial. uitspr. [‘zwe.vəɤæm]

WV, 1063 Suevengehem, 1199 Sttfevenghem (TW), 1295 Zteeveaghem, 1915 Zwevegem (DF).

Door Gysseling vcrklaard aïs een samenstelling van de Germaanse persoonsnaam Swivo, verbonden met het collectiefsuffix -inga en heem ‘woonplaats van de lieden van Swivo’ (TW). Maar een naam Swibo, Swivo is niet geattesteerd en ook de oudstc attestaties van de gemeentenaam bevatten e. De naam is daarom veeleer af te leiden van de Germaanse naam Swabo, Suabo, Suabin (Fol), Oudsaksisch Suavus, Suevus, van de volksnaam van de Sueven, de Duitse Schwaben (GN). (fd) FD

Zwevezele

F. oc. 1117 Suevensela K, 1268 Zuevingzele  (Suafco). AV

Zwevezele

dial. uitspr. [‘zwe.vəzi.ələ]

WV, Wingene, 1110 Suevenzela (DF), 1146 Suivensela (TW), 1146 Zuevenzela, 1307 Zwevenzele,

1426-39 Zwevezele (VF).

In het eerste lid van deze ze/e-naam ziet Gysseling (TW) eveneens de overigens niet geattesteerde mansnaam Swibo, Swivo (zie Zwevegem). Er is weliswaar een variant Suivensela uit 1146, maar die heeft weinig bewijskracht tegenover al oudere vorrnen met zweve-, Zoals voor Zwevegem gaat ook hier de voorkeur naar Swabo (GN). (fd) FD

Zwijnaarde

dial. uitspr. [zwε.nↄrdə]

OV, Gent,  11de eeuw Suinarda (GN), 1114 Suinarde, 1164 Suinarden, 1180 Suuinarde, 1210 Daniel de Suinardo (GN).

Zwijnaarde wordt gewoonlijk verklaard alïs een samenstelling van zwijn Varken ‘ met aard in de betekenis ‘(gemene) weide’, dus ‘(gemene) varkensweide’ (TW, Gyl978, GN). Echter, gezien de ligging in oorspronkelijk meandergebied van de Schelde kan het eerste deel een vroege volksetymologische aanpassing zijn van zwin ‘kreek, vaargeuf, zoals in Zwijndrecht (zie daar). In die veronderstelling komt voor het grondwoord ook de betekenis ‘aanlegplaats’ in aanmerking. Zwijnaarde zou dan verwijzen naar een (gemene) weide of een aanlegplaats nabij een kreek of een vaargeul, in dit geval de Schelde. (md, pk)  FD

Zwijndrecht

dial. uitspr. [‘zwIndreχt]

AN, 847 kopie 1300 Squindrefih, 1114 Suindreth,  1149 kopie 1175 Zuindret, 1157 Suindrecth, 1224 Suuindrecht (TW).

Samenstelling van zwijn en drecht. Veeleer dan ‘overzetplaats, veer’ betekent drecht‘(deel van) een water waar schepen van op de oever werden voortgetrokken’ (VO 1996).

Voor het eerste lid aarzelt men tussen zwijn Varken’ en zwfn ‘kreek’ met een voorkeur voor ‘kreek’ (M, C, Gyl951, TW, DV, DV2, Gy 1986e, WB). Hier gaat het wel om een ‘kreek’ ( VD2009) en dan betekent Zwijndrecht ‘plaats waar schepen door de kreek werden getrokken’ (VO1996), of eventueel Vaarkreek’ (VD2009). (wvo) FD

ZYKLOPENSTEINE

(Eynatten, Raeren) : pierres (allem. Steine) des Cyclopes, allusion aux géants de la mythologie grecque, fils d’Ouranos et de Gaïa. § Groupe de gros rochers à 3 km au nord d’Eynatten, dans la forêt du Landwehrring. JJ

Rechercher

A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Translate »
Share This