DICSIONAÎRE JÈNÈRÂL DI TOPONIMÎYE

DICTIONNAIRE GÉNÉRAL DE TOPONYMIE

L

Rechercher

laak

 

Middelnederlands laak betekent in plaatsnamen ‘meer, poel, plas, beck, sloot’. Het staat naast Duits lâche ‘meer, poel’ Engels lake ‘meer’ en kan ook vergeleken worden met Oudnoors lœkr ‘langzaam stromende beek’ (DV). Het is als leek of laak in het hele taalgebied verspreid, waarbij het zowel kan slaan op grotere waters of thans verlande stroombeddingen als op kleine riviertjes (Scl955) of afwateringsgrachten van drassige terreinen, zoals de vele laken in de streek van Aarschot (Kel983, Ke2009). (wvo)

FD

Laakdal

AN, 1977 Laakdal. De gemeente is het resultaat van de lusie in 1977 van Vorst, Eindhout en Veerle, dat zelf al in 1971 fuseerde met Varendonk. Men bedacht de naam Laakdalomdat de gemeente zich uitstrekt in het dal tussen de Grote en Kleine Laak. De gemeentenaam betekent dus ‘het dal van de Laak’, de riviernaam zelf ‘de langzaam stromende beek’ (WB) of ‘afwateringsgracht’. (wvo)

FD

laar

 

Het grondwoord laar (uit Germaans “hlaeri) is een van de meest besproken toponymische elementen, waarvan de precieze oorspronkelijke betekenis echter niet met absolute zekerheid achterhaald kan worden (voor overzicht, zie V01995). Men is thans in de toponymische literatuur geneigd ‘open plek in een bos’ (geschikt voor beweiding en bewoning) als primaire betekenis te beschouwen (Gyl975, 1978, 1984, 1986), met een latere betekenisontwikkeling tot ‘onbebouwd veld, broekland’, waarbij met het afnemen van de bospercelen het overblijvende veld de naam beërfd zou hebben (DV1958). In de toponymie verwijst het dan naar ‘woeste, onbebouwde (gemeenschaps)grond, heide en minderwaardig grasland, waar de bewoners van een nederzetting hun dieren mochten laten grazen, hout sprokkelen, turf of‘russen’ (gras- of heidezoden) steken’, enz. (VP1973). (wvo)

FD

Laar

dial. uitspr. [lo.ar]

VB, Landen, 1065 Lare, 1136kopie midden 12de eeuw Lare, 1211 Larae (TW). Het element laar is hier gebruikt als enkelvoudig woord. (pk)

FD

LAARBEEK

 

 (cours d’eau) : ruisseau (néerl. beek) du larris (moy. néerl. laer, germ. *hlœri). § Ruisseau à Jette, affluent du Pontbeek, sous-affluent de la Senne.

JJ

LAARBEEKBOS

 

 (Jette, BC) : bois (néerl. bas) du “Laarbeek. § Réserve naturelle de 35 ha, vestige des forêts défrichées entre le xne et le XVIIIe s.

JJ

Laarne

dial. uitspr. [‘lo.arna]

OV, 1040 kopie 2de helft 12de eeuw Laren, 1120 Lara, 1213 Larne, 1223 Lare (TW, GN, Gyl980). Laarne komt uit de datief meervoud van laar in plaatsaanduidende uitdrukkingen (TW, GN), dus ‘nederzetting in of nabij een open plek in het bos’.

FD

 

 

 

 

LABLEAU

L’ Abliau

(Dergneau, Frasnes-lez-Anvaing, Ht)  abliau : le tremble, le peuplier blanc (anc. franc, aubel, lat. *albellus ; agglutina-nondu/’HC.).

JJ

LABLIAU

L’ Abliau

(Marcq, Enghien, Ht) : al. L’Abliau : le tremble, le peuplier blanc (wall. abliau, anc. franc, aubel, lat. “albellus ; agglutination du / ‘) (C.). § Fit partie de la seigneurie de l’abbaye de Grimbergen, qui avait pour centre les fermes de Itmiunick et le Dicht ; f. > Marcq rég. franc.

JJ

La Bouverie

Èl Bouverîye

(à ’l B.) [Mo 43], cf. Bouverie (La)

JH

LA BOUVERIE

Èl Bouverîye

v Beuverie

MB

LA BOUVERIE

Èl Bouverîye

(Frameries, Ht) : loc. La Bouvrîye : l’etable à bœufs séparée du corps de ferme

(franc, beuverie) (H.). § Jadis, étendue inculte où les bouviers d’Eugies, Frameries, Jemappes et Qnaregnon faisaient paître leurs troupeaux ; ha-roeau de Frameries ; érigé en commune le 30.3.1845 par amputation de Frameries.

JJ

A
B
C
D
E
F
G
H
I
J
K
L
M
N
O
P
Q
R
S
T
U
V
W
X
Y
Z
Translate »
Share This