La régionalisation: une absurdité en matière de politique internationale

 

1988

Les régions et l’Europe, LB 15/06/1988                     

 

Récemment, le Cecopro (Centre pour les communes et les provinces) s’inquiétait de l’importance des compétences que l’on veut attribuer aux régions et aux communautés en matière internationale.

A ce sujet, M. Jacques Delors, président de la Commission des Communautés européennes, vient d’écrire à M.- du Bus de Warnaffe, animateur du Cecopro, pour lui exposer sa position.

« Il y a, écrit M. Delors, des représentations des régions auprès de la Commission comme il existe des représentations des groupements professionnels.  Les contacts que nous avons ,avec ces représentations ne constituent pas une relation officielle dans le sens du droit international public ou du droit communautaire.  La Commission n’entretient de relations qu’avec les représentants. des Etats ou des organisations internationales.»

Voilà donc encore une belle source de conflits en perspective, qui ne redorera pas notre blason sur le plan international.

 

1989

Monique della Faille, Les drapeaux à Hawaii, LB 22/09/1989

 

Hommage au père Damien, à Hawaii, en présence du prince Philippe.

Les drapeaux officiels qui dominaient la cérémonie: USA, Etat d’Hawaii et … Communauté flamande!

 

1993

Van den Brande se prend pour Spitaels …, LB LB 26/02/1993

 

Visite le 25 mars chez Ruud Lubbers, Premier Ministre néerlandais, qui le recevra « avec les mêmes égards que ceux reçus par le Premier ministre wallon à Paris. »

 

1998

Th. B., Et pourquoi pas “www.vlaanderen.vl”?, LB 18/07/1998

 

Au grand dam d’un député régional de la V.U., la région flamande possède un site web: http://www.vlaanderen.be.  ‘be’ ne peut être remplacé par ‘vl’ (pour Vlaanderen) car il faut se conformer aux standards internationaux qui comportent une liste déterminée de pays.

 

2003

Pierre Van Haute (ereambassadeur), De waterverdragen, een gemiste kans!, p.6-9, in: Delta 9, 2003

 

(p.6) Alvorens in te gaan op de huidige verwikkelingen rondom de uitdieping van de Westerschelde, de daarmee samenhangende problemen en de onderhandelingen die al sinds jaren hierover met Nederland gevoerd worden, is het noodzakelijk er op te wijzen dat op dit dossier een zware hypotheek rust, die teruggaat tot het prille begin van de Belgische staat. De huidige betrekkingen van België met Nederland zouden immers in totaal andere omstandigheden verlopen indien de Grote Mogendheden ten tijde van het ontstaan van België (1830-1839), Nederland niet de controle over de Scheldemonding had verleend.

 

Het is van belang dit feit even aan te halen, want men is al te vaak geneigd te vergeten dat de grenzen zoals ze ons destijds zijn opgelegd, onze noorderburen een gigantisch voordeel opleverden en de haven van Antwerpen in een moeilijke positie plaatsten.

 

Die ondergeschikte positie kon weliswaar in het verleden worden gecompenseerd dank zij de efficiënte werking van de Belgische Staat, die een echt buitenlands beleid kon voeren, en dank zij het feit dat de machtsverhoudingen tussen beide landen in ons voordeel overhelden. Getuige daarvan bijvoorbeeld het afkopen van de Scheldetol, waardoor de haven van Antwerpen vanaf 1863 tot grote bloei kon komen. Deze traktatie kwam tot stand, na langdurige onderhandelingen onder impuls van de Secretaris-Generaal voor Buitenlandse Zaken, Baron Lambermont.

 

Maar sindsdien is er héél wat veranderd. Door de wanordelijke toestand waarin de Belgische Staat steeds verder wegzinkt, zijn de rollen nu omgekeerd en Nederland staat nu op vele punten een stuk verder.

 

(p.7) Na deze korte achtergrondschets, kunnen we overgaan tot de verwikkelingen rond de onderhandelingen over de uitdieping van de Westerschelde en de waterverdragen in het algemeen.

 

De ontmanteling van de Staat

 

Zo’ n 35-40 jaar geleden behoorden de waterverdragen tot de bevoegdheden van Buitenlandse Zaken, Logisch, aangezien het ging om klassieke bilaterale internationale betrekkingen. Maar alhoewel het dossier zogezegd in handen was van de diplomaten, had in werkelijkheid de haven van Antwerpen de touwtjes in handen, want die had immers het meeste belang bij het uitdiepen van de vaargeulen van de Schelde, de aanleg van het Baalhoekkanaal (inmiddels afgevoerd van de planning) en het afsnijden van de Bocht van Bath (1). Onze Ministers kwamen weliswaar sporadisch tussen in de crisissen die bij deze eindeloos aanslepende onderhandelingen opdoken, maar Buitenlandse Zaken was niet langer de protagonist zoals ten tijde van Baron Lambermont.

Dit is een gevolg van de ontmanteling van de Belgische Staat en de wens van zijn Gemeenschappen en Gewesten om op internationaal niveau een rol te spelen. Binnen de constitutionele evolutie zoals wij die thans kennen, was het bijgevolg normaal dat Vlaanderen België’s plaats innam als hoofdonderhandelaar bij de waterverdragen.

Door de Belgische Staat hierbij naar de achtergrond te verdringen, beging Vlaanderen een enorme diplomatieke flater, want het ging nu op zijn eentje onderhandelen met de (onbuigzame) Nederlanders, die hun kans geroken hadden, en dit zonder echt te beschikken over pasmunt of drukkingmiddelen. Een eerstejaars student in diplomatieke wetenschappen weet dat dit dodelijk is. Die flater ingegeven door nationalistische fantasie, sleepte

Vlaanderen mee in een onderhandeling die gedoemd was om eindeloos te blijven duren, want voor Nederland kwam het er in de allereerste plaats op aan de zaken op de lange baan te schuiven, iets waar de haven van Rotterdam alleen maar baat kon bij hebben.

En het bleef niet bij die ene flater. Er werden ook tactische fouten gemaakt, bijvoorbeeld door op nationaal vlak nooit tot een echt havenbeleid te komen, waarbij de respectievelijke functies van Zeebrugge, Gent en Antwerpen zouden worden gecoördineerd, of ook nog door plots de

eis in verband met de Bocht van Bath te laten varen en zo te kennen te geven hoe lichtzinnig de Belgische standpunten waren opgesteld.

Toen de besprekingen, zoals voorspeld, bleven aanslepen en zelfs bitser werden, vroegen de Nederlanders om ook de zuivering van het Maaswater bij de onderhandelingen te betrekken, een punt waarop zij vragende partij waren. Deze onvoorziene, maar logische ontwikkeling

zaaide helemaal verwarring bij de Vlaamse onderhandelaars. Zij wierp op die wijze een « communautaire » moeilijkheid op die de Belgische Staat niet meer kon oplossen, want de opeenvolgende constitutionele hervormingen hadden hem elke arbitragefunctie ontnomen.

De Walen waren natuurlijk gekant tegen het koppelen van de Maas aan de Schelde, want volgens de logica (?) van het systeem dat onze « Constituante » in het leven had geroepen, is « Waals water » enkel voor Wallonië bestemd, net zoals aan Vlaamse kant de belangen van de haven van Antwerpen, alleen Vlaanderen aangaan.

Na de Sint-Michielsakkoorden en de spectaculaire bezoeken van onze twee « Ministers-presidenten » aan Den Haag, begrepen de Nederlanders maar al te best dat de Belgische Staat definitief buiten spel was gezet. Zij besloten dus om afzonderlijk te onderhandelen met Vlaanderen en Wallonië, in het besef dat de ontdubbeling voor hen in feite voordelen bood.

(p.8) Immers door afzonderlijk te onderhandelen met Vlaanderen zouden ze ongetwijfeld hun obstructiepolitiek kunnen voortzetten. Bovendien, dachten ze verder, waarom ook niet de zuivering van de Schelde eraan toevoegen? Ook al waren ze tegenover Wallonië de vragende partij, Nederland was vastbesloten om dat  » rompstaatje » ertoe te krijgen zijn Maaswater te zuiveren en een grotere sluis te bouwen in Lanaken, zodat de grote Rijnaken zouden kunnen worden afgeleid van Antwerpen naar Rotterdam.

 

Frankrijk komt op de proppen.

 

De loskoppeling werd aanvankelijk met opluchting onthaald in Vlaanderen, dat zo naïef was te denken dat, nu het van de Walen « verlost » was, eindelijk tot een vergelijk zou kunnen komen met Nederland. Maar het zag uiteindelijk in dat het niets zou bereiken zonder geldige pasmunt. Vandaar het idee om met Nederland de twist uit te lokken over het tracé van het

HST-net naar het Noorden toe. Voor iet hoort iet, nietwaar?, Door dit als een nieuw gegeven ten berde te brengen, waarbij nog de discussie over de vervuiling van de Schelde kwam, werd echter Frankrijk, op wiens grondgebied de Scheldebron ligt, als een nieuwe partner bij de onderhandelingen betrokken. Partner die trouwens al in zijn wiek geschoten was omwille van

het communautaire gedraal omtrent de HST.

Ook de Walen hadden inmiddels begrepen dat de besprekingen met Nederland niet bepaald van een leien dakje zouden lopen. Ze hadden al geruime tijd de stelling verdedigd dat de door Nederland vooropgestelde hoeveelheden gezuiverd water onmogelijk waren zonder dat in

Frankrijk dammen zouden gebouwd worden voor de regeling van het Maasgebiet. Bijgevolg hadden ze gevraagd dat dit land zou deelnemen aan de debatten, in de veronderstelling dat ze op die wijze sterker zouden staan om een belangrijke Nederlandse tussenkomst te eisen in de investeringen die deze zuiveringswerken met zich zouden brengen.

Na aldus de Belgische Staat te hebben uitgeschakeld en de onderhandelingen te hebben verdeeld, moesten wij het meemaken dat het waterdossier een internationale dimensie kreeg, want op 6 december 1993 werd er in het kader van de akkoorden van Helsinki, in Parijs en onder voorzitterschap van Frankrijk, een Conferentie gehouden om te pogen een oplossing te vinden die voor iedereen bevredigend was.

Onze nationalisten verheugden zich hierin, want de twee « Ministers-presidenten » koesterden de heimelijke wens om eindelijk van rechtswege een plaats te kunnen nemen aan een internationale onderhandelingstafel, zonder bemoeienis van de Belgische  » stiefmoeder » .

Enige ervaring met het internationale gebeuren had hen echter moeten leren dat men beter zijn problemen onder elkaar regelt, dan wel een beroep te doen op derden, vooral als die derden (Frankrijk) veel macht bezitten. Die vrees was des te meer gegrond als men er rekening mee hield dat de Conferentie van Parijs in twee afzonderlijke Commissies doorging. Eén voor de Schelde en één voor de Maas, zodat Vlaanderen en Wallonië er telkens elk afzonderlijk voor stonden in confrontatie met resp. Nederland en Frankrijk. Dat werd dus knokken om te voorkomen dat deze twee landen het op een akkoordje zouden gooien en met elk van ons afzonderlijk korte metten zouden maken.

Over deze bijeenkomsten, die voor de Antwerpse haven zo belangrijk waren, is hoegenaamd niets uitgelekt, zodat men (p.9) zich terecht vragen kan stellen over de redenen van deze geheimdoenerij. Dergelijke duistere procedures zijn in politieke kringen hoegenaamd geen uitzondering. Zij mogen zich dan ook niet verwonderen over het groeiende wantrouwen van de publieke opinie ten hunnen opzichte.

 

Uit veertig jaar nutteloze onderhandelingen kunnen wij volgende lessen trekken.

l° Als gevolg van hun primair nationalisme en hun gebrek aan diplomatieke ervaring -ongeschreven regels van de internationale diplomatie worden nergens onderwezen, maar worden ook nooit ongestraft overtreden – begingen onze beleidsmensen monumentale fouten. Op zijn eentje onderhandelen met doorgewinterde onderhandelaars als Nederland en Frankrijk zal ons ook in de toekomst nog duur te staan komen.

2° Om de echte belangen van Vlaanderen en Wallonië met enige hoop op succes te verdedigen, hadden de onderhandelingen over de waterverdragen moeten worden gehouden in het geheel van de betrekkingen die België onderhoudt met het buitenland.

 

Alleen in het kader van een globaal buitenlands beleid kan men immers hopen om op andere domeinen drukkingmiddelen te vinden of tegenprestaties te bekomen, om zo onze onderhandelingspositie tegenover andere landen te versterken. Maar dit vereist een authentiek federalisme, waarbij de Staat bij uiteenlopende belangen de bevoegdheid heeft om te arbitreren (« Bundesrecht bricht Landesrecht »), om een gemeenschappelijk standpunt te bepalen in functie van het Algemeen Welzijn en om dit solidair te verdedigen tegenover derden. Thans trekt men ten velde met twee « buitenlandse politieken », die dan nog meermaals tegenstrijdig zijn.

Jammer genoeg hebben de Vlaamse en Waalse obsessie om zich op de internationale scène te profileren, de Belgische Staat en het Ministerie van Buitenlandse Zaken verlamd, zodat van een coherent buitenlands beleid ten overstaan van onze grote buurlanden, Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië, geen sprake meer kan zijn.

 

3° Uit heel deze geschiedenis valt nog een laatste, bijzonder onaangenaam besluit te trekken. Nu wij de Belgisch-Nederlandse problemen – die toch bij uitstek behoren tot de interne Benelux-keuken – niet in onderlinge verstandhouding hebben kunnen oplossen (wat aantoont hoe ver wij nog staan van een goede Benelux-samenwerking), zullen  deze problemen… in Parijs (!) worden opgelost, zonder dat België daarbij aanwezig is. Op die manier neemt andermaal de invloed van Frankrijk in onze contreien spectaculair toe, want dit land krijgt een

stevige voet in huis bij alles wat havens, spoorwegen en waterwegen aanbelangt. eens te meer dat het nationalisme de kleine volken het imperialisme van Groten in de hand werkt.

 

In 1975 was hierover door beide partijen een ontwerp van akkoord geparafeerd, maar het werd nooit geratificeerd.

 

2005

Vrouwenconferentie in New York – België stuurt 49 deelnemers voor 8 plaatsen, HLN 26/02/2005