PLAN

0 Inleiding: kenmerken en beknopte geschiedenis van het Belgische volk

1 Verre einders

2 Wetenschappen, techniek, handel

3 Kunst

4 Sport

5 Volkskunde

 

0 INLEIDING

 

 De Belgische identiteit

Belgi√ę ligt op de raaklijn van de Latijnse en Germaanse culturen. Het land is dus van oudsher een draaischijf maar tegelijk ook een gedroomd doorgangsgebied voor invallers allerhande. Eeuwenlang vormt het land het slagveld van Europa en wordt het bezet en zijn bevolking verdrukt. Toch slaagt geen enkele overweldiger de vrijheidszin van zijn bewoners de kop in te drukken. Zij weten tel kens weer hun duur bevochten vrijheid te heroveren. Al in de tijd der Galli√ęrs weerstaan de stammen die hier leven aan de Romeinen. Er is dan nog lang geen sprake van eenheid maar dat belet hen niet hun vel duur te verkopen. Caesar erkent niet zomaar hun uitzonderlijke moed. En velen komen na hem tot dezelfde conclusie. niet zel¬≠den tot hun schade en schande… Na de Mero¬≠vingische periode volgen de Karolingers. Zij krijgen af te rekenen met de invallen van de Vikings die onze rivieren opvaren om te plun¬≠deren en de lokale bevolking te gijzelen. Zij stel¬≠len de bestaande koninklijke en keizerlijke orde meer dan in vraag. Maar de bewoners reageren zelf en bieden weerstand. onder aanvoering van hun krijgsheren. Eeuw na eeuw worden dus invallers verdreven en bezettingen gebroken. Deze weerstand wordt legendarisch. Voor de Vlamingen zijn dat vooral het verzet tegen de Koning van Frankrijk en de daaropvolgende Guldensporenslag in 1302. Met het ontstaan van de”Spaanse Nederlanden”, als gevolg van de schei¬≠ding van de Zeventien Provincies in de 16de eeuw, groeit een Belgische nationale identiteit. De Spaanse heerser moet de provinciale tradi¬≠ties respecteren en de bezetting krijgt een ander karakter. Als de Oostenrijkse autoriteiten dat niet doen, komt er een opstand in 1789¬≠-1790. En ook al tracht het daaropvolgende Franse centralisme dat nationaal gevoel het zwijgen op te leggen en wordt de eenheid met de Noordelijke Nederlanden hersteld. toch krijgt de vrijheidszin weer de bovenhand en zorgt zij voor een onafhankelijke staat in 1830. De Belgisch bevolking trekt deze lijn door in de beide Wereldoorlogen. Zij biedt moedig weer¬≠stand en overtuigt zelfs de grootste twijfelaars dat culturele of taalverschillen de eensgezinde strijd tegen onrecht en willekeur niet in de weg hoeven te staan. Dankzij deze democratische traditie slaagt dit land er in een uniek politiek model te cre√ęren. Belgi√ę wordt een Federale staat, gebaseerd op het compromis en een permanente dialoog binnen de instellingen. Het herbergt trouwens tal van internationale instellingen. mede door zijn centrale ligging in Europa. de inzet van tal van vooraanstaande Belgische personaliteiten met internationale uitstraling en een van oudsher open opstelling naar de wereld toe. Brussel is niet zomaar de hoofdstad van Europa geworden!

 

 0.2 Geschiedenis

De grondlegger van de menselijke paleontologie en de eerste “Belg” !?

De gevonden menselijke resten zijn afkomstig van drie schedels: een homo neanderthalensis (kinderschedel), een man der Moustérien-type (70.000-35.000 v. Chr.) en een uit het Aurignacien-tijdperk (35.000-27.000 v. Chr.). De menselijke paleontologie is geboren.

Op dat ogenblik gelooft men nog dat God wereld en mens geschapen heeft (op zes dagen, 5000 tot 6000 jaar geleden). Daardoor blijft de ontdekking van Schmerling lange tijd ondergewaardeerd.

 

‚ÄúDe Belgen zijn de dappersten‚ÄĚ

In zijn verslagen over de oorlog in Galli√ę, verklaart Caesar, als meest waardevolle informatiebron over de oudste geschiedenis van ons land: “Van aile volkeren zijn de Belgen de dappersten”. Op dat moment reikt Belgisch Galli√ę of Belgica van de Seine tot aan de Rijn. Er wonen volkeren van Keltische en Germaanse oorsprong: Atrebaten, Bellovaken, Eburonen. Morinen, Aduatieken. Trevieren en Remen. Na felle weerstand worden onze kon¬≠treien door Caesar veroverd in 51 v. Chr. Hij verdeelt ze in vier provincies: Germania I, Germania II, Belgica I en Belgica II. De voor¬≠naamste plaatsen op dat ogenblik zijn Turnaccum (Tournai) en Aduatuca (Tongeren). De Romeinen voeren hun politiek systeem in. Legioenen installeren zich in de vier provincies. Commerci√ęle relaties ontstaan en groeien: olie, wijn, toiletartikelen. kunstVoorwerpen komen vanuit Rome naar hier. terwijl gerookte hesp van de Menapi√ęrs. ganzen en stoffen van de Morinen, wolproducten van de Nervi√ęrs naar Rome uitgevoerd worden. De maatschappij blijft hoofdzakelijk agrarisch.

Op 11 juli 1302 is er te Kortrijk een gevecht dat beslissend zal zijn in de geschiedenis van Belgi√ę. Tegenover elkaar staan de Vlaamse troepen, bestaande uit stedelijke milities en boeren, en een schitterend Frans ridderleger onder het bevel van Robert d’Artois, de “lieve¬≠ling” van de Franse koning Filips IV, de Schone. Het gevecht gaat later de geschiedenis in als “de Slag der Gulden Sporen” omwille van de 700 vergulde sporen die, ten teken van overwinning, opgehangen worden in de kerk van Kortrijk. De Vlaamse overwinning is voor vele tijdgenoten, waaronder de Benedictijn Gilles li Muisis, onvoorstelbaar, zowel vanuit militair als politiek oogpunt. De strijd is eigenlijk vooraf hopeloos voor de Vlamingen. Want als gevolg van een langdurig conflict tussen de graaf van Vlaanderen, Gewijde van Dampierre. en zijn leenheer, koning Filips de Schone van Frankrijk, wordt Vlaanderen door de Franse kroon gean¬≠nexeerd. Graaf Gewijde van Dampierre, zijn zonen Robrecht van Bethune en Willem, even¬≠als tal van Vlaamse edelen worden in Franse gevangenissen opgesloten. En de zegevierende vorst maakt begin 1301 met zijn gade, Johanna van Navarra, zijn blijde intrede in het veroverde land.

Ondanks het feit dat velen zich daarbij neerleg¬≠gen, groeit er verbeten tegenstand. Vlaanderen is, in tegenstelling tot de andere Franse provin¬≠cies, sterk verstedelijkt en ge√Įndustrialiseerd. Brede lagen van de bevolking (het”gemeen” van Gent en Brugge. de welvarende vrije boeren van het Brugse) liggen in conflict met de heren en het oligarchisch patriciaat van de steden. Eenmaal zij de banden zien tussen adel, stedelijk patriciaat en koning, gaan zij in het verzet. Vooral in Brugge staan de gemeentelijke milities, aange¬≠voerd door de wever Pieter de Coninck, op tegen de bezetter. Zo ontstaat een verbazing¬≠wekkende coalitie van de aristocratische grafe¬≠lijke familie. boeren en democratische beroeps¬≠lui.

Op 18 mei 1302, bij het krieken van de (vrij)dag, doden zij tientallen Fransen en hun medestanders in wat later de “Brugse Metten” zullen genoemd worden. Deze moordpartij is de gedroomde gelegenheid voor de Fransen om het graafschap te heroveren en er het gezag van de vroegere dynastie te herstellen.

Onder commando van Willem van Gulik stoten de Vlamingen door naar Brugge. Zij maken zich meester van het Brugse Vrije en de kuststreek. De Ieperlingen en een honderdtal Gentse ballingen nemen ook deel aan het gevecht, onder aanvoering van Jan Borluut. Intussen benoemt de Franse koning Robert d’Artois tot bevelheb¬≠ber over het leger dat 8000 manschappen telt, waaronder 2500 tot 3000 ridders en schildkna¬≠pen. Dat leger moet naar Kortrijk om het Franse garnizoen te ontzetten dat belegerd wordt door de Vlamingen. De grote slag tussen de twee legers heeft plaats in de moerasvlakte van Groeningen, buiten de stad Kortrijk.

Dankzij een listige aanpak. aangepaste wapens waaronder de goedendag – het wapen van de stadsmilities, een soort van knots aan het dikke einde voorzien van scherpe punten, waarmee men de vijand “flink begroet” en ridders en schildknapen zowel uit het zadel kan lichten ais doden – maar ook lans en knots, slaagt de Vlaamse infanterie er in de Fransen te overwin¬≠nen.

Na 1302 is het graafschap weer onafhankelijk met een eigen dynastie. ln 1304 beslist Flips de Schone immers dat Vlaanderen weer toebe­hoort aan zijn graaf en dat de gemeentelijke vrijheden behouden blijven. Het patriciaat moet overigens de macht delen met de ambachten en de homines novi oftewel rijken die niet tot de gevestigde families behoren.

 De slag te Groeningen maakt een einde aan een eeuw Franse hegemonie die begonnen is in 1214 in Bouvines dat dan ook deel uitmaakt van Vlaanderen.

Verschillende kronieken brengen verslag uit over deze historische Gulden Sporenslag. Zo wordt in 1838 deze geschiedenis populair dank¬≠zij het boek De Leeuw van Vlaanderen van Hendrik Conscience. De gebeurtenis krijgt geleidelijk aan symboolwaarde voor de Vlaamse Beweging. Plechtige herdenkingen zijn hiervan het gevolg. met de inhuldiging van standbeelden. historische stoeten enz… ln 1973 roept de Vlaamse regering 11 juli uit tot offici√ęle feestdag van de Vlaamse Gemeenschap.

In 1501 zit Filips de Schone het Kapittel van de Orde van het Gulden Vlies voor in Brussel. Hij¬†laat zijn zoon, dan √©√©n jaar oud, toetreden. Filips sterft vijf jaar later. Op zijn vijftien is Karel¬†meerderjarig en wordt hij koning van Spanje en voorzitter van de Orde. Het gaat om een¬†vereniging die in 1430 door Filips III de Goede in Brugge gesticht is. Zij verenigt alleen edelen, geniet de bescherming van de Heilige Maagd en van de apostel Andreas, ook patroon van Bourgondi√ę. Het “Gulden Vlies” staat symbool voor Jeruzalem. De leden van het genootschap willen de christelijke ridderstand laten herleven die de Kruistochten naar de heilige Plaatsen heeft ondernomen. Tijden zijn bewind zijn er drie algemene kapittels: het eerste te Barcelona, het tweede te Utrecht en het derde te Tournai. Tijdens dit laatste vergroot Karel het aantal ridders tot 51. Als meester van de Orde draagt hij een rode mantel uit velours met een vergulde sleep van geborduurde witte zijde. Deze is voorbehouden aan de meester. De wapen¬≠ spreuk van Karel de Stoute siert de mantel: “je l’ay emprins”, oftewel “ik heb het geprobeerd”. Om de abdij van Saint-Martin te Doornik te danken voor het onderdak in 1531, schenkt Karel haar de kostbare mantel die hij draagt tij¬≠dens het derde kapittel. Dom Jean du Quesnes, abt van 1557 tot 1582, laat de mantel omvor¬≠men tot liturgisch habijt, door toevoeging van goudborduurwerk, uitgevoerd door een Brabants atelier. Even vermelden dat ook Lodewijk XIV, tijdens een bezoek aan de abdij in 1671, een kostbaar geheel van liturgische gewa¬≠den in met goud en zilver geborduurde, rode zijde schenkt. In 1555 doet Karel V troonafstand en neemt hij ook ontslag als meester van de Orde. Zijn keizerlijke mantel is sedert 1906 niet meer gedragen. Hij behoort wel tot het Werelderfgoed van UNESCO.

 

De Luikse wapennijverheid

Luxewapens, geweren en jachtkarabij¬≠nen voor de markten van Noord- en Latijns¬≠Amerika. Er zijn ook modellen van karabijnen en geweren uit de Napoleontisch oorlogen bestemd voor regeringen, factorijen en kolonia¬≠le vestigingen evenals voor commerci√ęle zee¬≠vaartmaatschappijen. Zak- en holsterpistolen, persoonlijke verdedigingswapens voor de kolo¬≠nisten in Amerika maar ook voor koopvaardij¬≠schepen.

Op 10 mei 1940 vallen Duitse troepen ons land binnen. Belgi√ę zal vier jaar onder het juk van het Derde Rijk zuchten.Tijdens deze bezetting wij¬≠zen heel wat Belgen onderdanigheid af en gaan in

het verzet. Hun bedoeling is de vij¬≠and te destabiliseren. Zij saboteren spoorwe¬≠gen, sluizen en het elektrische net. De sabota¬≠geacties nemen nog in belangrijke mate toe vanaf midden 1943. Zij gaan hand in hand met geallieerde luchtraids. Enerzijds eisen de Duitsers alsmaar meer mensen op om de scha¬≠de te herstellen, anderzijds wreken ze zich op burgers en doden onschuldige gegijzelden. De Belgisch regering erkent 16 weerstandsgroe¬≠pen. Daaronder ook het Geheime Leger. De inlichtin¬≠gennetwerken vormen een essentieel onder¬≠deel van de weerstand. ln Belgi√ę

zijn het er vier: Tegal, Clarence, Z√©ro en Luc-Marc. Zij observeren systematisch militaire installaties van de nazi’s en brengen aan Londen verslag uit m.b.t. troe¬≠pentransporten, de juiste lokalisatie van mijnen¬≠velden. radar. de resultaten van bombardemen¬≠ten… Sommige weerstanders helpen ook gealli¬≠eerde vliegers of andere gezochte weerstan¬≠ders te ontkomen. Echte netwerken ontstaan. Zo realiseert Com√®te, de organisatie van Andr√©e De Jongh, 800 repatri√ęringen. Ook de illegale pers speelt een belangrijke roi in het verzet. Tijdens de bezetting verschijnen onge¬≠veer 560 bladen. Sommige ervan zijn kwalitatief heel sterk. Maar verzetslui verspreiden daaren¬≠boven ook vlugschriften met antipropaganda.

 

 1 VERRE EINDERS

¬†Hij wordt waarschijnlijk in 1061 te Baisy geboren dicht bij Genappe. Godfried van Bouillon, hertog van Basse-Lorraine, markies van Antwerpen en dan hertog van Bouillon, wordt lange tijd beschouwd als de perfecte christelijke ridder, model kruisvaarder, bezieler, leider en held van de eerste kruistocht. Deze “reputatie” krijgt hij van de kroniekschrij-vers Albert d’Aix en Guibert de Nogent, die biografie en lofdicht door mekaar hebben gehaald. Godfried van Bouillon kennen wij nu a√Įs een moedig man, toegewijd, zeer vroom maar soms weifelend en bloeddorstig. Hij is de zoon van Eustache II, graaf van Boulogne, en kleinzoon langs moederszijde van Godefroid II van Basse-Lorraine die hij opvolgt. Deze edelman dient zijn heer, de Duitse keizer, trouw tegen de Saksen en in Italie. Paus Urbanus II die in het Oost-Romeinse rijk niet kan prediken en monniken van Cluny zetten Godfried tot de kruistocht aan. MetVIaamse, Brabantse.Waalse, Lotharingische en Rijnlandse ridders trekt hij door Zuid-Duitsland in augustus 1096, door Hongarije, de Balkan. Hij heeft wat moeilijkhe-den met de Byzantijnen begin 1097 en komt aan in Anatoli√ę, waar Nicea wordt verslagen in 1097. Twee jaar later, op 15 juli 1099, is Godfried succesrijk bij de inname van Jeruzalem.

Als Raymond de Toulouse zich terugtrekt, wordt Godfried van Bouillon aangewezen op 22 juli 1099 voor het gezag. Hij weigert evenwel de titel van koning en kiest voor “verdediger” van het Heilig Graf. Hij vindt immers dat het Heilig Land toebehoort aan de kerk en dat het een ecclesiastische heerlijkheid is waarvan de kruisvaarders enkel de lekendienaars zijn. In december 1099 wordt de pauselijke afgevaardigde Dambert van Pisa patriarch van Jeruzalem en eist van Godfried de eed a√Įs vazal. Eerstgenoemde ambieert volledige soevereiniteit over Jeruzalem en Jaffa. Godfried sterft op 18 juli 1100 in Jeruzalem. Hij wordt begraven in de kerk van het Heilig Graf. De Franciscanen bewaren ook nu nog zorgvuldig het “legendarische” zwaard van Godfried van Bouillon, evenals sporen en borstkruis. Het wordt in 1854 voor het eerst gefotografeerd door August Salzmann. Meer dan negen eeuwen lang heeft het zwaard nooit Jeruzalem en de Heilig Grafkerk verlaten.

 

Legendarisch zwaard van Godfried van Bouillon

Dit¬† zwaard wordt bewaard¬† in het Mus√©e Ducal van Bouillon. Het is een zeldzaam exemplaar in ijzer dat naar vorm lijkt op modellen van omstreeks de 12de eeuw. De ori-ginele delen ervan en de uitstekende bewaring laten toe de emblematische typologie van de Middeleeuwen te bestuderen. De lichtjes gebogen kling is perfect getekend en bezit twee sne-den en een lange groef op twee derden ervan. De puntkegel geeft aan dat het wapen eerder gebruikt is a√Įs slagwapen dan a√Įs steekwapen. Interessanter is evenwel de knop die doet den-ken aan de vorm die bekend staat a√Įs “Paranoot”. Dat is ook een kenmerk van het kroningszwaard van de koningen van Frankrijk, bijgenaamd “van Karel de Grote” ( I 175-1200), dat bewaard wordt in het Louvre (“Tr√©sor Royal de la Galerie d’Apollon”). Deze platte knop komt ook voor op de zwaarden met rechte kegels van vooral het einde van de 11″ eeuw. Het zwaard is van eenvoudige makelij en zal regelmatig nagebootst worden maar lang niet altijd met hetzelfde resultaat.

Dankzij pelgrims en kruisvaarders is men in de Middeleeuwen in contact gekomen met objecten uit de Islamwereld. De Westerse kennis van de kunst aldaar dateert evenwel pas van het begin van de 20ste eeuw en vooral dankzij opgravingen van wetenschappers. Zo levert het Oost-lraanse Nischapur een rijke archeologische oogst op en kan het verband tussen regio en latere Islamkunst onderzocht worden. Dit object vormt hiervan een mooie illustratie. Vaak gaat het om alledaagse dingen maar de keramiekkunst neemt een hoge vlucht in de Islamwereld. De rijke  bevolkingslagen in deze maatschappij zullen sterk hiertoe bijdragen omdat zij alsmaar op zoek zijn naar dingen die hun dagelijks leven kunnen veraangenamen en hun welzijn kunnen verbeteren. Zij hebben oog voor schoonheid en raffinement, wat niet altijd luxe betekent. Maar zij zijn de echte mecenassen die de pottenbakkerskunst stimuleren. De maatschappij der muzulmannen kent dus vanaf de 10de eeuw een buitengewone levenskunst, iets waarvan de westerse wereld enkele honderden jaren later de vruchten zal plukken, dankzij handelsrelaties.

 

Mercator wordt als Gerhard Kremer geboren  te Rupelmonde op 5 maart 1512.

Hij gaat in 1530 wiskunde en aardrijkskunde studeren aan de Universiteit, onder leiding van de astronoom Frisius, die hem inwijdt in de geheimen van de constructie en weergave van de aardbol. In 1538 publiceert hij zijn eerste wereldkaart, volgens deze van net Heilig Land. Hij vestigt een solide reputatie als cartograaf, aardrijkskundige en astronoom. Hij is overigens ook de uitvinder van de cursieve schrijfwijze in de nieuwe cartografie.

Verdacht van Lutherse sympathie√ęn, belandt hij in de gevangenis en wijkt hij in 1552 uit naar Duisburg en het Rijnland, van waar zijn ouders afkomstig zijn. Hij legt zich vanaf dan toen op een projectie van de aarde en publiceert de 18 bladen, op basis van de door hem ontwikkelde theorie, die eindelijk ten behoeve van de reizigers de omtrekken van de aarde exact beschrij-ven. Hij stapt af van de geldende cartografische voorstellingen, inspireert zich op het oude Griekse model en op reisverslagen en ontdekkingen van zijn tijd. Zo realiseert hij in 1869 deze beroemde “wereldkaart” met cilindrische projectie, een wereldbol die ook nu nog gebruikt wordt. Mercator is bovendien de uitvinder van het woord “atlas”, titel van zijn verzameling kaarten.

 

De baai van New York wordt in 1525 aangedaan door G. da Verrazzano, en nadien door H. Hudson, die de rivier opvaart die nu zijn naam draagt. In 1614 bouwen de Hollanders een fort op het eiland Manhattan. In 1625 stichten zij de hoofdstad van een kolonie, Nieuw Amsterdam. Onder deze stichters zijn er Walen. In 1624 zet immers het schip Nieuw Nederland, onder kapitein Cornelis Jacobz May, koers naar de Nieuwe Wereld. Aan boord zijn een dertigtal protestante families, overwegend Waalse die naar Leiden gevlucht zijn om te ontsnappen aan de godsdienstvervolging. In 1626 koopt Peter Minuit van de indianen het hele eiland voor rekening van de (Hollandse) West-Indische Compagnie. In 1664 maken echter de Engelsen zich meester van de kolonie en noemen haar New York. In 1674 verliezen de Hollanders deze voorgoed. New York wordt een antikolonialistisch en eclectisch centrum en hoofdstad van de VS tot in 1797. De kolonie die mee gesticht is door Belgen evolueert in de 19de eeuw razendsnel tot de stad die wij nu kennen.

Antoine Hennepin wordt in 1626 geboren in Ath. Hij wordt pater Louis bij de Recolleten van B√©thune. Nadat de Engelsen de kolonie Qu√©bec teruggegeven hebben aan de Fransen, gaat hij in 1675 naar Canada. Daar dient hij zich ter beschikking te stellen van Cavelier de la Salle die de Mississippi gaat verkennen om er handel te voeren. Hun tocht begin in Qu√©bec, dan gaat net stroomopwaarts de Saint Laurent richting Ontariomeer. Dan steken zij een vol jaar de grote meren over, passeren de Niagara-watervallen en komen aan in de buurt van het Michiganmeer. Op bevel van de la Salle gaan Pater Louis en twee metgezellen naar de Boven-Mississippi maar worden er gevangen genomen door de Sioux. Enkele maanden later komt hij vrij en gaat hij terug naar Frankrijk (1681). Hij ziet de La Salle niet terug, met wie hij geen al te beste verstandhouding heeft. In 1683 draagt Hennepin zijn Description de la Louisiane… op aan Lodewijk XIV. Het wordt een succes ondanks de ijdelheid en leugens die zijn beschrijvingen ontsieren. Hennepin wordt trouwens uitgewezen. Om zich te wreken op de la Salle publiceert hij in Utrecht een Nouvelle d√©couverte… die hij opdraagt aan de koning van Engeland. Daarin schetst hij een ongeloofwaardig verhaal: de afdaling van de Mississippi tot aan de Golf van Mexico. Zijn rijke verbeelding wordt hem fataal en Hennepin sterft als banneling in een Romeins klooster in net begin van de 18de eeuw.

Als je zijn avonturenboeken en zijn kaarten met de verbeelding van een kind leest, zijn ze onge-twijfeld fascinerend!

Deze handelsonderneming wordt in de¬† Oostenrijkse Nederlanden gesticht bij octrooi van 19 december 1722 van Keizer Karel VI. Zij ¬†krijgt gedurende dertig jaar het monopolie van de handel met Afrika en met Oost- en West-Indi√ę. Het wordt een commercieel succesverhaal en Oostende is de aanlegplaats voor de schepen van de Compagnie. In 1724 varen drie schepen van de Oostendsche Compagnie voor het eerst van Oostende naar het verre Indi√ę en China. Na tal van tegenslagen keren zij niettemin terug met een vracht van kruiden, parfums, porselein, zijde, katoenen stoffen, thee, koffie, allemaal producten die gegeerd zijn in Europa. Oostende wordt vlug de werelddraaischijf hiervan… Een eerbetoon is hier op zijn plaats aan de moedige kapiteins die ondanks stormen en piraten, hun kostbare vracht telkens opnieuw veilig aan de wal krijgen. Jammer genoeg duurt het succ√®s maar even. Engeland, de Verenigde Provincies en later ook Frankrijk stellen de commerci√ęle hegemonie van de Compagnie steeds meer in vraag. Om de lieve vrede en de troon van zijn dochter, Maria Theresia, te vrijwaren wordt Karel VI door de toenmalige koloniale machten in 1727 verplicht het octrooi voor zeven jaren op te schorten. In 1732 wordt het voorgoed ingetrokken. Meteen het einde voor de jonge en veelbelovende Compagnie.

Voor Adrien de Gerlache vormt 16 augustus 1897 een opluchting als hij eindelijk met de “Belgica” kan afvaren uit de haven van Antwerpen richting Antarctica, na drie moeilijke voorbereidingsjaren. Van 2l tot 23 december legt hij aan te Ushua√Įa en dan gaat het richting Lapata√Įa, waar de Argentijnse regering een kolendepot heeft waaruit het Belgische schip mag putten. Op 20 januari 1898 bereikt de Gerlache de antarctische wateren en waagt hij zich in de Hughes-baai (23 januari). Er wordt regelmatig halt gehouden voor wetenschappelijke experimenten (vissen, stalen…). Daardoor komt er ook een serieuze vertraging en de “zomer” is er al vergevorderd. Op 30 januari gaat men voor het eerst van boord. De Ger¬≠lache, Cook, Racovitza en Arctowski gaan met twee spannen en levensmiddelen voor twee weken op pad. Zij vorderen moeilijk. Talrijke spleten dwingen hen tot omwegen en zij kun-nen slechts enkele korte meteorologische ob-servaties verrichten. Hier worden waarnemingen verricht en interessante zoologische en botanische stalen verzameld. Het Koninklijk Museum voor Natuurwetenschappen van Brussel bewaart ook nu nog verschillende monsters en wetenschappelijk analyses hiervan. Tal van vissen die dan nog onbekend zijn, dragen nu namen die met de expeditie te maken hebben, zoals de “Gerlachis Australis”. Ook nieuw ontdekte streken krijgen die: Solvay, Li√®ge, Antwerpen. In februari 1898 beslist de Gerlache door te stoten naar het Zuiden, om zo nieuwe

wateren te ontdekken. Het schip vaart rond het zuidelijkste punt van het eiland “Antwerpen” en baant zich een weg naar de zuidpoolcirkel die overschreden wordt op 13 februari.Tien dagen later komt het aan op het eiland Alexander, laat-ste stop voor het pakijs. Het schip vaart door een aantal engten. Op 28 februari tracht het weer door te steken naar open water maar het raakt vast en tenslotte helemaal ingesloten op 2 maart 1898. Alle pogingen om het ijs te breken, mislukken. Het komt er nu voor de bemanning op aan de overwintering voor te bereiden. De Belgische ontdekkingsreizigers zullen als eersten overwinteren op de Zuidpool. Op 26 maart gaat de verwarming uit. Het risico is re√ęel dat het ijs het schip onherstelbaar zal beschadigen. Het pakijs is twee meter dik.Vanaf 12 januari 1899 herleeft de hoop. De mannen werken dag en nacht onafgebroken door om met zagen, houwelen en springstof een vaargeul vrij te maken van 650 meter. Op 14 maart slaagt het schip er eindelijk in de open wateren weer te bereiken.¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

1957 is uitgeroepen tot Internationaal Geofysisch Jaar en er is nood aan een net van wetenschappelijke bases op de Zuidpool. Gaston de Gerlache treedt in de voetsporen van zijn vader. Adrien, en organiseert een tweede Belgische expeditie die de Basis “Koning Boudewijn” zal oprichten. Men vertrekt op 12 november 1957 uit Antwerpen. Gaston de Gerlache heeft twee Noorse schepen bevracht die mensen en materiaal ter plaatse moeten brengen en hen komen ophalen, de “Polarhav” en de “Polarsirkel”. Met laatste vaartuig heeft het jaar voordien al gediend voor een Noorse expeditie op Antarctica. De lading omvat 440 ton materiaal in 2350 kisten, 850 vaten brandstof, drie rupsvoertuigen, een vliegtuig en een helikopter. Daarnaast varen 17 mensen, voornamelijk wetenschapslui, mee af. ledereen weet wat hem te wachten staat: 15 maanden op de pool, opgesloten in kleine ruimtes, het weinig opbeurend vooruitzicht van een poolwinter. Na enkele moeilijke vaarmaanden houdt het commando stil in het”Land van Koningin Maud” (26 december 1957). Dit deel van het continent wordt voor het eerst in de geschiedenis te voet verkend. Gaston de Gerlache beslist af te laden en begint aan de installatie van de Basis “Koning Boudewijn”.

Enkele dagen later starten de wetenschappelijke experimenten. De bemanningsleden openen de kisten, pakken de werktuigen uit, bakenen de onderzoeksruimten af, monteren de precisie-instrumenten en plaatsen de eerste antennes.

Eén maand later wordt de luchtradioactiviteit, de atmosferische elektriciteit en de zonnestraling (automatisch) gemeten. In andere soortgelijke Antarctische stations neemt de installatie maar liefst zeven maanden in beslag, bij de Belgen kan er al gemeten worden amper acht maanden na aankomst.

De basis verzamelt heel belangrijke wetenschappelijke waarnemingen. Jacques Loodts en de Gerlache doen geen oog toe als het zuiderlicht te zien is. Henri Vandevelde die gespecialiseerd is in ionosfeer en radiocommunicatie, waakt over zijn ionosfeerpeiler om hoogte, dichtheid en wijzigingen van ionosfeerlagen in de atmosfeer te meten. Luc Cabes, een 50jarige ingenieur en gespecialiseerd in geomagne­tisme, bestudeert de magnetische stormen. Edgard Picciotto meet de luchtradioactiviteit en voert een programma uit m.b.t. het poolijs. Tussen 1972 en 1988 neemt een derde generatie de Gerlache de fakkel over. Ook deze gaat naar de pool, in het zuiden en het noorden, en voert o.m. experimenten uit i.v.m. de menselijke weerstand aan temperatuur en extrême levensomstandigheden.

Wist je … dat de eerste Braziliaanse spoorweg van 1857 het werk is van de Belgische majoor Vleminck?

¬†Op 4 november 1997 verlaten Alain Hubert en Dixie Dansercoer de vestiging van¬† de¬† vroegere¬† Basis “Koning Boudewijn” om de zuid-pool over te steken en aan te komen in de Amerikaans wetenschappelijke basis Me Murdo, helemaal aan de andere kant van de pool.Veertig jaar na de Engelsman Vivian Fuchs starten de Belgen aan een nieuwe historische veroveringstocht van het zesde werelddeel. Een traject van maar liefst 4000 km, te voet, per ski en dat allemaal zonder bijkomende proviande-ring. De tocht is wetenschappelijk minutieus voorbereid. De ontdekkingsreizigers besturen grote sleden vol proviand en materiaal, voortbewogen met behulp van reusachtige zeilen. Op 10 februari 1998 omstreeks 23.30 u arriveren zij in Mc Murdo, na een tocht van 99 dagen. Onderweg hebben zij tegenslagen, meevallers, hoop, ontmoediging en enthousiasme gedeeld. Het is een menselijk exploot maar evenzeer een belangrijke wetenschappelijke bijdrage. Alain Hubert en Dixie Dansercoer hebben ni. hun opdracht zorgvuldig uitgevoerd: de studie van de fysieke eigenschappen van de oppervlaktesneeuw. Daartoe hebben zij putten in de ijskorst gegraven, macro-opnamen gemaakt van¬†sneeuwkorrels, sneeuwmonsters genomen en in bevroren toestand naar Frankrijk meegenomen.

Samen met klimatoloog Andr√© Berger en ijskundige Hugo Decleir heeft Alain Hubert intussen “Polaris” opgericht, een internationale stichting voor de pool. De stichting wil het grote publiek wijzen op het belang van het poolonderzoek, educatieve activiteiten ontwikkelen en informatie en aanbevelingen geven om de oorzaken van de klimaatsverandering aan te pakken en om zich hieraan aan te passen.

Wist je … dat de Belgische jezu√Įetenpater Ferdinand Verbiest, als missionaris in China, net observatorium van Peking opricht en meer dan 400 kanonnen laat maken voor keizer Kang-Hi, wiens secretaris hij is?

¬†Jean Capart die in 1877 te Brussel geboren wordt, wijdt heel zijn leven aan de archeologie en de studie van de Egyptische kunst. Hij schrijft uitzonderlijk veel boeken. Als ori√ęntalist wordt hij in 1900 benoemd tot conservator van de Egyptische afdeling van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. In 1925 wordt hij hoofdconservator van dit museum en hij slaagt er op enkele jaren tijd in er een van de meest representatieve verzamelingen van Europa te vestigen. In 1923, ter gelegenheid van een bezoek aan Egypte samen met Koningin Elisabeth, stelt Capart voor in Belgi√ę een instituut op te richten om het Egyptologisch onderzoek te promoten.Op 18 februari betreedt de koningin het graf van Toetanchamon en vraagt zij aan de Belgische en Egyptische personaliteiten die haar vergezellen, een fonds op te richten. Dit zou jaarlijks voldoende inkomsten moeten genereren om de Egyptologische bibliotheek van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te vervolledigen. Dankzij de gulheid van de Belgen in Egypte en de steun van koningin Elisabeth slaagt Jean Capart er in de Fondation Egyptologique Reine Elisabeth te stichten. Het Fonds bezit een der mooiste bibliotheken in de wereld, een bewonderenswaardige foto-en diacollectie. Het neemt deel aan de Belgische opgravingen in de Nijlvallei. Bovendien kent net reissubsidies toe, organiseert het conferenties en tentoonstellingen en geeft Chronique d’Egypte uit, evenals tal van wetenschappelijke werken. Jean Capart legt nog de basis voor de opgravin¬≠gen te Elkab, die heel wat jaren zullen in beslag nemen, en sterft te Brussel in 1947.

Pater Pire wordt op 10 februari 1910 te Dinant geboren en sterf op 30 januari 1969 te Leuven.¬†¬† Als Dominicaner¬†¬†¬† heeft¬†¬†¬† hij¬†¬†¬† steeds gepoogd armoede en ellende te verlichten. Hij wil “de stem zijn van hen die geen stem hebben”. In september 1928 treedt hij binnen in het klooster te Sarte (Huy). Hij wordt priester gewijd in Rome, alvorens een doctoraat theologie te behalen. In 1938 richt hij in Huy een dienst familiehulp (“Service d’Entraide Familiale”) op om families in nood bij te staan. In 1949 komt hij in aanraking met de ellende van de vluchtelingen uit Oost-Europa. Hij sticht een organisatie die vluchtelingen moet helpen (“Aide aux Personnes D√©plac√©s”) en er komen 18000 “peterschappen”, 4 homes voor oudere vluchtelingen en 7 “Europese Dorpen”. Nadat hij de Nobelprijs voor de vrede gekregen heeft, sticht hij in I960 te Huy “l’Universit√© de la Paix”, waar jongeren uit de hele wereld de broederlijke dialoog kunnen komen leren. In 1961 ziet hij in Pakistan de onderontwikkeling en start hij met het programma “Vredeseilanden”, waarvan het eerste in 1962 in Bangladesh. Zijn verwezenlijkingen zijn blijven voortleven. Zijn onthaalhuizen pogen jongeren maatschappelijk weer te integreren. Zijn hulp aan ontheemden richt zich nu tot asielzoekers. Zijn ontwikkelingsactie ondersteunt educatieve projecten in de ontwikkelingslanden en zijn “Vredeseilanden” nemen nog uitbreiding. De “Universit√© de la Paix” is intussen uitgegroeid tot een reflectiecentrum en een vormingsinstel-ling voor de positieve benadering van conflicten.

Henri La Fontaine is jurist van opleiding en verdediger bij uitstek van vrede en rechten van de mens. Hij wordt in Brussel geboren op 22 april 1854. Na zijn rechtenstudie aan de Universiteit van Brussel wordt hij advocaat bij het Hof van Beroep in dezelfde stad. Als lid van de Belgische Werkliedenpartij wordt hij senator in 1895. Hij is tevens gemeenteraadslid te Brussel (1904-1908) en vice-voorzitter van de Senaat (1930-1936). Hij doceert internationaal recht aan de Universiteit te Brussel en aan het Institut des Hautes Etudes van Parijs. Onder invloed van de theorie√ęn van de Engels pacifist Hodgson Pratt, sticht hij in 1889 de Soci√©t√© Belge pour l’Arbitrage et la Paix en wordt secretaris-generaal. Zijn engagement vertaalt zich ook door a√Įs medeoprichter te fungeren van het Bureau International de la Paix (Bern -1891), waarvan hij later voorzitter wordt. Met zijn zuster sticht hij in 1892 de Ligue Belge du Droit des Femmes.

Zijn inzet voor een vreedzame regeling van geschillen levert hem in 1913 de Nobelprijs voor de vrede op.

Na de oorlog blijft hij voorzitter van het Bureau International de la Paix en van de Association Belge pour la Société des Nations. Hij legt zich nadien meer toe op de verdediging van de mensenrechten en sterft op 14 mei 1943.

Jozef de Veuster, de latere Pater Damiaan, wordt geboren in 1840 en groeit op in een¬†¬† kroostrijk gezin. De familiesfeer met sterke evangelische waarden zal hem diep tekenen. Drie elementen spelen een belangrijke roi in zijn spiritueel leven: vertrouwen in de Voorzienigheid, de constante zorg om op aarde de hemelse zaligheid te verdienen en zijn grote devotie voor de Maagd Maria. Op 18 jaar beslist Jozef zijn leven aan God te wijden. Hij vervoegt de Congregatie van het Heilig Hart en voelt zich aangetrokken t√īt het missionarisschap. Hij gaat naar Parijs. Op 19 maart 1864 ontscheept hij in Honolulu en wordt op 2l mei priester. “Pater Damiaan” deelt vanaf dan het leven van de Hawa√Įanen. Het is een heel zware missie en hij lijdt vaak onder het isolement, waardoor hij noch kan biechten, noch rekenen op menselijke of spirituele steun. Hij bezoekt zieken en ster-venden, onderwijst de catechismus, bouwt ker-ken en kapellen… In 1866 besluit de overheid 600 tot 1000 lepralijders naar het naburige eiland Molokai te deporteren, dit om de ziekte tegen te houden. Op 10 mei 1873 vertrekt ook Damiaan naar dat eiland. Ook hier deelt hij alles met de lepralijders, wier lichaam en ziel hij tracnt te redden. Ook hij raakt natuurlijk aangetast maar dat zet hem ertoe aan zich nog meer in te zetten om anderen te helpen en om de almachtige God te dienen. Hij sterft op 15 april 1889 in volslagen armoede. Zijn lichaam wordt naar Leuven teruggebracht in 1936. Hij wordt op 4 juni 1995 door Paus Johannes Paulus II zalig verklaard.

¬†Zuster Emmanuelle zal ons steeds verbazen door haar ‚Äúvitalit√©!‚ÄĚ, haar ruimhartigheid, openheid, humor, verdraagzaamheid en levenslust.

Wij zijn er trots op dat zij een Belgische is! Naar eigen zeggen is zij overigens “Belgisch- Zwitserse”.., Zij koestert een onwankelbaar vertrouwen in de mens, wat haar toelaat alle¬† tegenslagen te overwinnen. Ook zij heeft ellende, honger, dood en lijden om haar heen gezien maar zij is nooit ontmoedigd geraakt en is altijd blijven geloven in het leven. In 1932 gaat zij voor 28 jaar naar Istanboel. Tussen 1959 en 1964 vertrekt zij naar Tunesi√ę om de gewonden te verzorgen die vallen in de Algerijnse oorlog. Zij ontdekt in 1965 Egypte en raakt onder de indruk. Zes jaar later beslist ze te gaan wonen bij de voddenrapers van Ca√Įro in de achterbuurtAzber-el-Nakhi.ln 1982 verhuist zij naar “Mokattam”, een andere achterbuurt. Deze kleine dame met blauwe ogen en getaan-de huid, is tegelijk discreet en sterk en weet zich perfect te integreren in een Islamitisch land. Zij is ook uniek want na vijf jaar inzet voor de armen van Ca√Įro krijgt zij dankzij de echtge-note van pr√©sident Moebarak de Egyptische nationaliteit. Samen met mijn vrienden van de achterbuurten heb ik de wore weugde leren ken-nen, ver van de vluchtige materialistische genoegens, zegt zij.

Tal van Belgen hebben stof doen opwaaien in verre landen. Dat geldt o.m. voor Peter Minuit in Noord-Amerika, als derde gouverneur van Nieuw-Nederland in Nieuw-Amsterdam (NewYork) of voor Louis Hennepin, die de La Salle ontmoet en de Mississippi verkent. In Amerika is ook Pater Damiaan bekend, de missionaris van de lepralijders. En als je wat dieper graaft in de geschiedenis van de Verenigde Staten stoot je ook op minder bekende landgenoten, zoals Victor-Eug√®ne-Auguste Janssens die een rol speelt in California of een zekere Hardcoop die omkomt in de karavaan van Donner in Nevada. Maar in de Amerikaanse geschiedenis speelt zeker missionaris Pieter-Jan De Smet een vooraanstaande roi. “Peter-John” mag zich ook nu nog in bekendheid over de plas verheugen.Als jongeman trekt hij in 1821 naar Amerika en wordt hij een pionier als missionaris bij de indianen van het Rotsgebergte. Tot aan zijn dood in 1873 komt hij meermaals tussen in de betrekkingen rege-ring-indianen. Hij staat overigens goed aangeschreven bij katholieken en protestanten. Maar De Smet neemt vooral de verdediging op zich van de autochtone bevolking van Noord-Amerika. Hij is een graag geziene gast bij alle stammen die hem a√Įs een medestander beschouwen.

De Smet heeft de verovering van het westen meegemaakt. Deze eenvoudige jongen uit Dendermonde is de eerste Europeaan die in tal van streken komt in het noord-westen van de

  1. Hij maakt kaarten van deze onbekende gebieden. Hij komt er nooit als ontdekker of veroveraar maar a√Įs missionaris om de indianen te bekeren en vooral als mens die zich net lot aantrekt van de bedreigde autochtone bevolking. Hij ontmoet zodoende tal van legendari-sche figuren. Hij praat met Lincoln, reist met de pelsjager Thomas Fitzpatrick en slaapt in de tipi van de gevreesde Sitting Bull. Hij krijgt trouwens van hem tal van cadeaus, waaronder indi-aanse kleren.

 

Leopold wenst al langer dat Belgi√ę een kolonie zou hebben. In 1860, als hij nog Hertog van Brabant is, biedt hij Fr√®re-Orban een steen uit Athene aan, met daarop de befaamde woorden: Il faut √† la Belgique une colonie. Het bezit van een kolonie wordt immers gezien a√Įs een politieke, militaire en economische versterking van net moederland. De Europese staten zitten dan in een wedloop naar nieuwe gebieden buiten net continent. Leopold II wil vooral Belgi√ę verrijken. Maar heel snel denkt hij aan een politieke entiteit. En Stanley stelt hem in staat zijn expansionistische visie te realiseren. Hij verbindt Banana en Stanley Pool waar Leopoldstad wordt gesticht. Tussen 1882 en 1883 komen er communicatielijnen tussen Stanley Pool en Stanley Falls. Tal van verdragen worden gesloten met inheemse chefs om de soevereiniteit over te nemen. Het Belgisch koloniaal systeem berust op drie peilers: de koloniale administratie, de katholieke missies en de grote koloniale bedrijven. Op het terrein is de koloniale bestuurder zowel politierechter, belastingsontvanger a√Įs gezondheidsdeskundige. Tegelijk is hij verantwoordelijk voor de uitvoering van de verplichte teelten, het onderhoud van het wegennet… Het onderwijs is zaak van de missies. De nadruk ligt op lager onderwijs voor allen vooraleer gedacht wordt aan middelbaar en universitair onderwijs. De economische ontwikkeling van de kolonie berust volledig op de grote ondernemingen. Twee derden van de export zijn mijnproducten (koper, diamant, goud) en √©√©n derde landbouwproducten (olie, katoen).

Hij is ingenieur, gespecialiseerd in diverse domeinen. Hij legt tal van spoorwegen aan over de hele wereld. Op 23-jarige leeftijd is hij al chef-ingenieur van de Buurtspoorwegen in de provincie Luxemburg. Vanaf 1894 staat hij aan het hoofd van de aanleg van een elektriciteitscentrale in Egypte, van de aan¬≠leg van een tramlijnennet in Ca√Įro en van de spoorwegen in Beneden-Egypte.Tussen 1898 en 1906 legt hij de spoorweg aan tussen Hankow en Peking (200 km). Dan komt hij aan het hoofd van de industrieafdeling van de Soci√©t√© G√©n√©rale. Snel worden de “Union Mini√®re”, de “Compagnie du chemin de fer du Bas-Congo” (spoorwegmaatschappij) en de “Soci√©t√© interna¬≠tionale foresti√®re et mini√®re” (mijn en bosbouw) gesticht. Jean Jadot realiseert dan de spoorweg van Beneden-Congo in Katanga. Het blijft evenwel niet bij spoorwegen. Hij richt ook hospitalen op, woonwijken, medische diensten en scholen voor de autochtone bevolking. In 1912 wordt hij eerste vice-gouverneur en later gouverneur van de Soci√©t√© G√©n√©rale. De agglomeratie Likasi-Panda heet Jadotville. Hij is doctor honoris causa van de Universiteiten van Leuven en Brussel. Tijdens zijn leven en zijn werk heeft hij steeds oog voor het welzijn en de vooruitgang van de inheemse bevolking.

Persoonlijk belang moet wijken voor wat hij omschrijft als “de hoogste zaak van het belang en de toekomst van de gemeenschap”.

Wist je…dat de Belgen in de laatste decennia van de 20ste eeuw metro’s bouwden in Manilla, Singaporen, Tunis…?

 

De eerste Belgische astronaut

Op 24 maart 1992 vertrekt de eerste Belgische astronout, Dirk Frimout, aan¬† boord¬† van¬†¬† de Amerikaanse ruimteshuttle “Atlantis”, met een zevenkoppige bemanning. Belgi√ę juicht en Dirk Frimout wordt meteen een nationale held.

Hij wordt als zoon van een piloot geboren op 2l maart 1941 te Poperingen. Hij is gehuwd met Laurence De Nijs en vader van 2 kinderen. Missie STS-45 “Atlantis” moet een reeks van wetenschappelijke experimenten uitvoeren in het kader van het ATLAS-programma (“Atmospheric Laboratory for Applications and Science”). Bestudeerd wordt de dampkring rond de aarde, meer bepaald de wisselwerking tussen zon en aarde.

Er wordt zuinig omgesprongen met √©nergie, zodat de missie 24 uren langer kan duren. Atlantis landt op 2 april 1992 in Florida, na een reis van 8 dagen, 22 uren en 10 minuten. Na zijn vlucht richt Dirk Frimout de “Euro Space Foundation” op om in Belgi√ę de belang-stelling voor de ruimte te stimuleren. Daaruit groeien ook de bekende “Ruimteklassen” in het “Euro Space Center” van Transinne (provincie Luxemburg).

 

Een Belg aan boord van het Internationaal Ruimtestation

De tweede Belgische astronaut, Frank  De Winne, gaat op  30 oktober 2002 de ruimte in met de    experimentele Russische Sojoezcapsule TMA I.

Hij is kolonel van de Luchtmacht en behoort t√īt het korps van Europese astronau-ten. Hij is in 1991 overigens al door ons land geselecteerd, samen met 4 andere kandidaten. Twee dagen na zijn vertrek van de “cosmodroom” van¬† Baikonoer komt hij aan in net Internationaal Ruimtestation (ISS) en start er een omvangrijk wetenschappelijk programma dat door Belgische wetenschappers is ontworpen.

Zijn missie wordt immers volledig gefinancierd door de Wetenschapsbeleid.

Frank De Winne zorgt trouwens voor enkele primeurs¬†¬† tijdens¬†¬† deze “Odissea”-missie. Zo¬†bezoekt hij als eerste landgenoot net ruimtestation, werkt hij¬† als eerste¬† zowel in het Amerikaanse a√Įs het Russische deel ervan en is hij de eerste Europese vluchtingenieur in het¬†nieuwe Sojoez-ruimteschip.

Hij keert terug op aarde op 10 november 2002 in de steppen van Kazakhstan.

 

Belgen doen simulaties voor de landing op Mars

De Amerikaanse “Mars Society” installeert twee ruimtemodules om de idee van een toekomstige¬† bemande Marsvlucht te promo-ten. Dat gebeurt in uithoeken van de wereld, ni. op het eiland Devon (Noord-Canada),met het”Flashline Mars Artic Research Station” (FMARS) en in de Utah-woestijn (VS), met het “Mars Desert Research Station” (MDRS). Daar oefenen zeskoppige bemannin-gen om de grote reis voor te bereiden en voe-ren zij wetenschappelijke experimenten uit in een “natuurgetrouwe” Marsomgeving. Excursies gebeuren in ruimtepak en het leven aan boord verloopt zoals bij een echte missie. Drie Belgen zijn tot nog toe geselecteerd voor deze experimenten: Dr. Vladimir PLETSER, Pierre-Emmanuel PAULIS en Edwin LOOSVELDT .

 

 1       WETENSCHAPPEN, TECHNIEK, HANDEL

1.1  SPRAAKKUNST

¬†Dankzij de Bon Usage, waarvan de eerste druk verschijnt in 1936, wordt Grevisse de beroemdste grammaticus van het Frans. Andr√© Gide zingt zelfs zijn lof in “La revue Litt√©raire” van februari 1947. Zijn boek is in eerste instantie bestemd voor de leerlingen die hij correct Frans wil leren, zonder te vervallen in Iaksheid of puritanisme. Het bevat duizenden voorbeelden gebaseerd op gezaghebbende filo-logen en auteurs uit de hele Francofone wereld. Andere lingu√Įsten, zoals Andr√© Goosse, die het werk van Grevisse voortzet, en Joseph Hanse, die in 1949 zijn eerste Dictionnaire des difficult√©s grammaticales et lexicologues publiceert, krijgen eveneens internationale erkenning. Maar vergeten wij evenmin de Vlaming Johan Hendrik van Dale, geboren te Sluis, die in de 19de eeuw zijn naam schenkt aan de “Dikke Van Dale”. Het is het belangrijkste Nederlandse woordenboek, de taal die Jacob van Maerlant al hanteert in de 13de eeuw. Vanzelfsprekend kent ons land zijn taaleigen(aardigheden) maar is het niet juist dankzij regionalismen, archa√Įsmen en Belgicismen dat de gedichten van Guido Gezelle. de romans van Arthur Masson, de Legende van Tijl Uilenspiegel van Charles De Coster of… Le Mariage de Mademoiselle Beulemans zoveel succes hebben gekend.

 

1.2 TECHNIEK & WETENSCHAPPEN

 

¬†Hij wordt in 1822 geboren in Mussy-la-Ville, dichtbij Virton. Op zijn 16 is hij in Parijs, waar hij als ober en later als arbeider in een emailleerfabriek aan de kost komt maar waar hij ook avondles volgt. In 1847 vindt hij een pro¬≠c√©d√© uit voor de vervaardiging van wit email, later verbetert hij de elektrolysemethode voor metaalbekledingen, de “galvanoplastie”. Eenmaal ingenieur, laat hij diverse uitvindingen brevetteren: elektrische remmen voor spoorwagens, een mechanische kneedmachine en spoorwegsignalisatie.

Zijn groots project om een motor met interne verbranding te maken, wordt afgerond in 1860, met het vastleggen van alle kennis ter zake. Hij vraagt een brevet voor een “motor op uitgezette gas en lucht”, eigenlijk het basisprincipe van de tweetakt ontploffingsmotor. De bestellingen stromen toe.

De gasmotor van Lenoir doet eerst dienst in de kleine industrie maar zorgt later voor een revoutionaire doorbraak. Zo vaart in 1861 het eerste motorschip op de Seine. In 1863 legt de eerste automobiel Lenoir, met gasmotor, de afstand Paris-Joinville (18 km) af in 3 uur. Later laat de uitvinder nog de procédés brevetteren voor het vertinnen van glas, het looien van glas en het telegraferen van tekst. Hij wordt Fransman en sterft in 1900 in La Varenne Saint Hilaire.

De piloot Camille Jenatzy, geboren te Schaarbeek in¬† 1868, is de eerste die met een voertuig de kaap van de 100 km per u doorbreekt. Het doet dat met “La Jamais Contente”, een elektrisch vehikel van eigen fabrikaat. Wij schrijven 30 april 1899, als hij te Arch√®res op de rechte lijn van het park (aangelegd door de stadsarchitect van Parijs) het record van graaf Gaston de Chasseloup-Laubat (92,3 km) van de tabellen veegt. Jenatzy haalt een snelheid van 105,88 km per u in de elektrische torp√©do, getekend door Mheins en Ausher. Het tuig lijkt op een obus die hoog op kleine wielen staat. Deze “Jamais Contente” is vervaardigd uit partinium, een legering van aluminium, wolfram en gewalst magn√©sium. Het ch√Ęssis komt van “La Compagnie des transports automobiles Camille Jenatzy”, het koetswerk van Rothschild en de twee elektrische motoren van Poslet-Vinay, gevoed door Fulmen accumulatoren. De ideale uitrusting voor snelheidswedstrijden, waarin¬†Jenatzy ook tal van prijzen wegkaapt. Hij wint niet alleen in een Mercedes de Beker Gordon-Bennett (1903), hij blinkt evenzeer uit in de uithoudingswedstrijden op de hoogten van Spa. De “rode duivel” is dus een piloot met wereldfaam die, jammer genoeg, omkomt in een jachtongeval in 1913.

Wist je … dat Belgi√ę de leverancier is van het uranium voor de atoombom op Hiroshima?

Z√©nobe Gramme wordt in Jehay-Bodegn√©e geboren in 1826.¬† Hij wordt een autodidactfysicus. Al in zijn jeugd trekt de schrijnwerkerij hem aan. Hij volgt les aan een kleine industri√ęle school en wordt artisanaal schrijnwerker. Hij vestigt zich in 1856 in Parijs als meubel- en modelmaker bij “l’Alliance”, gespecialiseerd in elektrische apparaten.

In 1876 vraagt hij een brevet aan voor diverse apparaten om machines op wisselstroom te verbeteren. In 1868 maakt hij de eerste dynamo voor gelijkstroom, het vertrekpunt voor de moderne elektrische nijverheid. In 1870 vraagt hij een brevet aan voor de theorie van de “magnetisch-elektrische machine die gelijkstroom produceert”.

De concretisering van zijn uitvinding gebeurt door de Société des machines magnéto-électri­ques Gramme die hij, samen met zijn vriend Hyppolite Fontaine, opricht in 1871. Het eerste model wordt voorgesteld aan de Académie voor Wetenschap.

Tijdens de tentoonstelling van het elektrisch licht in 1881 te Parijs staat Grammes machines in het middelpunt van de belangstelling. Deze voor de verdere aanwending van elektriciteit beslissende uitvinding bezorgt hem mondiale bekendheid.

In 1888 krijgt hij van de Académie deVolta-prijs van 50.000 frank, ingesteld door Louis-Napoléon en voorheen al overhandigd aan Ruhmkorff en Graham Bell. Hij wordt officier van het Erelegioen nog voor zijn dood in 1901 te Bois Colombes, dichtbij Parijs.

Wist je .. dat de “vertragingen” bij de uitzendingen van de voorbije wereldbeker voetbal van Belgische makelij zijn?

Dit naslagwerk verschijnt in 1555 bij de Antwerpse drukker Plantin Moretus en is gewijd aan¬†¬† de wetenschappelijke bevindingen van Andreas Vesalius, geboren op 30 september in Brussel als zoon van de hofapotheker. Na een humanistische opleiding te Leuven, ontvangt hij vanaf zijn 18 Galenus-onderricht in Parijs. Alsmaar meer stelt hij de verdraaiingen vast a√Įs hij de anatomie van de dieren, die hij nauwkeurig bestudeerd heeft, vergelijkt met die van de mens. Hij onderzoekt immers zelf lijken. Hij verkrijgt de titel van Dokter en docent chi¬≠rurgie aan de universiteit van Padua, waar hij een eerste anatomie uitvoert op 5 december 1537. Hij verfijnt nog zijn kennis in Bologna, waar methodisch onderzoek van het menselijk lichaam hem toelaat de vergissingen van het traditionele onderricht recht te zetten. Hij geniet nu van een √©norme faam en realiseert in enkele jaren het beroemde basiswerk: “De Humani Corporis Fabrica“, voor het eerst gepubliceerd in Basel¬†(1543). Hij wordt daardoor ook de lijfarts van Keizer Karel V.

Tijdens de stormachtige inquisitie wordt hij om zijn theorie√ęn verketterd en ontsnapt hij slechts op het nippertje aan de dood. Hij wordt even-wel veroordeeld tot een boetetocht naar het

Heilige Land, waarbij zijn schip op het Griekse eiland Zacynthus vaart. Vesalius sterft er in nooit opgehelderde omstandigheden en wordt er begraven.

 

Belgi√ę als tweede economische mogendheid in de 19de eeuw

Het boek La Belgique industrielle vormt een indrukwekkende getuigenis van de revolutie in ons land in het begin van de 19de eeuw. Tal van lithografie√ęn in dit boek tonen de verschillende industri√ęle centra die na de onafhankelijkheid gegroeid zijn. In 1830 kent Belgi√ę moeilijke economische tijden. Nochtans zijn er de eerste tekenen van economische activiteit en van ondernemingslust.Tussen 1833 en 1848 groeit de juridische vorm van naamloze vennootschappen als beheersvorm van het kapitaal. Tussen 1833 en 1838 zijn het er al 151..Vooral in het noorden voelen de inwoners van Belgi√ę zich nog sterk verwant met Nederland want dat biedt hen een venster op de wereld. In 1835 wordt de eerste spoorweg tussen Brussel en Antwerpen ingehuldigd, een heel belangrijk feit. Daardoor komen er doorvoermogelijkheden. Het nieuwe vervoermiddel komt er ook dankzij verschillende sectoren: kolen, metaal en staal. Tal van lijnen worden gelegd. De banksector kent eveneens een sterke expansie. De Generale Maatschappij en de kortstondige Bank van Belgi√ę bruisen van activiteit. In 1847-1848 slaat echter de crisis toe en wel om diverse redenen. Zo produceren de Engelsen lijnwaadproducten aan zeer lage prijzen en de Belgische industrie kan daarmee niet concurreren. En dan is er de aardappelcrisis, omwille van het weer en ziekte, waardoor er honger is. Daardoor ontvluchten steeds meer mensen het platteland. De nijverheid heeft dus steeds meer mankracht. De volgende jaren loopt deze crisis uit op een overwinning van het liberalisme.

 

De celtheorie wordt in Belgi√ę geboren

De spierbalans die Theodor Schwan gebruikt bij zijn studie van de kracht en de samentrekking van spieren, vormt slechts een heel klein deel van het werk van deze eminente anatoom-fysioloog. Hij wordt geboren in het Duitse Neuss am Rhein in 1810. Hij studeert natuurkunde en geneeskunde aan de Universiteit van Bonn en die van Berlijn, waar hij zijn doctoraat behaalt in

  1. Hij wordt in 1839 professer anatomie aan de Leuvense Universiteit en is nadien verbonden aan de Universiteit van Luik tot aan zijn dood in 1848.

Schwann houdt zich met verschillende domeinen bezig. Zo bestudeert hij het functioneren van de spier, ontdekt pepsine, buigt hij zich over het verschijnsel van de alcoholische gisting en reiniging en schenkt hij zijn naam aan het omhulsel van de zenuwcellen. Hij vindt ook een ademhalingstoestel uit voor mijnwerkers, dat bestaat uit een zuurstoffles en een absorptietrommel met bevochtigde kalk.

Niettemin is de microscopische observatie van de cel het belangrijkst in zijn carrière. Hij is de eerste die een verband ziet tussen plantaardige en dierlijke cellen en die vaststeit dat alle leven-de wezens opgebouwd zijn vanuit een zelfde basis. Schwann overlijdt in 1882 in Keulen.

 

Jan-Servaas Stas

Hij wordt in Leuven geboren op 2l augustus 1813 en behaalt er het diploma van doctor in de ¬†geneeskunde. Hij zal evenwel nooit een praktijk uitoefenen omdat hij zich meteen met scheikunde gaat bezighouden. Hij vertrekt in 1837 naar Parijs waar hij aangenomen wordt door het laboratorium J.B.A. Dumas. Samen herdefini√ęren Dumas en Stas het atomisch gewicht van koolstof en komen aan een bijna exact veelvoud van het atomisch gewicht van waterstof. Voor hen betekent dat de bevestiging van de stelling van Prout (1815) dat alle atomen opgebouwd zijn uit een primitief element, nl. waterstof. In 1840 wordt Stas scheikundedocent aan de Koninklijke Militaire School te Brussel. Hij maakt thuis een laborato¬≠rium waar zijn metingen op verschillende elementen hem ertoe aanzetten de theorie van Prout te verwerpen.Toch blijft hij geloven in een soort eenheid van de stof. Na de vergiftiging met nicotine van Graaf Hippolyte Visart de Bocarm√© in 1850, stelt Stas tevens een detectiemethode op punt van plantaardige alkalo√Į-den, nadien aangepast door F.J. Otto en goed bekend als de Stas-Otto methode. Hij blijft aan de Militaire School tot in 1865 a√Įs hij zich gedwongen ziet op te stappen, omwille van een aandoening van de larynx die hem het spreken bemoeilijkt. Hij is nadien verantwoordelijke voor de Munt van 1865 tot 1872 en lid van het Internationaal Comit√© voor Maten en Gewichten (1877-1879). Hij blijft in Brussel wonen waar hij op 3 december 1891 overlijdt.

Wist je … dat er in dit land maar liefst 1130 bedrijven zijn geweest die motoren hebben geproduceerd? ‘

 

De fenakistiscoop is een van de voorlopers van de cinema. Het apparaat bestaat ut een eenvoudige schijf met spleten waardoor de verschillende etappes van een beweging worden ontleed. Om de beweging te herstellen moet de kijker zich opstellen tegenover een spiegel, met zijn ogen op het niveau van de sple­ten. Door het karton te draaien laten de sple­ten slechts een heel kort moment het beeld zien. Daardoor ontstaat de indruk van een beweging.

De uitvinder hiervan, Joseph-Antoine-Ferdinand Plateau wordt op 14 oktober 1801 te Brussel geboren. Op hetAtheneum van Brussel krijgt hij o.a. les van de beroemde mathematicus Adolphe Quetelet, met wie hij in nauw contact zal blijven.

In zijn favoriet domein, de optica, doet hij tal van experimenten op de fysiologie van het gezicht. Hij poneert als eerste de theorie van de bestendigheid van het netvlies (1829), waarna hij de fenakisticoop uitvindt. Zij toewijding aan de wetenschap en zijn verregaande experimen¬≠ten bezorgen hem ook de”ultieme” ervaring: hij verbrandt zijn netvlies als hij in 1928 naar de middagzon zit te kijken. Hij wordt 14 jaar later overigens volledig blind.

Met de hulp van zijn medewerkers zet Plateau evenwel zijn research verder, o.a. met betrekking tot de verschijnselen van capillariteit. Hij overlijdt op 15 september 1883.

¬†De grote kanunnik Georges Lema√ģtre, geboren in Charleroi in juli 1894.¬† In 1920 behaalt deze merkwaardige geleerde er zijn doctoraat fysica en wiskunde. Na studies aan het seminarie van Mechelen, wordt hij priester in 1923. Hij studeert verder te Cambridge en voigt stage aan het Harvard Observatorium in de VS, onder de leiding van niemand minder dan Albert Einstein. Lema√ģtre wordt, als bekend astrofysicus, vervolgens pro¬≠fesser aan de Universiteit van Leuven (1927). Daar publiceert hij zijn geruchtmakende theo¬≠rie van een expanderend universum sinds de oerknal (de “big bang”). Een heel gewaagde the¬≠orie die evenwel snel door de Amerikaanse astronoom Hubbles zal bevestigd worden, een-maal deze de melkwegen met reusachtige tele-scopen bestudeerd heeft. Later zet de Amerikaanse satelliet Cobe in 1990 de al in 1931 geformuleerde theorie rond de vorming van het heelal, nog meer kracht bij. Lema√ģtre wordt voorzitter van de Pauselijke Academie in 1960 en blijft dat tot aan zijn dood in 1966. Hij maakt ook deel uit van meerdere universiteiten en academies in het buitenland. Om zijn theorie√ęn te ondersteunen maakt Lema√ģtre gebruik van een indrukwekkend informaticamodel dat de hedendaagse voorstanders van compactheid doet glimlachen. Dat belet de kanunnik evenwel niet een essenti√ęle bijdrage te leveren tot de wetenschap.

¬†Wist je … dat het Vrijheidsbeeld in New York bevestigd is met bouten uit Huy ?

 

Een revolutie in de microscopie

De electronische microscoop Siemens Elmiskop I is in 1957 ter beschikking gesteld door het NFWO aan meerdere onderzoekers  om binnen de  Katholieke Universiteit van Leuven biochemisch en morfologisch onderzoek van de intracellulai­re micro-organismen mogelijk te maken. Het illustreert de ommekeer in de microscopie in het midden van de 20ste eeuw dankzij deze techniek die vergrotingen tot 30.000 maal mogelijk maakt.

Meteen wordt er in de studie van de celbestanddelen vooruitgang gemaakt, wat in 1974 twee Belgische wetenschappers, Christian de Duve en Albert Claude, (samen met de Roemeen Georges Palade) de Nobelprijs Geneeskunde en Fysiologie oplevert. Albert Claude wordt op 23 augustus 1899 geboren en hij bepaalt de mitochondriale plaat-sing van de enzymen en cytochromen die verantwoordelijk zijn voor de dehydrogenatie en het waterstoftransport bij de cellulaire ademhaling. Hij is de eerste die er in slaagt een kankervirus te isoleren (1933) en te fotograferen. Hij overlijdt te Brussel op 22 mei 1983. Christian de Duve wordt tijdens de Eerste Wereldoorlog in Londen geboren, waar zijn ouders naartoe zijn geviucht. Hij stelt de technieken op punt voor centrifugeren en scheiden van cellulaire micro-organismen, wat hem toelaat het bestaan van lysozomen en peroxyzomen aan te tonen. Hij staat momenteel aan het hoofd van het Instituut voor Celpathologie dat zijn naam draagt.

Omstreeks 1850 wordt nog heel wat erfgoed gebruikt in de agrarische sector. Maar intussen zijn er nieuwe¬† constructiemogelijkheden gekomen dankzij de industri√ęle revolutie en die laten toe beter materiaal te vervaardigen, waarbij meer metaal wordt gebruikt.

Daardoor gaan de voorvaderen van de familie Mélotte zich interesseren voor landbouwmateriaal en zij stichten een weldra bloeiende onderneming.

In 1852 begint Guillaume Mélotte met een fabriek voor ploegen en dorsmachines. Met wordt een succès, dankzij tal van innovaties. Bij zijn dood in 1878 nemen Alfred en Jules de zaak over en zorgen eveneens voor allerhande vernieuwingen.

De jongste, Jules, is gepassioneerd door mechaniek en fysica en realiseert vanaf 1878 zijn eerste uitvindingen. Zo wil hij een centrifugale ontromer verbeteren die hij gezien heeft op een landbouwtentoonstelling. Hij slaagt er in een snellere machine te maken die betere room aflevert en minder energie vergt. De ontromer Mélotte is een feit, het begin van een succes-story die Mélotte wijd en zijd bekend zal maken.

Als Jules in 1919 overlijdt, staat Alfred er alleen voor maar hij gaat door tot in 1943.

De firma Mélotte is nog steeds een begrip in de landbouwsector.

 

De Belgische motorindustrie mag prat op gaan op heel wat staaltjes van vernuft die overal ter wereld uitblinken in de motorcross of op het motorcircuit. Er zijn tal van construc¬≠teurs maar het verdwijnen van Minerva in Antwerpen is een slag voor de sector. In Vlaanderen moeten voortaan alleen de motor-fietsen van Flandria het vaandel hooghouden. Wallonie kent eigenlijk drie groten die alle in het Luikse bekken gevestigd zijn: FN, Sarol√©a en Gillet. Dankzij het betaald verlof vanaf 1936 doen zij gouden zaken. Sarol√©a begint in 1898 met de productie van tweewielers en kent veel succes, evenals Gillet dat er in 1919 komt. In 1960 vinden beide mekaar. De “demoiselles de Herstal”, befaamd om hun elegantie, rijden over all√© Europese wegen en blinken uit in tal van competities.

Zo wordt 1953 een topjaar voor de Belgische piloten die de drie eerste plaatsen bezetten in het Wereldkampioenschap motorcross in de 500 cc-klasse. Het gaat om Gust Mingels (FN), René Baeten (Saroléa) en Victor Leloup (FN).

Belgi√ę staat tot 1914 aan de spits van de automobielindustrie. De¬† ontmanteling van een aantal bedrijven en het naoorlogs protectionisme zullen evenwel de doodsteek betekenen voor heel wat Belgische constructeurs. Minerva:is ongetwijfeld het paradepaardje van de sector en deze prestigewagens weten diverse Hollywoodsterren te verleiden. De eerste Minerva komt er in 1899 en de ontwerper, Sylvain de Jong, verzamelt voldoende kapitaal om de productie op te starten. In 1903 ontstaat in Antwerpen “Minerva Motors”. Binnen de kortste keren stelt de fabriek 550 mensen tewerk, produceert zij 30 wagens, 6000 kleine wagentjes en bijna 6000 motors en motoren. Op het Salon van Londen in 1908 presenteert Minerva het befaamde model zonder kleppen. In 1912 telt de fabriek al 3000 werknemers. Na de oorlog worden de activiteiten hervat en zo ziet in 1922 de beroemde radiatorstop “Minerva” het licht. Het is een creatie van de¬†kunstenaar Pieter de Soete. Tezamen met de Luikse merken FN en Imperia, die het eveneens (tijdelijk) goed doen, concentreert Minerva zich op de prestigewagen. Een droom voor de liefhebbers van boeiende mechaniek en aantrekkelijke vormgeving!

Wist je … dat Belgi√ę de grootste baksteenfabrikant is met de ruimste keuze?

 

Adolphe Quetelet is academicus, al astronoom, meteoroloog en statisticus. Deze Gentenaar ligt ook aan de basis van de oprichting van het Koninklijk Observatorium te Brussel, waartoe besloten wordt in 1826 en dat gerealiseerd wordt in 1832. Van meet af aan begin Quetelet met regelmatige waarnemingen i.v.m. temperatuur, vochtigheid, luchtgesteldheid en atmosferische druk. Als vermaard statisticus publiceert hij in Parijs zijn belangrijkste werk, met als titel “Sur l’homme et le d√©veloppement de ses facult√©s, ou Essai de phyique sociale” (“Over de mens en de ontwikkeling van zijn mogelijkheden, of Essay over sociale fysica”). Hij wordt een baanbreker in de toepassing van statistische methodes op menselijke fenomenen. Een benadering die praktische toepassingen vindt bij het toezicht op de bevolkingstelling te Brussel (1842) en de algemene bevolkingstellingen van het koninkrijk vanaf 1846. Quetelet gelooft in internationale samenwerking en ligt in 1853 aan de basis van het Eerste Internationaal Congres van de Statistiek, waar getracht wordt m√©thodes en definities op mekaar af te stemmen. In hetzelfde jaar zit hij een eerste maritieme conferentie voor om t√īt een uniform systeem te komen van meteorologische waarnemingen op zee. Hij oefent tal van functies uit en publiŇďert enorm veel, waardoor hij zowel in binnen- als in buitenland een grote invioed heeft op de wetenschappelijke ontwikkelingen.Hij wordt in 1790 in Groot-Brittanni√ę geboren en maakt vanaf zijn kindertijd kennis met Walloni√ę. Zijn vader bezit er immers fabrieken waar kaardmachines en wolspinmachines gemaakt worden. Hij richt later de eer¬≠ste ge√Įntegreerde staalfabriek van Europa op in Seraing, waar hij zich in 1871 vestigt en kasteelheer wordt. Op dat momnet zijn de metaalbe-drijven weinig productief en koning Willem der Nederlanden vraagt Cockerill de staalsector in het Maasbekken tot ontwikkeling te brengen. De eerste revolutionaire stap die de ondernemer zet, is de vervanging van de hoogoven op hout door een op cokes. John Cockerill is ook een voorloper wat spoor-materiaal betreft en hij heeft een inbreng in de ontwikkeling van het Belgische spoorwegennet in de dertiger jaren. Zo komt de eerste in Belgi√ę geproduceerde locomotief,”Le Belge”, in dienst vanaf 1835 op de eerste spoorwegverbinding van het continent, tussen Brussel en Mechelen. De industri√ęle ontwikkeling gaat verder dankzij een heus industrieel complex dat in 1838 dichtbij de steenkool en de haven wordt ingeplant. Jammer genoeg komt er een financi√ęle crisis en kan Cockerill niet meer de nodige kapitalen vinden om zijn industrie te handhaven. Hij sterft aan tyfuskoorts in 1840 a√Įs hij op reis is in Warschau. De namen van zijn opvolgers, Eug√®ne Sadois en nadien Adolphe Greiner, worden vereeuwigd aan de Maaskaaien. Op dit moment behoort het vroegere Cockerill-imperium tot de groep Arcelor.

De Belgen hebben niet alleen een baksteen in hun maag, ze hebben er ook een in hun hoofd. En dat heeft  niets te maken met mentale verstarring maar wel met het succes van de Belgische bouw in het buitenland. Zo is de firma die alle berekeningen uitgevoerd heeft voor de bouw van het viaduct van Millau het Luikse studiebureau Greisch, dat eerder al zijn sporen heeft verdiend bij de realisatie van de brug bij de verbinding van de E-40 en E-25 auto-wegen.

Het heeft ook de techniek ontwikkeld om de brug eerst op “vaste grond” te bouwen en dan over de”leegte” te duwen via hydraulische weg. Hoeft gezegd dat het om een heel delicate operatie gaat?

 De Brusselse bijna honderdjarige firma Besix is actief geweest op tal van werven, waar ook ter wereld (Nederland, voormalige Oostblok, Verenigde Arabische Emiraten). Zij is momenteel betrokken bij de bouw van de Burj Dubai, die met zijn meer dan 700 meter de hoogste toren van de wereld moet worden.Tegen eind 2009 moet de klus geklaard zijn.

Een volledige lijst van exporterende bouwfir-ma’s is onbegonnen werk. Naast Franki en Tractebel zijn er dat talloze. Kortom, onze “baksteen” is overal gegeerd…

 

Wist je … dat de vingerafdrukken in de archieven van het FBI gestockeerd worden met behulp van een mathematisch model dat door de Belgische Ingrid Daubechies is ontwikkeld?

 

De stichter van de dynastie,¬† Christoffel Plantijn, wordt waarschijnlijk in 1520 in de omgeving van Tours geboren. Hij gaat in de leer bij drukker Robert Mac√© te Caen om het beroep van drukker en boekbin-der te leren. Na enkele jaren boekhandelaar te zijn geweest in Parijs, vestigt hij zich in 1549 te Antwerpen, op dat moment na de Franse hoofdstad de meest bloeiende stad in Europa. Hij begin er a√Įs lederbewerker met de vervaar-diging van banden, koffertjes, kistjes, juwelen-kistjes, √©tuis enz… Vanaf 1555 wordt hij druk¬≠ker. Tot 1562 publiceert hij maar een bescheiden aantal uitgaven. In 1563 sticht hij, tezamen met enkele rijke burgers, een uitgeverij. Hij kan daarbij rekenen op Corn√©lius en Karel Van Bomberghe, de bankier Jacques de Schotti en dokter Goropius Becanus. Plantijn wordt direc¬≠teur en uitbater. In vijf jaar publiceert hij 260 werken, klassieke auteurs, bijbels in het Hebreeuws en liturgische werken. Dankzij kardinaal Granvelle en Gabriel de Cayas, de secretaris van Filips II, begint hij aan zijn belangrijkste werk: de bekende Meertalige Bijbel ( 1567). Na de publicatie hiervan wordt hij t√īt hoofdtypograaf van de koning benoemd en krijgt hij het monopolie voor het drukken van liturgische werken in Spanje en zijn bezittingen.Vermits hij zelf geen zoon heeft, bevoordeelt Plantijn zijn schoonzoon Moretus, de echtgenoot van zijn tweede dochter. Hij draagt aan hem drukkerij en winkel over, vooraleer hij sterft op 1 juli 1589. Hij wordt begraven in de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal. Zijn faam gaat over heel Europa. Hij heeft maar liefst 50 uitgaven per jaar uitgebracht, in totaal 1500 publicaties. Na de dood van Plantijn zet Jan Moretus de drukkerij verder. Hij treedt in de voetsporen van zijn voorganger en brengt, helemaal in de traditie, heel verzorgde publicaties uit. Tussen 1610 en 1641 is evenwel Balthazar Moretus de meest bekende in de Plantijn-dynastie. Hij zorgt voor nieuwe impulsen. Na hem wordt de uitbating van het monopolie op liturgische boeken de belangrijkste bezigheid van de hoofdtypografen. In 1876 zet de uitgeverij er een punt achter en wordt zij opgekocht door de stad Antwerpen. Na haar omvorming tot museum herbergt zij nu een rijke collectie aan matrijzen, graveerstiften, hout- en koperwerk en niet minder dan 30.000 uitgaven.

  

TOERISME

Oostende, de Koningin der Badsteden, centrum van lichtzinnigheid en van het mondaine, zet haar beste beentje voor om de vakantiegangers tegen het einde van de 19de eeuw te verwelkomen. Een dergelijke uitstap is dan nog voorbehouden voor de rijken. Het zal tot in 1936 duren eer, met de invoering van de betaalde vakantie, het massatoerisme en de trek naar de kust losbarsten.

De “kusttrein” zit eivol. De verhuurders van strandcabines wrijven zich in de handen. Zij zijn een Belgische uitvinding die aanslaat bij de zonnekloppers.

De ideale gelegenheid om wat fysieke beweging te hebben in een jodiumrijke omgeving. En om dus de gehuurde pedaalgocarts van stal te halen, nog zo een Belgische vondst.

Belgen zijn overigens heel creatief a√Įs het om vakantie gaat. Al in 1910 lanceren Frank en Ben Dumont de rage van de zeilwagens, die op dat moment sneller zijn dan de automobiel. Aan de kust van De Panne vinden zij een zee van ruimte…

 

G√©rard Blitz, neef van de gelijknamige zwemkampioen, wordt in 1912 geboren. In 1949 vraagt hij een zekere Gilbert Trigano hem tenten te leveren voor een vakantiekamp. Met jaar daarop staat er een aantal tenten op het strand van Mallorca op de Balearen en ziet de vzw Club M√©diterran√©e het licht die binnen de kortste keren 2000 leden telt. In 1952 komt er een vakantiedorp, ge√Įnspireerd op Polynesische hutten, op Korfoe in Griekenland. En twee jaar later is Djerba in Tunesi√ę aan de beurt. Gilbert Trigano wordt van leverancier nu boekhouder van de vereniging. En zo groeit in 20 jaar het eerste toeristische imperium, letterlijk gebouwd op zand en bestemd voor nieuwe Robinson Crusoe’s. In de Club M√©diterran√©e heerst een speciale relatie tussen organisatoren en leden, waarin samenhorigheid, enthousiasme, hartelijkheid en sport centraal staan. Op criticasters die hem sim¬≠plisme en de wat aangebrande slogan “zon en meisjes” verwijten, repliceert Gilbert Trigano dat hij eigenlijk de ontdekker is van magische oorden: Cancun in Mexico, Agadir in Marokko, Djerba in Tunesi√ę…

G√©rard Blitz is in 1990 overleden en heeft een waarachtig imperium achtergelaten, dat hij ooit kwalificeert als “tegengif voor de beschaving”.

 

DESIGN

Design??? De naam dateert al van het midden van de 20ste eeuw en valt niet zo makkelijk te defini√ęren.

Vaak wordt het woord daardoor verkeerd ge√Įnterpreteerd.Toch is het mogelijk de essenti√ęle noties van het concept op een rijtje te zetten. Zo is design industrieel (industriel fabricage), eventueel decoratief (meubilair…) en/of technisch (auto, trein…). Belgische projecten zoals Design Vlaanderen, Designed in Brussels, zijn designparcours en de internetsite Design addict… willen designers promoten in Belgi√ę en elders. Na de dominantie van plastiek (60er jaren) en textiel (70er jaren) pogen designers in het vol-gende decennium tot meer functionele en alledaagse benodigdheden te komen. Zij worden trouwens ook als designers beschouwd en zullen bijdragen tot de spectaculaire ontwikkeling van hun specialiteit op internationaal vlak. In Vlaanderen is Maarten Van Severen (1956) ongetwijfeld het boegbeeld, met ook internatio¬≠nale uitstraling. Zijn eerste realisaties komen er midden ’80. Hij wordt beschouwd als een “compromisloze designer die zich noch door machi¬≠ne, noch door technologie laat be√Įnvloeden”. Hij verkent ook constant nieuwe einders. De stoel Van Severen kan door een kenner makkelijk als dusdanig worden ge√Įdentificeerd en dat is een mooi en blijvend eerbewijs voor deze talentvolle designer die verliefd is op de vorm. Belgische design floreert en dat is zeker ook te danken aan Vlaamse designers als Philippe Neerman (Citadis tramway Lyon), Eric Symons en Maxime Szyf (Samsonite), Vic Cautereels en Bob Daenen (Tupperware), Patrick Hoet (brillen), Axel Enthoven (Opel), Stephan Winteroy, Jan Van Lierde (Kreon), Weyers en Borms… Walloni√ę herbergt tal van beloftevolle desig¬≠ners. Damien Gernay, Magali Vernier, Delphine Mainil, Manon Legros zijn er maar enkele van. Henriette Michaux mag al beschouwd worden a√Įs een vaste waarde.

Ook Brussel schittert met Danny Verlet, Xavier Lust, Alain Berteau, Pol Quadens en Charles Kaisin (l972),…

Deze laatste concentreert zich op recyclage en wil objecten een tweede leven schenken. Zijn werk baseert zich op het principe van de extensie, zoals bij zijn witte, moduleerbare en vergrootbare bank met de structuur van een bijennest. Zijn laatste vondst, de Pingolingo zakken (licht en waterafstotend, met tal van gebruiksmogelijkheden), kent bijv. in Japan veel succes.

 

De lederzaak Delvaux, dit jaar ook heeft zich opgeworpen als het synoniem van vakkennis en traditie.

Deze reputatie laat Delvaux toe de nadruk te leggen op elegantie en de hedendaagse creativiteit volop aan haar trekken te laten komen.

Elk product wordt artisanaal vervaardigd, helemaal in de traditie van het met de hand maken in de Delvaux-ateliers te Brussel.

Met meest bekende model, de “Brillant”, komt er t.g.v. de Wereldtentoonstelling van 1958 en is

ook nu nog onge√ęvenaard. De huidige collecties omvatten ook kleinere lederwaren, zoals portefeuilles, foulards, sjaals, handschoenen enz…

Delvaux heeft tal van winkels in Belgi√ę, maar ook in Duitsland, de VS en in Japan.

 

Kledingsgewoonten  vormen  al   heel lang de weerspiegeling van sociaal gedrag. De mode kent in elk tijdperk haar eigen karakteristieken, ook al is zij eeuwenlang eerst en vooral een zaak van de hogere klassen. Deze standen benadrukken immers door de fijnste stoffen en de meest indrukwekkende sieraden hun sociale rang.

“Made in Belgium” geeft dus een retrospectieve, laat de mode in de loop der tijden opnieuw defileren. En dan merk je nogmaals dat elke outfit een welbepaalde p√©riode oproept, zeker a√Įs daarbij het overeenstemmende kader geschetst wordt.

Mode raakt pas echt gedemocratiseerd in de Golden Sixties, dus amper enkele decennia geleden. Dan wordt definitief gebroken met tradities, conformisme en starheid, en worden zelfs de meest stringente criteria in vraag gesteld. Kleuren en vormen krijgen hun terechte plaats. Mode komt in het bereik van ieder-en, zij wordt “lichter” en vormt de uitdrukking van de rijke en verleidelijke creativiteit van dynamische en vernieuwende couturiers. Ook Belgi√ę ontsnapt niet aan deze creatieve “besmetting” en de mode “Made in Belgium” schittert vanaf dat moment binnen ons uitvoer-pakket. Dankzij engagement, zin voor estheti-sche eigenheid en rijke creativiteit slagen sty-listen, couturiers en accessoireontwerpers van bij ons er in het monopolie van Parijs, Londen en Milaan de doorbreken. Hun creaties vind je nu zowat overal ter wereld.

 

Een pionier

De Antwerpse Ann Salens wordt beschouwd als de pionier van de moderne Belgische mode. Einde zestiger jaren start zij met een kleine boetiek en (vooral) een heel eigen stijl. Haar exclusieve japonnen worden een begrip t√īt ver over de landsgrenzen en kleden groten van toen, zoals Juliette Gr√©co, Fran√ßoise Dorl√©ac, Prinsen Paola,Ann Christ… Toch laat een echt wijdverspreide renomm√©e van de Belgische mode nog even op zich wach-ten.

 

Film en sterren

De wedstrijd “De Gouden Spoel” geeft vanaf 1982 de sector de wind in de zeilen en jonge ontwerpers vinden daarin de uitdaging om het beste van hun talent te tonen. De Antwerpse Acad√©mie werpt zich als snel op tt absolute trendsetter en levert nog hetzelfde decennium een uitzonderlijke generatie af. De “Bende van Zes” verovert in 1987 te Londen de “British Designer Show”. Voortaan zijn Ann Demeulemeester, Dirk Bikkembergs, Dirk Van Saene, Dries Van Noten, Walter Van Beirendonck en Marina Yee een begrip in modeland. Ann Demeulemeester (¬į1954) voert in eerste instantie dit gezelschap aan. Haar duidelijk gestileerde kleren zijn te vinden in 200 boetieks over de h√®le wereld. Dries van Noten (¬į 1958) blijkt de kampioen van superpositie en exo¬≠tisme. Creaties van hem ontdek je in 25 landen, waar 500 verkoopspunten een 100.000 exem-plaren over de toonbank doen gaan. Walter van Beirendonck (¬į 1957) is bij leven al een legende, dankzij een uitgesproken ludieke en kleurrijke excentriciteit. Voor de zanger Bono ontwerpt hij in 1992 een podiumoutfit, voor de creatie “Mot Strictly Rubens” van het Ballet van Vlaanderen de kostuums (2003).

 

De “spullen” van Bruce Springsteen

Met is ook Antwerpen wat de klok slaat in de wereld van de film en showbusiness. Dat gebeurt in eerste instantie nog via Martin Margiela. Hij is de meester van het”deconstructionisme” en het “work in progress”, gebaseerd op int√©grale recuperatie. Ook via het witte doek doet hij van zich spreken, o.m. met de kostuums voor de film “The Pillow Book” van Peter Greenaway. Vanaf 1998 wordt hij stylist van pr√™t-√†-porter vrouwenkleding bij het huis Herm√®s.

Sterren zoals Bruce Springsteen, George Michael en Paul McCartney dragen nu Antwerpse “spullen”.

 

Een absoluut succesvrehaal voor de Antwerpse Academie die, in de persoon van directrice Linda Coppens, in 2003 zelfs door “Time” in de bloemetjes gezet wordt. De school wordt meteen verheven t√īt mijlpaal in de internatio¬≠nale ontwikkeling van de mode. En dankzij de directrice wordt Antwerpen de Europese hoofdstad van de alternatieve mode…

 

De School van La Cambre

Deze wordt opgericht in 1986 om de stilistische creativiteit aan francofone kant een zetje te geven. Directrice Fran√ßoise Fairon zorgt meteen voor een welverdiende renomm√©e en dat is nog maar het begin. Zo cre√ęert Olivier Theyskens, √©√©n van de hoogvliegers, de jurk die Madonna draagt tijdens de Oscaruitreiking. Maar er is natuurlijk ook V√©ronique Leroy. Deze Luikse styliste behaalt in 1989 de Gouden Spoel en breekt dan volledig door op de internationa¬≠le sc√®ne. “Kitsch” is haar toverwoord en zij vindt, naar eigen zeggen, inspiratie bij de kassierster van het grootwarenhuis. Zij kleedt o.m. Axelle Red.

Sedert enkele jaren onderscheiden de afgestudeerden van La Cambre zich met de regelmaat van een klok op het prestigieuze “Festival International des arts de la mode” in Hy√®res (Azurenkunst).

Maar ook de stylisten van de hoofdstad laten van zich horen. Op de podia van Parijs, Trieste of elders zorgen zij, evenals hun Vlaamse en Waalse collegae, voor een ongekende interna­tionale roem van de Belgische mode.

 

Een voorloper

Al in 1979 laat Olivier Strelli zich opmerken in Parijs. Zijn succesrijk d√©fil√© van 1985 heet niet zomaar “Een Belg in Parijs”. Geboren in 1946, inspireert Strelli zich op Afrikaanse kleuren en wordt hij vaandeldrager van de Belgische mode. Zijn naam wordt uitgedragen door 500 ver-koopspunten!

In 1989 en 1999 cre√ęert hij het uniform van de Sabena-hostessen. En in 2004 zorgt hij voor de kledij van de Franse nationale voetbalploeg, bui-ten het veld wel te verstaan. Creaties van hem vind je in de garderobes van Koningin Paola, Prins Filip en Prinses Matilde. Maar ook Mick Jagger van de Rolling Stones doet een beroep op Strelli voor de wereldtournee “Bridge to Babylon” (1997). Een succesverhaal zonder weerga en evenzoveel invloed op jonge Belgische couturiers!

Verder is er G√©rald Watelet (¬į 1963), couturier van Koningin Paola, en Edouard Vermeulen van het huis Natan die zijn faam vestigt met de huwelijksoutfit van Prinses Matilde.

 

Van de wieg tot het graf

Internationale bekendheid genieten evenzeer Belgische ontwerpers van cérémonie- en kinderkleding. Namen als Natan, Gérald Watelet, Nina Meert, Johanne Riss, Mieke Cosyn, Linea Raffaeli, Mer du Nord of Oni Onik klinken als een klok. Een duurdere prijsklasse maar tegelijk een immense populariteit voor deze Belgische creaties.

 

Accessoires om U tegen te zeggen

Lederwaren Delvaux en het product bij uitstek, de damestas (bijv. de “Brillant” van 1958, t.g.v. de Wereldtentoonstelling), zijn al vanaf 1829 een begrip op de internationale markt. Belgen spe-len dus een even vooraanstaande roi in net domein van de accessoires. Dat geldt eveneens voor de desbetreffende producten van Olivier Strelli: schoenen, par¬≠fums, brillen, huishoudlinnen… En Ambiorix-schoenen, ontstaan in Verviers en nadien geproduceerd in Tongeren, kent men in Tokio, Londen, Parijs of deVS.

 

Hallo…

Elvis Pompilio (¬į 1961 ) is het boegbeeld van een hele vernieuwende en vruchtbare generatie. In 1987 cre√ęert hij een eerste hoedencollectie. Meteen een jonge ingreep in een ietwat vastge-roeste stijl en ook meteen een schot in de roos. Zijn naam raakt verbonden met de grootste ontwerpers van pr√™t-√†-porter in Belgi√ę (Demeulemeester, Leroy) en elders (Chanel!). Hoeden van Pompilio vind je nu van New York tot Tokio, met trouwe klanten als joan Collins en Yannick Noah!

 

The final touch

Bij mode horen modellen en ook Belgi√ę heeft een topmodel. Ingrid Seynhaeve heet zij en zij is geboren in 1977.Vogue, Elle, Harper’s Bazaar en Sports Illustrated zijn maar enkele grote magaz¬≠ines waar zij op de voorpagina staat. Zij poseert voor merken als Ralph Lauren, Christian Dior, Anne Klein, Bleumarine, Nivea en Biotherm. En de aflossing van de wacht meldt zich al. Zo ontwerpt de jonge Hasseltse stylist Stijn Helsen de outfit van Spider Man 2 die te bewonderen valt op het grote scherm vanaf juli 2004.

 

2 KUNST

 

KUNSTWERKEN

Karel de Grote blinkt tijdens zijn regering uit op het vlak van administratie en wetgeving. Zo benoemt hij koninklijke commissarissen (missi dominici) die in de provincies de koninklijke besluiten moeten gaan toelichten. De landbouw hervat. Nieuwe gronden worden in gebruik genomen en de landbouwtechniek ontwikkelt zich.

¬†De naam van Karel de Grote wordt ook verbonden aan een culturele, intellectuele, morele en godsdienstige herleving: de Karolingische renaissance. Cultureel wil hij weer aanknopen met de bloei tijdens het Romeinse Rijk. Daarom draagt hij geleerden op de manuscripten te herstellen die uit de Griekse Oudheid komen en gewijzigd zijn door toedoen van vele kopieschrijvers. Onder zijn impuis komt er een Karolingisch schrift dat aan de basis ligt van de moderne typografie. Hij zorgt ook voor hogescholen in de kloosters waar spraakkunst, retorica, dialectiek, rekenkunde, geometrie, astrono¬≠mie, zang en muziek onderwezen worden. Deze sculptuur is een meesterwerk uit de “Objets d’art du Mus√©e du Louvre”. Zij behoort tot die werken die tegelijk referentiepunt en symbool vormen en een illustratie van zowel geschiedenis als kunstgeschiedenis. Als vermeend portret van Karel de grote is dit object de link tussen de oude wereld en de middeleeuwen. Het is een zeldzaam bekend voorbeeld van een bronzen Karolingisch kunstwerk. De kunstenaar grijpt terug naar de smelttraditie van de oudheid en cre√ęert zijn personage om het aan te passen aan een vroeger werk. Het paard dateert immers waarschijnlijk van het Oost-Romeinse Rijk. Zo ontstaat een ruitersculptuur die niet gebruikelijk is voor de Karolingische heersers maar die des te meer bewust aansluit bij de trend om oude bronnen te doen herleven. Zij is dus karakteristiek voor de Karolingische renaissance. Zich inspirerend op de Romeinse standbeelden, zoals dat van Marcus Aurelius in Rome, schept zij het beeld van een Karolingische heerser als een “nieuwe Caesar of Constantijn”.

Karel de Grote wordt in 747 geboren, waarschijnlijk in het Luikse, uit het huwelijk van Pepijn III de Korte en Bertrada. Hij behaalt diverse militaire zegepralen en hij onderwerpt snel de Lombarden, zodat hij heerser wordt over Noord-ltali√ę in 774. Nadat hij het konin-krijk Aquitani√ę gesticht heeft, stoot hij door tot Beieren en voegt Saksen bij het Frankische Rijk. Hij heerst t√īt aan de poorten van Rome. Hij brengt nadien deArabische invasie in Spanje tot staan maar bij de terugkeer van zijn l√©ger wordt de achterhoede, onder het bevel van Roland, verslagen door de Gascogners in de vallei van Roncevaux. In twee√ęndertig jaar verovert Karel de Grote een immens rijk. In het Vaticaan krijgt hij op kerstdag in 800 van paus L√©o III de keizerskroon. Meteen een bevestiging van zijn macht en van de steun van de Heilige Stoel aan zijn streven naar werelddominantie.

Karel de Grote sterft in 814. Bij zijn teraardebestelling in de paltskerk van Aachen, wordt zijn lichaam in een prachtig gewaad van Byzantijnse zijde (8ste eeuw) gewikkeld. Dit gewaad is het oudste voorbeeld van figuratieve stof uit de Byzantijnse tijd. Het kostbare purperen kleed toont op een donkerblauwe achtergrond een sc√®ne uit de laatantieke arena. Je ziet de voorzijde van een quadriga. De teugels van de rijkelijk opgetuigde paarden worden vastgehouden door een menner naar met gekrulde haren en mali√ęnkolder.

Twee slaven in tuniek rennen toe met een lauwerkrans. Twee jongens strooien munten voor de poten van de paarden a√Įs symbool voor de macht van net rijk.¬†In de 19de eeuw knipt een onattente conservator de lijkwade van Karel de Grote in twee¬†even grote stukken. Meer dan een eeuw later wordt het ene deel bewaard in Aken, het andere in Parijs.

 

De Bijbel van Zoutleeuw

Het is het pronkstuk van de bibliotheek van het Seminarie te Li√®ge. Het bevat de volledige Latijnse tekst van de Bijbel in drie grote volumes (46 x 32,5 cm) met respectievelijk 288,267 en 163 bladzijden van dik perkament. Op elke pagina zijn er twee kolommen tekst van 38 lijnen. Het manuscript is gedateerd, want het colofon vermeldt: “In het jaar 1248 onzes heren, is dit boek gekopieerd ter √®re van de Heer, de gelukzalige Maria, de heilige Sulpitius, en van all√© heiligen in het huis van de broeders van de priorij van Scholierendal te Zoutleeuw, ten tijde van prior Jonathan.” De orde van Augustijner kanunniken van Scholierendal, gesticht in het diocees Langres begin 13de eeuw, verspreidt zich langsheen de Maas. In 1231 stichten zij een klooster te Li√®ge (Outremeuse); van daaruit zwermen zij uit naar Zoutleeuw (Vlaams-Brabant) in 1236. Evenwicht en duidelijkheid in de opmaak zijn karakteristiek voor deze Bijbel. De versiering, met duidelijk Franse invloed, is van constante kwaliteit en is niet alleen overvloedig maar tevens origineel in de iconografische weergave van verschillende thema’s. De personages berusten op een zelfde type: een tengere en slanke gestalte (de tengere schouders maken het hoofd soms lichtjes gedisproportioneerd).

De tekening van het oog – de pupil tussen twee oogleden met uiteenlopende lijnen- is typerend voor de meester van Zoutleeuw. Dat geldt eveneens voor de volledig irrealistische weergave van de bomen, met een losse vorm van schit-terende fijne witte lijnen, die nergens opduikt in andere manuscripten.

Maar liefst 42 verluchte hoofdletters zijn er en een groot aantal met filigraan versierde initialen, met bladversieringen in gouden randen. Dit belangrijk voorbeeld van de verluchtingskunst in het Luikse diocees van het midden van de 13de eeuw bevindt zich momenteel in het d√©p√īt van het Mus√©e d’Art Religieux et d’Art Mosan te Li√®ge.

 

Wist je … dat Pell√©as et M√©lisande van Maeterlinck aan de basis ligt van de opera in 5 bedrijven van Claude Debussy die regelmatig opgevoerd wordt in de bekendste operahuizen van de wereld?

 

Evangelieboek van Sint Gerardus van Brogne

Het manuscript wordt afgewerkt in 1543 in de abdij van Sint Gerardus van Brogne, onder abt Guillaume Caulier (1516-1550). Zijn wapen staat trouwens in de rand van folio 5. Het is niet mogelijk vast te stellen of het om een lokale productie gaat omdat er geen verge-lijkingsmateriaal is. In afwachting van meer pre-cieze kennis, wordt het werk gesitueerd in de vroegere Zuidelijke Nederlanden. Wij zien nog een “Gents-Brugs” proc√©d√© maar er zijn reeds sporen van Renaissanceversiering. De laat-Middeleeuwse decoratieve stijl is onmiskenbaar, zoals het mengsel van heel realistische acanthussen, groenmotieven en kleine dieren (vogels, slakken, insecten). De Renaissance maakt haar opwachting met eigen voorstellingen: hekspijlen en fonteinbekkens die uitlopen op elkaar omhelzende acanthussen en a√Įs geheel met de vorm van de hoofdletters. Hoofdletters zijn versierd met miniaturen: de Aanbidding der Wijzen, het Doopsel van Christus, de Putten van Samaria, Landschap, Judas die onderhandelt.

De nieuwe stijl is niet het uitvloeisel van een lange en geduldige evolutie maar het gaat om echt “exotische” elementen die in een oudere (“Gents-Brugse”) structuur terecht zijn gekomen. De motieven krijgen relief dankzij het tra-ditionele proc√©d√© van de slagschaduw. De vermenging van de twee stijlen is zeker een succes.

 

MUZIEK

De muziekschat van Orlandus Lassus

Orlandus Lassus (1535-1594) is een van de grootste componisten van de Renaissance. Hij wordt in Mons  geboren en is tijdens zijn leven al een beroemdheid die naar Frankrijk, Italie en Vlaanderen reist. Nochtans zal hij zich voornamelijk in Munchen vestigen bij de hertogen van Beieren, zonder evenwel zijn Europese reizen op te geven.

Dit overzicht, in Genève uitgegeven door Berg (1582), bevat een deel van de 150 liederen die Lassus geschreven heeft. De titel ervan wijst op de achting t.a.v. Lassus. Dit deel is enkel dat van de contratenor. De drukkers geven in die dagen immers alle partijen afzonderlijk uit zodat elke zanger of instrumentalist over een eigen exemplaar kan beschikken.

Voor de teksten put Lassus in grote mate uit het oeuvre van de beroemde dichters uit de 14de eeuw: Marot, Ronsard, De Bellay en Ba√Įf. Hij ontleent bij hen bucolische en spreukrijke po√ęzie maar ook drinkliederen en soms ronduit obsc√®ne teksten.

In dit overzicht zijn de meest liederlijke teksten “vergeestelijkt”. De uitgever stelt in zijn voor-woord dat “om deze liederen deftiger en christelijker te maken” hij ervoor zorg heeft gedragen de “dwaze, wellustige en wereldse woorden uit te zuiveren door het schrappen van enkele of meerdere en ze aan te passen aan de Muziek”.

 

Wist je … dat in 1979 niemand minder dan Madonna danst en in het koortje staat van “Born to be alive” van Patrick Hernandez?

 

De Zuidelijke Nederlanden, bakermat van de beiaardkunst

¬†‚ÄúBeyaerde” is een Middelnederlands woord, wat eigenlijk betekent “met een hamer op metaal of hout slaan”. Eertijds is het enkel een signaal, later worden de zes noten gevormd van het desbetreffende gamma, voldoende voor een volks lied of een kerkzang. Aan de buitenzijde hangen de grote klokken in de toren of belforten om de stedelingen te verwittigen. Jan Van Bevere, de beiaardier van Duinkerken, gebruikt al in 1478 klokken van groot formaat om de kerkzangen op feestdagen in heel de stad te laten weerkiinken. Men veronderstelt dat hij de klepels verbindt met een soort van (orgel)klavier. Klokken spelen een grote rol bij elk √©v√©nement. Jan zonder Vrees viert zijn overwinning tegen de Luikenaars (Brugge, 1394) met “orghene” en “beyaerden”. Filips de Goede maakt er zijn blijde intrede in 1440 onder het luiden van de klokken. In 1510 verbindt men in Oudenaarde via koorden zelfs alle klokken, kleine en grote, met een groot slagbord en een piano met stokkenklavier, waarop kan gespeeld worden zoals op een orgel.

In al onze steden weeklinken duizenden tonen t√īt aan het einde van de 18de eeuw. Napoleon vindt trouwens dat klokken beter klinken dan kanonnen. Maar pas tegen het einde van de 19de eeuw krijgt de beiaard weer de status van instrument van de zuidelijke Nederlanden. Adolf Denijn (1823-1887) en zijn zoon Jef (1862-1941) spelen een vooraanstaande roi bij de oprichting van de internationaal vermaarde beiaardschool Koningin Fabiola te Mechelen. Zij wordt pas officieel ingehuldigd in 1922, in de plaats van 1913, omwille van de oorlog.

Wist je … dat de fameuze “Eendjesdans” van J.J.Lionel niet alleen bij ons een hit is. In Frankrijk is het nl. de meest verkochte opname var de eighties.

 

Grétry viert triomfen in Parijs

Andr√©-Ernest-Modeste Gr√©try (1741-1813) vertelt in zijn M√©moires, ou Essais sur la musique (Parijs, 1789) ¬†dat hij deze kleine stille piano meeneemt op reis in de diligence of tijdens tochtjes op net platteland. Deze laat hem toe de nodige oefeningen te doen om zijn vingers soepel te houden zonder de medereizigers te storen. De totale geluidloosheid, evenals een tot twee octaven beperkte omvang, bevestigen dat het hier om geen componeerinstrument gaat.Aan de achterzijde kan de aanslag soepeler of harder worden gemaakt. Voor de meeste liefhebbers is Gr√©try de componist van het lied Ou peut-on √™tre mieux qu’au sein de sa famille? (“Waar kan men beter zijn dan bij zijn famille?”) Sedert het componeren ervan behoort het t√īt het collectieve geheugen van de Belgen. Maar deze op 8 februari 1741 geboren Luikenaar schrijft vooral muzikale geschiedenis door zijn bijdrage aan de komische opera, een genre dat een mengsel is van gesproken teksten, liedjes en begeleidende recitatieven.Werken als Le Huron (!768), Lucile (1769), Z√©mire et Azor ( 1771 ), Le Jugement de Midas (1778), Richard Coeur-de-Lion (1784) beheersen de Parijse sc√®ne tot aan de Franse Revolutie. Zij zijn populier in heel Frankrijk maar ook in de Nederlanden, Duitsland, delen van Italie, Oostenrijk, Zweden… Zij blijven dat ook na zijn dood op 24 september 1813.

 

Wist je … dat in 1966 Adamo op de tweede plaats in de wereld prijkt wat het aantal verkochte platen betreft. De Beatles staan op nr.1.

 

Dwarsfluit van Rottenburgh

De dwarsfluit van Jean-Hyacinthe Rottenburgh (1672-1756) is zowel qua binnenboring als qua profiel een fijn gedraaid, uiterst verzorgd muziekinstrument.¬† Het geeft een goed idee van het “nieuwe” dwarsfluittype dat de Hotteterre’s in het derde kwart van de 17de eeuw aan het Parijse hof ontwikkeld hadden en dat de basis is geworden van de √©l√©gante barokfluit die de blokfluit gaandeweg uit de muziekpratijk verdrong.Vandaag staat de Rottenburgh dwarsfluit model voor talrijke kopie√ęn waarmede barokvirtuosen de muziek van de tijd van Bach zo getrouw mogelijk gestalte willen geven.

Zoals aan andere Europese hoven, kwamen ook aan het hof van Karel van Lotharingen muzikan-ten en bouwers vaak uit dezelfde familles. Rottenburgh, Willems en Snoeck waren de beroemdste blaasinstrumentenbouwers en luthiers in die tijd in Brussel. Zij leverden verschillende muzikanten aan  het hoforkest en waren onderling verwant.

 

Wist je … dat Hooverphonic de soundtrack maakt voor tal van Amerikaanse films?

 

Op zijn zes jaar al een virtuoos

Hij wordt geboren in 1820 maar amper zes jaar oud maakt Henri Vieuxtemps door zijn vroegtijdige muzikale rijpheid al diepe indruk op het publiek a√Įs hij het vijfde con¬≠certo van Robe speelt. In Antwerpen schildert Barh√©lemy Vieillevoye, ook afkomstig van Verviers, het portret van de jonge, dan achtjarige virtuoos. Met de viool in de hand drukt Vieuxtemps de spontane√Įteit en het natuurlijke uit van een kind, terwijl de vastberaden en sere-ne blik al blijk geeft van een volwaardig kunstenaar. Als hij 9 is, wordt hij opgemerkt door Charles B√©riot tijdens een eerste reeks van concerten. Na verdere opleiding in Brussel geeft Vieuxtemps vanaf 1833 tal van concerten, waarop hij o.m. Schumann en Paganini ontmoet. Na een ontmoeting met Reicha zet hij zich aan het componeren en dat zal hij doen tot aan zijn dood in 1881.

Henri Vieuxtemps maakt deel uit van de Luikse muzikale rijkdom van na het einde van de 18de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw. Andere muzikale talenten van die période zijn André-Modeste Grétry (1741-1813), César Franck (1822-1890), Guillaume Lekeu (1870-1894) en Eugène Ysaye ( 1858-193 l). Allemaal namen die, samen met Henri Vieuxtemps, in alle geschiedenisboeken van de muziek figureren.

Wist je … dat in de VS 270 versies bestaan van “If you go away”, oorspronkelijk “Ne me quitte pas” van Jacques Brel?

Koningin Elisabethwedstrijd: een concours met internationale uitstraling

¬†In 1900 huwt de Beierse hertogin Elisabeth met troonopvolger Albert van Belgi√ę. Zij ontmoet in Brussel Eug√®ne Ysaye, een onbetwistbaar talentvol violist. Hij staat op het toppunt van zijn carri√®re. De kunst brengt hen samen en gedurende hun jarenlange vriendschap wisselen zij van gedachten over een internationaal concours. Ysaye sterft in 1931 op het ogenblik dat de Koningin de Muziekstichting Koningin Elisabeth opgericht heeft. In 1937 heeft de eerste wedstrijd Eug√®ne Ysaye plaats, met een indrukwek-kende internationale jury.Vanaf het begin wordt dit concours beschouwd als een der meest prestigieuze maar ook moeilijkste in de wereld. Het succ√®s van de eerst aflevering is bepalend voor de toekomst. Tegelijk rient de Koningin, met financi√ęle steun van baron Paul de Launoit, een instelling op die het onderricht voor Belgische musici moet verbeteren, de Muziekkapel Koningin Elisabeth. In 1950 wordt het Concours Ysaye veranderd in Koningin Elisabeth Wedstrijd.

De wedstrijd richt zich nog¬† altijd tot opgeleide muzikanten die een interna¬≠tionale carri√®re ambi√ęren. Afwisselend staan piano, zang, viool en compositie op het programma. Vertolkingwedstrijden hebben om de vier jaar plaats, componeerconcours om de twee jaar.

Tussen 1841 wanneer Sax hem voor het eerst voorstelde op de Nationale industrietentoonstelling in Brussel en 1846, het jaar waarin hij werd gepatenteerd, heeft de saxofoon grotere veranderingen ondergaan dan in de rest van zijn geschiedenis. De wijzigingen die Sax zelf aanbracht in 1866 en 1881 middels twee latere octrooien, waren vooral bedoeld om de rechten op zijn uitvinding veilig te stellen. In de twintigste eeuw bvrachten vooral Franse (Selmer) en Amerikaanse bouwers (Conn en Beuscher) verder verbeteringen aan. In Belgi√ę was Manillon de eerste bouwer die saxofoons aanmaakte: hij begon ermee in 1867, wanneer het eerste (Franse) octrooi in het Publiek Domein verviel.

Sax ontwierp zijn saxofoons als een instrumentenfamilie Рniet als een enkel muziekinstrument Рen gebruikte ze in de eerste plaats in het vernieuwingsproject van de Franse militaire muziekkapellen waarvoor hij door het militaire establishment naar Parijs was gehaald. Merkwaardig genoeg werd het orkestrale con­cept van Sax pas voor het eerst conséquent toegepast in de Amerikaanse big bands van de jaren 1930. De link met het leger bleef echter bestaan, sommige bekende big bands werden voor de Welfare ingezet tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

Twee Belgen speelden ook een belangrijke rol in de verspreiding van de saxofoon op het Amerikaanse vasteland: de virtuoos Henri Wuille (1822-1871) en Jean Moeremans, saxofonist van Sousa’s Marine Band in de jaren 1890. Ook de eerste plaatopnamen met saxofoon staan op naam van Belgen: Eug√®ne Coffin (New York, 1895) en opnieuw Jean Moeremans (Washington, 1897).

Na de Tweede Wereldoorlog krijgt de Belgische jazz internationale faam dankzij een nieuwe generatie van muzikale talenten.

Daarvoor zorgen o.m. Toots Thielemans (1922), Jack Sels (1922-1970), Jacques Pelzer (1924-1994), Bobby Jaspar (1926-1963), Sadi (1927), Ren√© Thomas (1927-1975). Zij zetten allemaal hun eerste stappen in Belgi√ę door aandachtig te luisteren naar Amerikaanse jazzplaten en nadien een eigen groep op te richten. Heel beroemd worden zo de Bob-Shots.

In de vijftiger jaren trekken zij allemaal, met wisselend succ√®s, de grens over. Sadi wordt een naam in Frankrijk, Bobby Jaspar in New York maar vooral Toots Thielemans wordt ontegensprekelijk de meest bekende Belgische musicus in de wereld. Zijn faam reikt van Scandinavie tot Amerika, van Azi√ę tot in Europa, met zijn onafscheidelijke mondharmonica. Maar van hem komt ook de beroemd geworden klank van gitaar en fluiten samen. Met resultaat: een immense discografie en samenwerking met het kruim van de jazz en pop artiesten van de tweede helft van de 20ste eeuw. Kortom, nu al een Belgische legende.

 

Dankzij deze voorgangers groeit ook een nieu­we generatie van muzikaal talent: Fred Van Hove (1973), Félix Simtaine (1938), Philippe Catherine (1942), Michel Herr (1949), Steve Houben (1955), Bert Joris (1957), Kris Defoort (1959), Dré Pallemaerts (1964), de leden van Aka Moon... Zij allen maken naam met muzikale kruisbestuivingen en mengvormen, zowel met traditionele als met hedendaagse muziek.

 

Een muziekland bij uitstek

Luisterliedjes, rock, elektronische muziek, wereldmuziek, rap…¬† de mythe van Jacques Brel: evenzoveel schitterende facetten van het Belgische muzieklandschap.

 

Belgium, Belgium

Zowel Jacques Brel (“Le plat pays”), Andr√© Bialek (“La belle gigue”), Marka (“Le pays de la pluie”), Arno (“Comme √† Ostende”), Johan Verminnen (“Brussel”) als Raymond van het Groenewoud (“Vlaanderen boven”) bezingen Belgi√ę. Tal van anderen doen dat eveneens, elk steeds met een eigen benadering.

 

Eurovisie

Onze vertegenwoordigers op het Eurovisie-songfestival zorgen intussen voor eerder uiteenlopende resultaten. Maar wie herinnert zich niet Sandra Kim (“J’aime la vie”), Urban Trad (“Sanomi”), Jean Vall√©e (“L’amour, √ßa fait chanter la vie”), Louis Neefs (“Ik heb zorgen”) en Vanessa Chnitor (“Like the wind”) ? En het jeugdige geweld van Xink en Free Spirits op het podium van Eurosong for kids?

 

Kleurrijk

Dankzij de opeenvolgende immigratiegolven van de voorbije decennia wordt de Belgische muziek een stuk kleurrijker. Itali√ę, Congo, de Maghreb… tekenen voor een verfrissende aanbreng. Claude Barzotti, Rocco Granata, Khadja Nin, Mousta Largo en anderen worden bekende namen.

 

Successtory

Belgische vaste waarden krijgen ook vaste voet in het buitenland. Denk maar aan Helmut Lotti, Adamo, Axelle Red, Maurane, Clouseau of Pierre Rapsat. Zij vormen nog maar de voorhoede van nieuwe beloftevolle generaties, met o.m. Jeff Bodart, Zornik, Ann Pierlé en Vincent Venet. Talrijke compilaties getuigen van een bijzonder levendige muzieksien in dit land.

 

In het Nederlands

Vele Vlaamse artiesten zijn succesrijk in hun eigen taal. Dat geldt zeker voor Will Tura, Gorki, Willy Sommers, Dana Winner, K3, Wim de Craene en Raymond van het Groenewoud.

 

Maar ook tweetalig

Sommigen kiezen voor het Frans om een nog groter publiek te bereiken, zoals Arno en Kim Kay. Walen kiezen dan weer voor het Nederlands, want de andere kant van de taalgrens lokt. Jo Lemaire en Sandra Kim doen dat met veel bravoure. Maar creativiteit kent geen taalgrenzen en tweetalige liedjes blijken het minstens even goed te doen. Jacques Brel geeft met “Marieke” het voorbeeld, Jean-Louis Daulne met “Zusje (P’tite soeur”) en Pierre Rapsat met “Un dimanche en automne”.

 

Engels

Voor velen blijft evenwel het Engels de taal bij uitstek voor een succesvolle internationale carrière. Soulsister, Vaya con Dios en Hooverphonic bewijzen dat ten overvloede.

 

“Belgian Sound”

Een begrip in de elektronische muziek. Daarvoor zorgen Technotronic, 2 Unlimited, Front 242

 

Show

Muziek en show zijn vaak onlosmakelijk verbonden. Een gesmaakt huwelijk van fantasie, humor en dynamiek trekt tal van enthousiaste toeschouwers naar optredens van Annie Cordy, Urbanus, Sttellla en Eddy Wally.

 

Pop en Rock

De Belgische oogst aan internationaal talent is soms indrukwekkend. Met magistrale composities veroveren Machiavel, K’s Choice, dEUs, Venus, TC Matic, Ozark Henry, Hooverphonic, Novastar en vele anderen de buitenlandse podia.

 

Instrumentaal

Belgi√ę heeft ook op dat vlak een meer dan degelijke muzikale traditie. Wim Mertens, Luc Baiwir, Marc Moulin of Francis Goya zijn tot ver over de grenzen bekend.

 

Hits

Enkele Belgische successen schoppen net tot mondiale monsterhits. “Dominique” van Soeur Sourire haalt een notering in de Amerikaanse charts, “Tombe la Neige” van Adamo is in Japan een traditional. Voor “Bluesette” (Toots Thielemans), “La Playa” (Jan van Wetter), “La petite valse” (Jo Heine), “Early bird” (Andr√© Brasseur) duurt net internationale sprookje eigenlijk nog voort. “Marina”, “√áa plane pour moi”, “Pump up the jam” en “Born to be alive” kan je nog dagelijks in net buitenland horen.

 

Pure po√ęzie

Julos Beaucarne, Philippe Lafontaine, Adamo, JohanVerminnen en Jan De Wilde componeren pure po√ęzie, met gretige afzet daarenboven.

 

Kids

Met jonge grut vindt zijn gading in shows of televisie-uitzendingen op zijn maat. Christian Merveille, Mamemo, André Borbé, Blabla, Tik Tak, Samson en Gert kluisteren kids op hun stoel.

Wist je … dat Francis Goya dagelijks meer dan 1000 cd‚Äôs verkoopt in Rusland?

Iedereen kent de Vlaamse charmezanger Eddy Wally als dusdanig. Zijn opmerkelijke¬† outfits, waaronder creaties van¬† de¬† kleermaker van Elvis Presley, dragen niet weinig bij tot zijn populariteit. Wally is inderdaad bekend tot over de Chinese muur, t√īt over het vroegere ijzeren gordijn en zelfs in Las Vegas. In 30 jaar verkoopt hij 4 miljoen albums en maakt hij van zijn huis een museum ter meerdere eer en glorie van… Eddy Wally.

Sttellla, alias de excentrieke Jean-Louis Fonck, is een meester in de edele kunst van de spot, met onnavolgbare “Belgische” woordspelingen en potsierlijke vermommingen. De tournee na het album “Il faut tourner l’apache” zorgt voor absoluut plezier en een overeenstemmend humeur¬† tot¬†¬† in de Verenigde Staten toe.

In de loop der jaren heeft de Belgische muziekindustrie zoveel succesnummers gecre√ęerd¬†¬†¬† (“Daydream”, “Vogeltjesdans”, “Kingston Kingston”, “Tim”, “Lena”, “Rin ring l’ve got to sing”…) dat een volledige opsomming onmogelijk is. Al helemaal onverantwoord zou het zijn een hi√©rarchie van artiesten te willen opstellen. Met alle voorzichtigheid die geboden is en rekening houdend met genre, taal en p√©riode, kan je misschien volgende (subjectieve) top-20 van artiesten distilleren: Adamo, Arno, Jacques Brel, Clouseau, Annie Cordy, Hooverphonic, K’s Choice, Philippe Lafontaine, Lio, Helmut Lotti, Machiavel, Maurane, Pierre Rapsat, Axelle Red, Soulsister, Technotronic, Will Tura, Raymond van het Groenewoud.Vaya con dios, Zap Mama.

En als je het bij √©√©n enkele naam moet houden, dan¬† blijft allicht die van Jacques Brel overeind¬† jarenlang overheerst hij net chanson in Belgi√ę en viert hij triomfen in de verste uithoeken van de wereld. Brel is een keerpunt in de Belgische geschiedenis van het lichte lied. De onvergetelijke componist en zanger tekent voor liedjes als “Ne me quitte pas”, waarvan niet minder dan 270 verschillende covers bestaan in deVerenigde Staten.

SCHILDERKUNST

 

Tijdens de 15de eeuw kent de Primitieve kunst een artistieke s bloei die alleen in Itali√ę ge√ęvenaard wordt. Gelijk met de prestigieuze verluchtingstraditie kent deze kunst een enorme¬† ontwikkeling in deze periode, vooral door toedoen van Jan van Eyck. Deze wordt waarschijnlijk in 1390 geboren en sterft in Brugge in 1441.

Zijn meesterwerk, de polyptiek van het Lam Gods, bevindt zich nu in de Sint-Baafskathedraal te Gent. De bovenste zeven panelen tonen God de Vader, de Maagd en Johannes de Doper, links en rechts geflankeerd door twee groepen engelen en de figuren van Adam en Eva. De vijf pane­len onderaan stellen in het midden het Lam voor dat zijn bloed offert op het altaar. Verschillende groepen van personages komen er naar toe: profeten, apostelen, pausen en bisschoppen, martelaren en maagden, eremijten en pelgrims. Blijkbaar is het onderwerp terug te brengen tot de Allerheiligenliturgie en voornamelijk tot een passage van de Apocalyps van Sint-Jan.

De kunst der Vlaamse Primitieven onderscheidt zich door een aantal karakteristieken. Op de achtergrond is er bijvoorbeeld een landschap met tal van anekdotische elementen. Er is ook altijd een spel tussen buiten- en binnenkant, een heel complex samenspel van ruimte en gezichtsvelden. Het perspectief is nog niet mathematisch maar legt de nadruk op vluchtlijnen en r√©alisme, alsof men voor een spiegel staat. De behandeling van weerspiegelingen op de spiegels, weerkaatsende oppervlakken, glazen, metalen, edelsmeedkunst en wapenrustingen is buitengewoon goed verzorgd. De kunstenaar concentreert zich op de d√©tails en een minutieuze weergave van all√© facetten van de werkelijkheid, soms enkel gewapend met een paardenhaar dat dienst doet als penseel. Mensengezichten, dierenvachten, begroeiing, textielvezels, de textuur van hout en steen worden zo geschilderd. Een laatste kenmerk van de Vlaamse Primitieven vormt de doorschijnende dekverflaag die samengesteld is uit sneldrogende oli√ęn. De schilder brengt op de drager, meestal een houten paneel, een grondlaag aan die naar wit neigt. Daarop komen de verschillende lagen, kleuren die bijeengehouden worden door een bindmiddel en de sneldrogende component die het drogen bevordert.

 

Pieter Bruegel krijgt zijn artistieke opleiding in Antwerpen bij Pieter Coecke Van Aelst. In 1551 wordt hij vrije meester bij de Antwerpse schildersgilde Sint-Lucas. Als hij terugkeert van een reis in Italie en Frankrijk brengt hij een hele reeks van tekeningen en schetsen mee die ge√Įnspireerd zijn door zijn verblijf aan de andere kant van de Alpen. Hij werkt toto 1563 in Antwerpen bij de bekende uitgever van etsen Hi√ęronymus Cock en vestigt zich dan definitief in Brussel. In zijn eerste werken bemerkt men de invloed van Jeroen Bosch: nauwkeurige observatie van de natuur, een overvloed aan details, de zin voor het fantastische en de keuze van de personages. Hij ondergaat ook invloed van de Antwerpse landschapsschilders van zijn tijd en is duidelijke sterk ge√Įnteresseerd in wat er dagelijks rondom hem gebeurt. De Volkstelling te Bethlehem en de Kindermoord te Bethlehem hebben eigenlijk te maken met het trieste lot der Vlamingen die door Spanje verdrukt worden. Ook al lijkt zijn schilderkunst episodisch en anekdotisch, zij is wel degelijk doordongen van de menselijke realiteit die vaak bitter is en vol tegenstellingen. Zijn weergave van volkse gewoonten en gebruiken is een voorwendsel tot satire, eens zacht, dan weer wreed. De boeren zelf worden “getekend” door het groteske van de situaties waarin het burleske van Vlaamse zegswijzen opduikt. Bruegel behandelt ook allegorische thema’s en belangrijke onderwerpen uit de gewijde geschiedenis, zoals de Toren van Babel of de Kruisiging. Zijn doeken tonen altijd Europese landschappen, met een bewonderenswaardig genuanceerd en gevarieerd gevoel voor de natuur. En dit zowel voor een onbewogen decor of als schildering van de natuur zelf zoals in zijn reeks over de Maanden, waarvan slechts vijf doeken overgebleven zijn. Bruegel is een bewonderenswaardige specialist van de kleuren, waarmee hij all√© sfeerwijzigingen met een zeldzame gevoeligheid weet te vatten. Hij geniet in zijn tijd van een immense roem maar die ver-dwijnt langzaamaan totdat hij quasi vergeten is in de 18de en 19de eeuw. Door zijn grote land¬≠schappen en zijn laatste genredoeken ligt hij evenwel aan de basis van een heel nieuwe kunst die ook helemaal nationaal is, waardoor hij de Vlaamse schilderkunst bijna een hele eeuw lang be√Įnvloedt.

 

Jeroen Bosch

Bosch wordt omstreeks 1450 geboren, waarschijnlijk in ‘s Hertogenbosch, maar verblijft meermaals in Antwerpen. Zijn invloed wordt snel merkbaar bij Vlaamse schilders als Jan Mandyn en Pieter Huys. Zijn werken worden bevolkt door monsters en fantastische uitvindsels die een ode vormen aan de waanzin, de menselijke goedgelovigheid, de zucht naar vermaak, de zedenverwildering en die vooral deugd en ondeugd, wijsheid en dwaasheid tegenover mekaar stellen.

Zijn werk ligt in de lijn van de Vlaamse Reinaert de Vos, de Germaanse Tijl Uilenspiegel en het Norrenschift van S√©bastian Brant en heeft minder te maken met een geheime tovenaarsapologie. De fantastische kunst van Jeroen Bosch en zijn volgelingen is perfect verstaanbaar voor mensen van zijn tijd maar is slechts in geringe mate door ons te vatten. Op dit paneel zijn er complexe verwijzingen naar magische praktijken, volksgebruiken, dieventaal, tarot en alchemie. Het is waarschijnlijk een originele voorstelling van Sint-Christoffel. In de kuntsgeschiedenis is deze regelmatig te zien als hij door het water waadt met Jezus op zijn schouders, niet zelden omgeven door dreigen-de beesten. Vaak staat een heremiet op de oever met een lamp a√Įs baken. In dit werk worden de traditionele iconografische details weergegeven op de wijze van Jeroen Bosch, met tal van lelijke creaturen. Eerst zwaait de heremiet aan de linkerkant heftig met zijn lamp om de monsters te verjagen die hem aanvallen. Sint-Christoffel staat in al zijn grootheid aan de rechterkant. Hij heeft de aanvallers reeds klein gekregen en die liggen voor hem. Zijn enorme stok ligt links van hem. Het lijkt er sterk op dat de reus op net signaal van Jezus wacht om hem naar de andere oever te bren-gen. Opvallend is ook de vis aan zijn gordel. Dit karakteristieke attribuut staat ook op de stok in de compositie van Sint-Christoffel van Jeroen Bosch die zich in het Museum van Rotterdam bevindt.

 

Joachin Beuckelaer, omstreeks 1540 in Antwerpen geboren, lijkt wel een getuige van de welstand van geboortestad. Zijn werk is een opeenstapeling van levensmiddelen, die dikwijls ge√ęist worden door het cli√ęnteel, en van tal van personages met nauwelijks ingehou-den sensualiteit. In zijn meesterwerken, zoals Marktafereel (Rocockx huis in Antwerpen), de

Gevogeltemarkt (Gent), Christus bij Martha en Maria (Brussel) of De groentenverkooftster (Valenciennes), stelt Beuckelaer groen in contrast met vermiljoen en geel met bruin. Hij is een leerling van Pieter Aertsen maar heeft niet zoveel succ√®s. Tijdens zijn leven is hij voor sommigen “een kleine Aertsen”, toch wel een onderschatting van zijn talent. En in 1604 blijkt dat “de talrijke werken die hij geproduceerd heeft voor een kleine som pas na zijn dood op hun juiste waarde geschat worden en dat zij momenteel twaalfmaal hun prijs van toen waard zijn.” Beuckelaer werkt alleszins in het atelier van Antonio Moro om de eindjes aan mekaar te kunnen knopen en schildert daar de kleren van de beroemde portretten.Toch blijkt uit teksten dat Italiaanse edelen enkele van zijn werken kopen als zij doeken bestellen bij Pieter Bruegel.

 

Pieter Paul Rubens: de uitstraling van de Barok

Hij wordt geboren in Siegen in 1577, begint op jonge leeftijd in het atelier van schilder Adam Van Noort en dan bij OttoVenius, waar al snel zijn talent voor schilderen, tekenen en etsen blijkt. Hij treedt in 1598 toe tot de gilde van Sint-Lucas te Antwerpen en gaat dan naar Itali√ę om zijn opleiding af te werken en kennis te maken met de grote meesters van over de Alpen. In dienst van de Hertog van Gonzaga te Ferrara, reist hij door heel Italie, bezoekt hij de grote verzamelingen en maakt hij kennis met het werk van de grote d√©corateurs. Hij geraakt onder de indruk van het dramatisch lichtbijTintoretto.de ensceneringvanVeronese en de precisie van Annibale Carracci.Vanaf 1603 wordt hij een belangrijk diplomaat, met o.m. een missie naar Madrid waar hij in het Escortai de verzameling van de Habsburgers kan bewonde-ren. Hij krijgt steeds meer opdrachten en hij wordt alsmaar bekender in heel Europa. In 1609 keert hij terug naar Antwerpen en start een atelier op, een echte schilderfabriek, naast zijn woonhuis aan de Wapper.Vanaf 1610 begint hij in de kathedraal van zijn woonplaats aan een van de meesterwerken van de schilderkunst: De Kruisoprichting, en het jaar daarop De Kruisafneming. In 1620 zorgt hij voor de hele decoratie van de Carolus Borromeus-kerk in Antwerpen. En √©√©n jaar later krijgt hij de belangrijkste opdracht van zijn leven, vermits de Franse koningin Maria de Medici hem vraagt de h√®le decoratie van het Paleis van Luxemburg in Parijs voor zijn rekening te nemen. De eenen-twintig doeken van het toenmalige grote salon vormen nu een der parels van de Louvre. Hij herneemt nadien zijn activiteiten al diplomaat tussen Madrid, Parijs en Londen. Zijn roem als schilder en als politicus groeit nog. De koning¬† van Engeland slaat hem tot ridder en de Spaanse vorst benoemt hem tot secretaris van de Raad der Nederlanden. Vanaf 1630 besluit een vermoeide Rubens in het kasteel Met Steen te Elewijt voortaan alleen nog te schilderen. Hij huwt de 17-jarige H√©l√®ne Fourment die hem 5 kinderen schenkt. Rubens is buitengewoon intelligent (hij spreekt zeven talen en schrijft heel wat werken) en weet zich te omringen met de beste medewerkers die ook bijdragen tot de Antwerpse Gouden Eeuw, zoals Van Dyck, Jordaens en de fluwelen Bruegel. Hij schildert all√© genres: portretten, landschappen, geschie-denis, mythologie, godsdienst maar vernieuwt die ook. Deze doeken en schetsen bewijzen zijn creatieve kracht en zijn barokke genie. Hij overlijdt thuis in Antwerpen in 1640.

Judith en het hoofd van Holofernes is een der eerste werken van de Antwerpse meester. Het is ook het eerste dat Rubens laat uitvoeren in gra¬≠vure door Cornelis Galle. Rubens kent inderdaad de graveerateliers van Rome en Antwerpen. Als hij terugkeert uit Italie in 1608 beslist hij zijn werken te publiceren in gravures. Met een dubbel doel voor ogen: enerzijds meer bekendheid dankzij de grote oplage van gravu¬≠res en anderzijds uit financi√ęle overwegingen. Vermeld werk stoelt rechtstreeks op Rubens’ compositie en Galles gravure. Dit gebeurt vaak tijdens de Antwerpse Gouden Eeuw.

 

Midden 19de eeuw blinkt “troubadour” Hendrik Leys uit in de historische schilderkunst. Hij studeert aan de Antwerpse Academie voor Schone Kunsten en valt onmiddellijk op omwille van zijn virtuositeit. Hij maakt de Revolutie van 1830 mee en begint de helden en historische gebeurtenissen van de nieuwe Staat te schilderen. In 1845 vraagt de Staat hem een roemrijk moment op doek vast te leggen en Leys beslist de eerste mis in de Antwerpse kathedraal na de beeldenstorm te schilderen. Tal van kunstenaar in zijn dagen kiezen onderwerpen uit de Middeleeuwen, de Renaissance en de 17de eeuw. Dat heeft te maken met de romantiek in de litteratuur, een romantische en sentimentele stroming, die o.m. gestimuleerd wordt door het werk van Victor Hugo. Leys gaat regelmatig naar Parijs waar hij Eug√®ne Delacroix ontmoet en kennis maakt met het Mus√©e des Monuments fran√ßais van Alexandre Lenoir dat een pittoreske voorstelling geeft van de Mideleeuwen.

Leys houdt van kleinere formaten en gebruikt soms een houten drager zoals in de Middeleeuwen. Hij schildert typische middeleeuwse personages en sc√®nes uit het dagelijkse leven van de Middeleeuwen tot in de 17de eeuw. Hij kiest ook voor thema’s uit het artistieke verleden van ons land en maakt vaak pastiches van Cranach, Holbein en Durer. Hij schildert met raffinement en realistisch klederen, meubelen en architectuur. Hij gebruikt warme, schitterende kleuren die perfect passen bij zijn minutieus penseel.

 

Jacob Smits

Hij wordt in Rotterdam geboren in 1855 en zijn carri√®re begint in Nederland. Hij volgt les aan de Academie voor Schone Kunsten in Rotterdam. Omstreeks 1880 vindt hij snel werk als directeur in Haarlem en krijgt hij zijn eerste grote opdrachten van het Museum Boymans-Van Beuningen in Rotterdam. Nadat hij rijk getrouwd is, gaat hij nog meer op reis in Duitsland, Oostenrijk en Italie. In 1888 heeft hij genoeg van de mondaine wereld en wil hij naar het platteland. Hij vestigt zich in Mol-Achterbos. De Kempen hebben de industri√ęle trein gemist en staan bekend als een der hardste, armste en achterlijkste streken van Vlaanderen. Vanaf zijn verblijf in de regio zal Smits bij zijn naturalistische onderwerpen blijven en schildert hij het harde leven op het plat¬≠teland. Zijn doeken drukken een sterke religiositeit uit, onveranderlijke tradities, het harde gevecht van de mens en de grond, de sterke kracht van de landschappen en een melancholische en harde kijk op het platteland. Zijn ruimten zijn opgebouwd met strikte verticale en horizontale elementen. Smits schildert onbeweeglijke en ernstige figuren, voornamelijk in zwart en grijs, met enkele warme tonen. Zijn nerveuze schilderhalen analyseren maar summier de vormen en zijn vrij bewegend penseel doet net oppervak opleven met ruwe trekken.

 

Baron volgt les aan de Antwerpse Academie vooraleer hij een groep sticht in Kalmthout, die later uitgroeit tot de Dendermondse school. Deze kunstenaars willen de landschapskunst bevrijden van de academische formules. In 1868 sticht Th√©odore Baron de Soci√©t√© Libre des Beaux-Arts de Bruxelles, een kun-stenaarsgroep die keuzevrijheid eist en de historische schilderkunst verwerpt. Constantin Meunier, F√©licien Rops, Louis Artan en Alfred Verw√©e volgen daarin Baron. Hetzelfde jaar raakt hij bevriend met Camille Lemonnier en verblijft hij in diens huis in Profondeville. De Maasvallei, Lesse, M√©haigne, Molign√©e en Hoyoux charmeren hem. Tot 1882 reist Baron door Europa en verblijft ondermeer in Fontainebleau waar hij be√Įnvloed wordt door Th√©odore Rousseau, leider van de school van Barbizon. Hij sluit zijn carr√®re af aan de Acad√©mie van Namur, eerst als docent en vervolgens als directeur. Zijn werk maakt deel uit van de opvallend bloeiende landschapsschilderkunst in de 19de eeuw. De mechanisering en het ontstaan van grote, ontmenselijkte steden dwingen tal van schilders t√īt een vlucht uit de beschaving en het schilderen van “stukken natuur”. De kunste¬≠naars breken zodoende met de traditie van het historisch landschap en refereren vaak naar het Hollandse landschap van de 17de eeuw.

Tijdens hun wandelingen merken de landschapsschilders rotsen en bomen op. De Maasvallei wordt een onuitputtelijke inspiratie-bron voor meerdere generaties van artiesten. De meanders, weelderige landschappen en sensuele aarde zorgen voor vaak bucolische schilderijen. Zij geven een lichte omgeving weer en de voorbijgaande weerkaatsingen van de zon. Met palet gebruik bruinschakeringen, geel en donkergroen. De dikke kleurlaag vat het licht en een vrije toets verraadt de emotie van het schilderij.

 

Frans Courtens

Hij wordt geboren in Dendermonde¬† in 1854. Op jonge leeftijd bewondert hij de landschappen van Baasrode, Bornem, Hingene, Waasland en Temse. Hij verlaat nooit deze visie op de natuur en blijft trouw aan de realistische traditie van de Belgische school. Courtens volgt nadien les aan de Acad√©mie van Dendermonde en trekt naar Brussel. Hij frequenteert er l’Art libre met Charles De Grouw, Louis Dubois en F√©licien Rops. Hij houdt van stilte en onbeweeglijkheid en dus blijven duinen, bossen, weiden, dorpen en bloemenvelden (cfr. vermeld werk) zijn geliefkoosde onderwerpen. Hij exposeert in Belgi√ę en net buitenland, zoals te Parijs, Londen, M√ľnchen, Veneti√ę en Barcelona. In 1920 verleent koning Albert I hem de titel van baron. Frans Courtens sterft te Brussel in 1943.

 

 Emiel Claus

Claus voelt zich op jonge leeftijd aangetrokken tot de schilderkunst. Na tekenlessen te Waregem

volgt hij vanaf 1869 les aan de Antwerpse Academie die dan geleid wordt door Nicaise De Keyser. Claus specialiseert zich in landschappen. In 1874 verlaat hij de Academie en vestigt zich eerst in Antwerpen waar hij portretten en realistische en verhalende atelierdoeken en genrewerken schildert. In 1886 komt er een wending in zijn carri√®re als hij zijn intrekt neemt in “Zonneschijn” aan de boorden van de Leie in Astene, dichtbij Deinze. Camille Lemonnier moedigt hem aan afstand te nemen van de academische vormen, naar buiten te trekken om daar te schilderen en vooral om lichtere kleuren te gebruiken. Claus wordt dan meer en meer een lichtschilder. Zijn verblijven in Parijs in 1889 en 1892 bepalen dan definitief zijn stijl. Vergelijkbaar met de doeken van Claude Monet, wordt Claus’ werk het belangrijkste impressionistische in Belgi√ę, samen met dat van Th√©o Van Rijsselberghe. Innovaties op het gebied van materialen komen het werk buiten ten goede. De ezel is lichter en de verf in zinktubes kan makkelijk worden meegenomen. Claus schildert in snel tempo meerdere tableaus om efemere sensaties vast te leggen. Hij ondergaat beweging, natuur, moderniteit en zo schildert Claus op impressionistische wijze bruggen, boten, sloepen, zeilschepen, lucht, wolken, water en reflecties. Hij gebruikt de spectrale kleuren van de zon: blauw, geel, rood (primaire kleuren), oranje, violet en groen (complementaire kleuren), evenals tussenschakeringen en wit. Hij sluit grijs en zwart uit, vervormt re√ęle tonen en kleurt de schaduwen. Hij mengt niet op zijn palet en verdeelt heldere en duidelijke kleuren op het doek. De kleuren worden op afstand in het oog van de toeschouwer gemengd.

 

Guillaume Vogels

Hij wordt in 1836 te Brussel als zoon van een arbeider geboren en wordt dat ook op heel jonge leeftijd. Op 19 gaat hij drie jaar tekenles volgen aan de Brusselse Academie. Eerst is hij schilder van gebouwen, nadien wordt hij decorateur.

Tijdens een verblijf in Parijs in de zestiger jaren ontdekt hij de school van Barbizon en beslist hij tot een artistieke carrière. Al in 1874 neemt hij met succès deel aan de Triennale van Gent.

Vervolgens komen de Salons Chrysalide in 1878, samen met Artan, Boulenger en Courbet.

Nadien net Salon de Paris in 1881 en de XX in 1883 als stichtend lid. 

Hij is bevriend met James Ensor en legt zich toe op landschappen, op de nuances en veranderingen in de natuur. Hij gebruikt subtiele en geraffineerde tonen om, met passie en enige lyriek, stadsbuurten, schepen, stillevens en bloemen weer te geven.

Na de ontbinding van XX, neemt Vogels deel aan de activiteiten van Libre Esth√©tique. Hij sterft op zestigjarige leeftijd. Octave Maus schetst volgend portret van hem: “Een vrolijke kompaan, geestdriftig en rabelaisiaans”.

 

Rik Wouters wordt op 21  augustus 1882 in Mechelen geboren.  Hij bekwaamt zich in de beeldhouwkunst in het meubelatelier van zijn vader. Dan volgt hij tekenles aan de Mechelse Academie, vooraleer hij naar Brussel trekt in 1902. Hij wil er modelleren volgen bij beeldhouwer Van der Stappen.

In het begin koestert Wouters grote bewondering voor James Ensor en schildert stillevens en intérieurs met hetzelfde parelmoerachtige licht als bij de Oostendse meester. Hij maakt dan heel veel aquarel, houtskool, naaktstudies en portretten.

In 1912 gaat hij voor het eerst naar Parijs en ontdekt er het werk van Renoir en C√©zanne. Hij is onder de indruk en schrijft aan een vriend: “Alle schilders en zelfs de oude meesters vallen in het niets bij C√©zanne en ik meen steeds meer dat je de natuur moet behandelen zoals hij dat doet.” In hetzelfde jaar kan hij exposeren in de Galerie Georges Giroux, die de exclusiviteit op zijn werken neemt en hem materi√ęle zekerheid biedt. Dat wordt meteen zijn vruchtbaarste p√©riode. Wouter schildert tal van doeken, waaronder het vermelde schilderij, die postimpressio-nistisch aandoen en naar het fauvisme neigen. Hij wordt in Belgi√ę de bekendste fauvist. In al zijn werken overheersen schitterend licht en buitengewone vreugde. Hij maakt ook alsmaar meer prestigieuze sculpturen. De Eerste Wereldoorlog brengt hem met zijn bataljon in een kamp in het Nederlandse Amersfoort. Hij wordt ziek en opgenomen in een Utrechts ziekenhuis. De vreugde maakt in zijn werken nu plaats voor gekiaag, angsten en een √©norme ellende. Rik Wouters vestigt zich in juni 1915 met zijn vriendin Nel in Amsterdam. Na een lange lijdensweg overlijdt hij op 1 juli 1916, amper 34 jaar oud.

 

Anne-Pierre de Kat

Evenals Jacob Smits is de Kat van Nederlandse origine. Hij studeert achtereenvolgens aan de¬† Academies voor Schone Kunsten van Den Haag, Cent en Brussel. In de hoofdstad leert hij de fauvist Rik Wouters ken-nen. Samen met hem exposeert hij in de Galerie Georges Giroux, waar in 1912 het Brabants fauvisme wordt voorgesteld. Na zijn inzet in de Eerste Wereldoorlog blijft de Kat de fauvistische lijn volgen. Deze vernieuwende stroming krijgt overigens haar naam van de journalist Louis Vauxcelles die de vertegenwoordiger ervan als “fauve” (wild) bestempelt. Zoals DeVIaminck, Derain, Matisse en Marquer wil de Kat kleur en haar verband met het voorwerp scheiden en de expresseve kracht van de kleuren bevrijden.Als reactie op de visuele sensaties van het impressionisme, blijven de fau¬≠vistische onderwerpen, landschappen, naakten en portretten figuratief maar worden vereen-voudigd. Zoals in vermeld schilderij, waarin het onderwerp weergegeven wordt door zuivere kleurenvlakken die vaak heftig en intens helder zijn. De witte appretuur versterkt vaak de intensiteit van de kleuren.

Na een vruchtbare  maar miskende carrière sterft de Kat in 1968 in het Franse La Frette.

 

Constant Permeke wordt in 1886 in Antwerpen geboren, waar ook zijn carri√®re begint. Tijdens zijn studies aan de academies van Brugge (1903) en Gent (1905) sluit hij vriendschap met Frits van den Berghe en Gustaaf De Smet. Zij ondergaan mekaars invloed en Permeke evolueert van impressio-nisme naar een soort van monumentaal expressionisme, met een voorliefde voor landelijke thema’s. Dit brengt hem ertoe de school van Sint-Maartens-Latem te frequenteren, een pre-expressionistische groep in Vlaanderen. Hij werkt tevens in Oostende waar hij in contact komt met Spilliaert en Ensor. Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog wordt hij zwaar gewond en overgebracht naar Groot-Brittanni√ę. Na de oorlog keert hij terug naar Oostende om zich vervolgens definitief in Jabbeke te vestigen. Tijdens het Interbellum blijft hij bij zijn landschappen, boerenportretten en landelijke thema’s. Zijn werken geven de realiteit van het Vlaamse platteland weer en verheerlijken boeren en zeelui. Permeke zoekt naar universele thema’s, zoals de gehechtheid aan de grond, het moederschap en het trieste menselijke lot. Hij brengt d√©tails tot het mini¬≠mum terug om in zijn werken een haast monu¬≠mentale expressiviteit te leggen. Hij sterft op 4 januari 1952 in Oostende. Een huis te Jabbeke dat door de kunstenaar is ontworpen, herbergt nu het Provinciaal Museum Permeke.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vindt Permeke een tweede adem. Zijn landschappen zijn onstuimig, krachtig en buitengewoon expressief. De contrasten zijn zeer scherp en geslaagd. Hij stelt de verzorgde en geraffineerde behandeling van de wolk tegenover de haastigheid in het onderste deel. Het grijs, wit en oranje van de hemel vormen een antwoord op het levendige groen en geel van het veld aan de einder.

 

De invloed van Sint-Martens-Latem

Frits van den Berghe volgt samen met L√©on De Smet en Albert Servaes les aan de Academie van Gent. Vanaf 1902 is hij vaak in Sint-Martens-Latem, de wieg van het Vlaamse expressionisme. Hij wordt in 1908 zelf docent aan zijn vroegere school en schildert eerst impressionistische werken, be√Įnvloed door Emiel Claus. De Eerste Wereldoorlog gooit zijn bestaan overhoop, en a√Įs vader en a√Įs docent. Hij verlaat eerst het land om naar deVS te gaan en vestigt zich nadien in het Nederlandse Blaricum. In die turbulente jaren sluit hij vriendschap met de expressionistische schilder Gustaaf De Smet. In Nederland maakt hij kennis met de composities van Vincent Van Gogh, Marc Chagall en Franz Marc. De invloed van het expressionisme gaat zijn werk meer en meer kleuren. Dit werk getuigt alvast van deze overgangsperiode. De sombere kleuren komen nog van het vroegere acad√©misme. Tegelijk zijn het opduiken van levendige rode en blauwe kleuren en de geometrische schematisering uitingen van een beginnend expressionisme bij van den Berghe.

Net zoals Gustaaf De Smet en Constant Permeke uit Frits van den Berghe vervolgens alle facetten van het expressionisme. Zijn drukkende en agressieve werken tonen een lachwekkende en pathetische mensheid. Zij tonen onverhuld de fysieke en morele armoede. De personages nemen het voorplan in. De trekken zijn summier en suggereren het drama door sommige anatomische elementen te vervormen of te vergroten. De tekening is eenvoudig en bakent op strikte wijze de vormen af. De lijnen zijn vaak gebroken om de emotie aan te scherpen. Zijn doeken gebruiken heftige kleuren waarbij bevuilde tonen, zoals grijs en zwart, domineren. De penseelstreken zijn soms brutaal en laten sporen, littekens na die dik en ruw zijn.

Tegen het einde van zijn carrière ondergaat Frits van den Berghe de invloed van Max Ernst, maar vooral van James Ensor. Hij zal getroffen worden door de maskers en gekwelde personen van de Oostendse meester tot aan zijn dood te Gent in 1939.

Na zijn studies in Gent, vestigt Gustaaf¬† De Smet zich begin 20ste eeuw in Sint-Martens-Latem, net zoals Frits van den Berghe. Hij kent eerst een impressionistische fase, be√Įnvloed door Emiel Claus. Voor de EersteWereldoorlog neigt hij naar het symbolisme maar het conflict dwingt hem naar Nederland te vluchten, waar hij de Duitse expressionisten en de Franse kubisten leert kennen. Zijn veelvuldige contacten met Heinrich Campendonk en Henri Le Fauconnier be√Įnvloeden zijn oeuvre door de introductie van vervormingen en hevige kleuren. In de twintiger jaren realiseren de werken van De Smet een originele synth√®se tussen kubisme en expressionisme. Hij is bijzonder productief in deze periode, met een toename van zijn voorkeursthema’s: de vrouw, buiten- en stadslandschappen, kermissen en circus. In 1936 zorgt een retrospectieve voor een welverdiende roem, evenals publieke en priv√© erkenning. De laatste jaren van zijn leven wijdt hij zich aan kleine formaten met eenvoudige onderwerpen, zijn studies in Cent, vestigt Gustaaf De Smet zich begin 20ste eeuw in Sint-Martens-Latem, net zoals Frits van den Berghe. Hij kent eerst een impressionistische fase, be√Įnvloed door Emiel Claus. Voor de Eerste Wereldoorlog neigt hij naar het symbolisme maar het conflict dwingt hem naar Nederland te vluchten, waar hij de Duitse expressionisten en de Franse kubisten leert kennen. Zijn veelvuldige contacten met Heinrich Campendonk en Henri Le Fauconnier be√Įnvloeden zijn oeuvre door de introductie van vervormingen en hevige kleuren. In de twintiger jaren realiseren de werken van De Smet een originele synthese tussen kubisme en expressionisme. Hij is bijzonder productief in deze periode, met een toename van zijn voorkeursthema’s: de vrouw, buiten- en stadslandschappen, kermissen en circus. In 1936 zorgt een retrospectieve voor een welverdiende roem, evenals publieke en priv√© erkenning. De laatste jaren van zijn leven wijdt hij zich aan kleine formaten met eenvoudige onderwerpen, landschappen en vrouwelijk halfnaakt.¬† De grafiek wordt ronder en de kleuren zachter. Gustaaf De Smet sterft in Deurle in 1943.

 

James Ensor

Hij is de zoon van een anticonformistische vader en een Oostendse moeder die zijn artistieke carri√®re niet bepaald aanmoedigt. De jonge Ensor groeit op in Oostende temidden van schelpen, chinoiserie√ęn, glazen snuisterijen en opgezette dieren in de winkel van de famille. Na een eerste initiatie aan de Academie van zijn geboortestad, volgt hij van 1877 tot 1880 les aan de Acad√©mie voor Schone Kunsten te Brussel. Hij raakt bevriend met medestuden-ten, zoals Khnopff, Finch, Van Rijsselberghe, Hanon en met een aantal intellectuelen, zoals Demolder en prof. Rousseau die de anarchisti-sche snaar van de jongeman beroert. Eenmaal terug in Oostende, waar hij nog zelden zal weggaan, trekt hij zich terug onder het fami¬≠liale dak en maakt de eerste meesterwerken. Die eerste doeken wekken al sarcasme en onbegrip.

In 1888 schildert hij als 28-jarige het meesterwerk de Intrede van Christus in Brussel dat bewaard wordt in de Stichting Getty van Malibu. In 1894 wordt hem gevraagd in Parijs te exposeren maar het wordt geen succès en dat ver-sterkt zijn mensenhaat en misprijzen voor de mensheid.Vanaf het einde van de eeuw en op het ogenblik dat zijn genie erkend wordt, boert de inspiratie van de kunstenaar achteruit. De productie slabakt en Ensor neigt naar herhaling.

Zoals in vermeld doek, staan schelpen en snuisterijen, folkloristisch of eerder bizar, naast het klassieke, de rococo, het parelmoeren licht, de chinoiserie√ęn en de glazen snuisterijen. James Ensor blijft trouw aan deze onderwerpen die uit de ouderlijke winkel komen. Rond 1910 organiseren Rotterdam en Antwerpen een retrospectieve en bij het begin van de twintiger jaren kopen de koninklijke musea van Brussel en Antwerpen doeken van de meester. In 1929 neemt Ensor de Belgische nationaliteit en krijgt hij de titel van baron. In hetzelfde jaar organiseert het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel een grote retro¬≠spectieve van zijn oeuvre. Hij overlijdt, overladen met een in 1949 te Oostende.

 

Jane Graverol wordt in 1905 in Elsene geboren. Zij krijgt een muzikale opleiding vooraleer zij de lessen in monumentale schilderkunst gaat volgen bij Constant Montald en Jean Delville aan de Brusselse Academie. Zij exposeert voor het eerst in de galerij Fauconier te Brussel in 1927. Zij is gepassioneerd door Baudelaire, Lautr√©amont en Poe en haar oeuvre ori√ęnteert zich snel naar beeldgedichten en sur¬≠r√©alisme. Deze evolutie versnelt nog na studie van het werk van Di Chirico en de ontmoeting met Ren√© Magritte in 1949. In de vijftiger jaren is er een tentoonstelling bij Lou Cosyn, dankzij Ren√© Magritte en is er de stichting van het gezelschap Temps M√™l√©s met Andr√© Blavier. Deze laatste publiceert in 1953 een tijdschrift dat helemaal gewijd is aan de composities van Graverol, met teksten van Magritte, Mar√Įen, Irine en Louis Scutenaire. Naar het voorbeeld van Paul Delvaux, die de offici√ęle structuur van het surr√©alisme afwijst, treedt Graverol niette-min toe t√īt de groep en ontmoet Andr√© Breton. Hij zet haar ertoe aan een bezoek te brengen aan Marcel Duchamp in New York, wat zij ook doet in 1963.

In navolging van de surrealisten focust Graverols werk op de droom, de inbeelding, het enigma, het mysterie, het ongewone, het potsierlijke en het gemene. De surrealisten respecteren volledig de idee√ęn van Sigmund Freud en leggen ook de nadruk op de droom, met zijn absurde ontmoetingen, vormveranderingen en paradoxale combinaties. Zoals Magritte drukt Graverol haar dromen uit met een fotografisch illusionisme. Het nauwkeurige penseel en de zorg voor het d√©tail verlenen het”surre√ęle” een waarachtig karakter.

 

René Magritte

Hij wordt in 1898 te Lessines geboren. Dit zijn jeugd blijft hem de zelfmoord van zijn moeder  bij. Zij wordt dood gevonden met haar kamerjas over het gezicht. Deze gebeurtenis heeft Magritte sterk aangegrepen en het thema van het bedekte gezicht duikt vaak op in zijn werk. Dikwijls ook zijn er signa-len van depressie en melancholie, een soort van projectie van het levensleed vanwege de moe­der op haar zoon. Magritte studeert schilder-kunst aan de Académie voor Schone Kunsten te Brussel. Zijn interesse gaat uit naar het kubisme en het futurisme maar echt gebonden daardoor wordt hij niet. Zijn kennismaking met het werk van Giorgio De Chirico daarentegen is voor hem een openbaring.

In 1927 staat hij dicht bij de Belgische surrealisten en gaat hij kennismaken met de Parijse vertegenwoordigers van deze stroming, waar-onder Andr√© Breton. Hij ontmoet Eluard, Mir√ī en Dali. Magritte onderhoudt nadien de beste contacten met Belgische en Parijse surrealisten. Na zijn verblijf in Frankrijk blijft hij in Belgi√ę, wat een internationale doorbraak niet in de weg staat. Zijn werk is inderdaad veel revolutionair-der dan het lijkt: het beeld is geen werkelijkheid, wel een illusie, een overbodig schijnbeeld… “Dit is geen pijp”. Dat is alleszins zijn boodschap, de ironie die hij verkondigt. Hij sterft in 1967 na meer dan duizend werken te hebben geschilderd.

In 1935 schildert Magritte deze gouache, waarin wij al meerdere karakteristieke elementen van zijn oeuvre tegenkomen: de trombone uit Met Centrale Verhaal en de Overstroming, de leeuw uit Heimwee, de torso van de vrouw die hij schildert in De Waterdruppel en Als het uur zal slaan. Twee jaar later inspireert Magritte zich hierop om een groot formaat te schilderen voor de Engels verzamelaar Edward James. Vervolgens maakt hij drie grote werken: Op de drempel van de vrijheid, Het rode model en De ge√Įllustreerde jeugd.

Gedurende meer dan 35 jaar verzamelt James meesterwerken van de hedendaagse kunst op verschillende plaatsen in Londen, Italie en na 1940 ook in deVS.

Als hjj 23 is, schrijft Paul Delvaux zich in voor de afdeling architectuur en nadien voor decoratief schilderen bij Constant Montald aan de Academie voor Schone Kunsten te Brussel. Hij is afkomstig van Antheit, dichtbij Huy. Hij concipieert dan de eerste postimpressionistische doeken en schildert enkele sta¬≠tions, een thema dat hij later meermaals behandelt. In de dertiger jaren be√Įnvloeden expressi-onisme en de persoonlijkheden van Permeke en Gustaaf De Smet de jonge kunstenaar. In 1934 neemt zijn carri√®re een definitieve wending als hij op de tentoonstelling Minotaure in Brussel de schilderijen van Chirico, Dali en Magritte ziet en een wereldvisie bespeurt die gebaseerd is op het mysterie.Van dan af ziet hij alleen nog het spoor van het surrealisme. Toch behoort Delvaux nooit officieel tot een groep van surrealisten, wat hen niet belet hem uit te nodigen op hun exposities van 1938 in Londen en Parijs en in 1940 in Mexico. In die p√©riode schildert hij zijn meesterwerken. En zo krijgt hij in 1944 al een retrospectieve in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel. Vanaf 1946 worden zijn stijl en composities meer decoratief. Nadien ondergaat hij de invloed van Picasso.

In de vijftiger jaren maakt Paul Delvaux grote panelen over kruisigingen en begrafenissen, waarin skeletten opduiken, zoals in vermeld werk dat in het Mus√©e d’Art wallon te Li√®ge bewaard wordt. Zijn vele daaropvolgende doeken en tekeningen vinden inspiratie in kinderherinneringen, kleine stations, treinen en schemeringen. Hij gaat definitief in Koksijde wonen waar in 1979 de Stichting Paul Delvaux opgericht wordt. Hij is intussen ge√ęerd in Parijs, Rotterdam.Tokio, Kyoto en Sao Paulo. Hij overlijdt in 1994 in zijn mooi verblijf aan de Belgische kust, dat nu een schitterend mus√©um herbergt, gewijd aan zijn werk.

Louis van Lint wordt in 1909 te Sint-Joost-ten-Node geboren en studeert aan de Academie van zijn geboortestad. Vanaf de dertiger jaren speelt hij een grote roi in het Belgische artistieke leven. Met Anne Bonnet en Gaston Bertrand sticht hij in 1939 La Route libre en in 1941 de groep Apport die jonge kun¬≠stenaars een kans wil geven. In 1946 ligt hij aan de basis van Jeune Peinture en wijdt hij zich definitief aan de abstracte kunst. Deze toont vormen die niet meer de re√ęle objecten van de buitenwereld weergeven. Fauvisme, expressionisme en kubisme zijn verwant aan het abstrac¬≠te maar niet meer dan dat. Het abstracte vormt een breuk in de kunstgeschiedenis.Vermits het niet meer de buitenwereld weergeeft, breekt het met het verleden. De abstracte kunst kent meerdere vormen, gaande van lyriek tot geometrie.

Vermeld werk staat symbool voor de werken van van Lint tijdens de vijftiger jaren. Tegen een felle achtergrond is de compositie gestructureerd rondom zwarte lijnen die kleurenvlekken afbakenen en doorsnijden. In de niet-figuratieve kunst vermengen kubisme, fauvisme en een abstracte vorm zich. De kunstenaars nemen de stijl over van glasramen, brandschildering en middeleeuwse tapijten. Allé werken verliezen hun figuratief karakter om de ruimte uit te drukken.

Pierre Alechinsky wordt in 1927 te Brussel geboren. Hij volgt de lessen van de Ecole nationale sup√©rieure d’Architecture et des Arts d√©coratifs van Terkameren in Brussel. Hij krijgt er onderricht in illustratie, druktechnieken en fotografie. Hij leert vlug Michaux, Dubuffet en de surrealisten kennen. In 1949 ontmoet hij dichter Christian Dotremont die, samen met Karel Appel en Asger Jorn, de bewe-ging Cobra (Copenhagen, Brussel, Amsterdam) heeft opgericht. Hij neemt deel aan de eerste tentoonstelling ervan in Amsterdam. Het jaar 1952 wordt een scharnierpunt voor Alechinsky want hij begint een briefwisseling met de kalligrafe Shiryu Morita in Kyoto. Hij leert ook de Chinese schilder Wallace Ting kennen die een belangrijke invloed op zijn werk zal hebben. In 1955 verdiept hij zijn kennis van de Japanse kalligrafie in Tokio. In 1963 vestigt hij zijn atelier in Bougival, in de omgeving van Parijs. Hij is dan internationaal bekend. Tijdens de zeventiger jaren komen er alsmaar meer tentoonstellingen in Nederland, Brazili√ę, VS, Canada, Zwitserland, Isra√ęl en Frankrijk.

Zijn carri√®re staat in het teken van het zwart, van de kalligrafie en van het contrast. Zijn werken zijn mengsels van schrift en tekening, margi¬≠nale elementen en centrale verhaal, humor en po√ęzie, verbale en plastische verbeelding. Hij werkt op de drager via een lange oosterse penseel. Hij houdt meteen ook een afstand die ten goede komt aan het evenwicht van wat er bewust op de pagina komt. Hij wordt in 1983 docent schilderkunst aan de Ecole nationale sup√©rieure des Beaux-Arts te Parijs en exposeert in Mexico, Montr√©al, New York, Saint-Paul-de-Vence, Madrid, Hannover, Peking, Tunis, Caracas en Taipei. In 1998 maakt Alechinsky een muurschildering in ge√ęmailleerd lava voor de ingang van het nieuwe Th√©√Ętre de Belgique. Hij is nog steeds actief in zijn atelier te Bougival.

 

STRIPVERHALEN

 

Belgische strips vind je zowat overal ter wereld. Dat op zich is al een enorme verdienste. Met talent blijft zich echter aanmelden en, samen met de vaste waarden, zorgt dit voor een rist aan helden die makkelijk een telefoon-boek vult. Enig chauvinisme is voor eenmaal toegelaten.Want a√Įs je ons stripverhaal op zijn culturele waarde doorlicht, dan kan je enkel maar erkennen dat het getuigt van een opval-lende rijkdom. Wie dit durft ontkennen, beseft geeneens dat onze papieren helden zowat over¬≠al ter wereld Belgi√ę cultureel op de kaart hebben gezet. En zelfs enigszins verduidelijken…

¬†Het jonge volkje haalt dus zijn hart op aan de spetterende avonturen van Robbedoes.¬† Het staat paf van het precisie schietvermogen van Lucky Luke. Het stelt niet eens meer vragen bij¬†de wonderlijke avonturen van Suske en Wiske¬† of bij¬†¬† het¬† uitermate¬† zonderlinge gezelschap rond Nero. Het sluit de Marsipulami in de armen en raakt helemaal vertederd door de Smurfenwereld. Gargamel kan derhalve alleen maar op afkeer rekenen. Decors vol onvermoeibare helden en heldinnen die in de hele wereld harten stelen. Daartoe spreken zij nu eens Maleis, dan weer Turkmeens, Swahili of Chinees. Bestemd voor kleine en (veel) minder kleine kinderen. Creatieve tekenaars, ge√Įnspireerde scenaristen maar evenzeer dynamische uitgevers (Dupuis, Le Lombard, Casterman, Standaard Uitgeverij…) hebben van het stripverhaal een heuse Belgische specialiteit gemaakt.

Daarom hebben wij het over de “negende kunst”, met een universele dimensie en continu in evolutie. Het Belgische stripverhaal gaat ook mee met zijn tijd. Het vormt als het ware een schitterend allegorisch fresco, waarin je onweerstaanbaar ondergedompeld wordt. Een Belgische superproductie dus!

 

Andr√© Franquin (1924-1997) neemt, als tekenaar en scenarist, van Jij√© de avonturen van Robbedoes en Kwabbernoot over en voegt nieuwe personages toe, zoals IJzerlijm en de graaf van Rommelgem. Hij cre√ęert echter ook nieuwe helden die de harten van de Europese stripliefhebbers zullen veroveren: Ton en Tinneke, de Marsupilami, een absoluut uniek stripdier, en Guust Flater, de ultieme antiheld en bijzonder opmerkelijke uitvinder. Hij sticht in 1977, samen met Yvan Delporte, een autonome bijlage van het blad Robbedoes (Le Trombone illustr√©) waarin de eerste verhalen (Id√©es noiresZwartkijken) verschijnen die uitblinken door zwarte humor en die (in zwart-wit) het beest in de mens op de korrel nemen. De levendige en expressieve stijl van Franquin maken hem tot een van de markantste voorbeelden van de beroemde school van Mar√†nelle (vestigingsplaats van de uitgeverij Dupuis). Hij be√Įnvloedt ook tal van andere striptekenaars. De Marsupilami leeft overigens voort in de tekenfilm en in de strips van de Belg Batem.

Wist je … dat Belgi√ę het grootste aantal striptekenaars per vierkante kilometer telt?

Edgar Pierre Jacobs (1904-1987) gaat de geschiedenis in a√Įs tekenaar en scenarist van Blake en Mortimer.

Wanneer de eerste pagina op 26 september 1946 verschijnt in het eerste nummer van het blad Kuifie (Het Geheim van de Zwaardvis) treedt Jacobs meteen de legende in.Voordien realiseert hij al een sciencefiction strip (De ‘U’Straa/) en werkt hij samen met Herg√© bij de productie van meerdere Kuifje-albums. Vanaf 1947 wijdt hij zich nog enkel aan zijn eigen reeks en zien acht klassie-kers het licht: Het Geheim van de Zwaardvis (1946), Het Mysterie van de Grote Piramide (1950), Het Gel√© Teken (1953), Het Raadsel van Atlantis ( 1955) S.O.S. Meteoren ( 1958), De Valstrik (I960), Het Ho/ssnoer van de Koningin (1965) en De 3 Formules van Professer Sato ( 1977) (deel 2 wordt geillustreerd door Bob de Moor in 1990). De flegmatische kapitein Blake, de onstuimige professer Mortimer en de duivelse kolonel Olrik leven overigens verder dankzij de sc√©nario‚Äôs van Jean Van Hamme en Yves Sente. De duidelijke grafische vormgeving, het hyper-r√©alisme, de meesterlijke enscenering en het subtiele mengsel van de sciencefktion, fantastische en politieroman maken Edgar P. Jacobs onge√ęvenaard. Hijzelf spreekt trouwens van een opera op papier…

 Willy Vandersteen (1913-1990) is een tekenaar en scenarist met een ongebreidelde verbeelding. Hij zorgt voor meer dan 1000 albums en wordt door Hergé de Bruegel van het stripverhaal genoemd. Suske en Wiske worden vedetten en de strip verschijnt eerst, en dit vanaf 1945, in een aantal dagbladen.Tussen 1948 en 1959 publiceert het blad Kuifie hun avonturen en dat zijn niet de minste: Het Spaanse Spook, De bronzen sleutel, De schat van Beersel en twee afleveringen van Tijl Uilenspiegel. De auteur slaagt er in een dynamisch geheel te scheppen met allerhande uitgesproken personages (Lambik, Sidonia, Professer Barabas) die niet alleen probleemloos de continenten maar ook de grenzen van de tijd doorkruisen. Het succes noopt hem talentrijke helpers te zoeken. Zo ontstaat Studio Vandersteen, met (vanaf 1969) Paul Geerts aan het hoofd. Naast Suske en Wiske, lanceert de tekenaar andere series, zoals Bessy (1952), De Rode Ridder (1959), Jerom (I960), Robert en Bertrand (1972) en De Geuzen ( 1985), een strip die zich ook afspeelt in de 16de eeuw, een période waarvan Vandersteen erg houdt. Zijn verhalen zijn alleszins een geslaagd mengsel van spanning, humor, fantasie en emotie!

Wist je … dat tussen 1965 en 1985 wekelijks een Bessy-album geproduceerd wordt en op 200.000 exemplaren gedrukt, enkel en voor de Duitse markt?

Marc Sleen maakt eerst naam  met karikaturen en satirische tekeningen. Later introduceert  hij, net zoals Willy Vandersteen, het stripverhaal vol humor en avontuur in de Vlaamse dagbladpers. Hij is de vader van De Lustige Kapoentjes en Piet Fluwijn en Rolleke. Maar hij zal onverbrekelijk verbonden blijven met Nero, de held in meer dan 200 albums. Marc Sleen is trouwens de absolute recordhouder van het aantal strips met hetzelfde hoofdpersonage dat door één tekenaar geproduceerd wordt! Het begin allemaal in het dagblad De Nieuwe Gids, als een knettergekke familie de eerste doldwaze avonturen beleeft. Nero maakt er zijn opwachting als een vrolijke levensgenieter, met vlinderdas en (hoogst merkwaardig!) twee laurierblaadjes achter elk oor. Hij schuimt tegen een opmerkelijk tempo de wereld af, in het gezelschap van bijzonder kleurrijke mede-spelers, en geeft blijk van een ongeremde fanta-sie en aanstekelijke humor. De dubbele bodems zijn vaak niet ver, met toespelingen op de Belgische en internationale actualiteit. Heel wat bekende politieke zwaargewichten maken hun opwachting in de diverse verhalen.

Peyo (Pierre Culliford, 1928-1992) cre√ęert, als scenarist en tekenaar, diverse personages. Johan en Pirrewiet beleven middeleeuwse avonturen, er is Po√©sie, een kleine kat, en Steven Sterk verbaast de wereld met zijn bovennatuurlijk kracht die hij echter moet inleveren a√Įs hij verkouden raakt. Maar vooral De Smurfen betekenen voor Peyo internationale bekendheid. Deze kleine blauwe wezentjes, met hun witte mutsen, spelen oorspronkelijk slechts een bijrolletje in De fluit met zes gaten (1958), een verhaal van Johan en Pirrewiet. Maar spoedig wordt het album herdoopt t√īt De fluit met zes smurfen en komt er zelfs een verfilming in samenwerking met Yvan Delporte. Zo groeit er een wereld vol fantasie, humor, po√ęzie en tederheid. De Smurfen gaan ook internationaal via albums, tal van afgeleide producten, een Amerikaanse tv-serie en zelfs een attractiepark in Frankrijk. Het enorme succ√®s brengt Peyo ertoe een eigen uitgeverij en studio op te rich-ten, waar heel wat tekenaars de stiel leren (Walth√©ry.Wasterlain,…) Na zijn overlijden zet Peyo’s zoon Thierry Culliford de traditie voort. De Smurfen blijven dus met hun avonturen de wereld veroveren.

Jij√© (Joseph Gillain 1914-1980) is niet alleen een geniaal artiest, hij is ook een pionier van het stripverhaal in / Europa. Zijn invloed op talentrijke tekenaars, zoals Franquin, Will, Morris, Paape, Hubinon, … is enorm. Hij geeft hen daarenboven goede raad en moedigt hen aan. De creatieve duizendpoot Jij√© wordt overigens binnen de kortste keren de leidende kracht achter het blad Robbedoes. In 1939 start hij de reeks Blondie en Blinkie, later overgenomen door Hubinon, in 1941 ontstaat Jan Kordaat, detective, een reeks die Eddy Paape zal verderzetten. Met Jerry Spring cre√ęert hij in 1954 √©√©n der mooiste westernseries in het stripverhaal, en dat 25 albums lang. Hij stelt evenwel zijn realistisch grafisch talent ook ten dienste van andere stripreeksen: Robbedoes (Rob-Vel), Tanguy en Laverdure (Uderzo) en Roodbaard (Hubinon). Hij bijt daarenboven de spits af met indrukwekkende getekende biografie√ęn. Don Bosco (1941), Cristof√ģel Columbus (1942-1945) en Baden Powell (1948-1950) zijn er maar enkele van.Jerry Spring be√Įnvloedt, door zijn dynamiek en humanisme, tientallen jaren lang de westernstrip, gaande van Jean Giraud (Blueberry) tot Hermann (Comanche). De reeks wordt in 1990 overgenomen door Franz.

Jacques Martin wordt in 1921 in¬† Straatsburg geboren maar zal als tekenaar en scenarist altijd in Belgi√ę actief zijn. Samen met Herg√©, Edgar-Pierre Jacobs en Bob de Moor behoort hij trouwens tot de beroemde Brusselse school, bekend om zijn streng realisme. Voor het blad Kuifje bedenkt hij in 1948 de s√©rie Alex, een jonge Galli√ęr in het oude Rome. Hij ontpopt zich meteen a√Įs de onbetwiste meester van de historische strip, ook al volgt in 1952 met reporter Lefranc een hedendaagse held. Hij is overigens een echte dubbelganger van Alex. Hij lanceert dan twee historische s√©ries: in 1978 Jhen (oftewel “Tristan (Madoc)”), getekend door Jean Pleyers, en in 1983 Arno, getekend door Andr√© Juillard. Martin keert evenwel terug naar de oude wereld met Orion (het oude Griekenland – 1990), Keos (het oude Egypte -1992) en vooral De reizen van Orion (1992). Deze laatste s√©rie komt er dankzij diverse medewerkers en de respectievelijke albums geven een merkwaardig beeld van de belangrijke sites uit de oudheid. Jacques Martin heeft noodgedwongen het tekenen meer en meer vervangen door het schrijven van scenario’s en het opleiden van jong talent dat op zijn beurt weer de personages van de meester in leven houdt. Alex blijft alvast uniek in de wereldgeschiedenis van het stripverhaal, dankzij de historische basiskennis en de klare, uitgewerkte, klassieke tekenstijl.

Wist je … dat sommige albums van “Alex” in het Latijn vertaald en in scholen gebruikt worden?

Morris (Maurice¬† De Bevere 1923-2001 ) mag je rustig √©√©n der vaders van het stripverhaal noemen. Hij behoort, samen met Franquin., Jij√© en Will, tot de bekende “bende van vier” en is de schepper van Lucky Luke die voor het eerst opduikt in de Robbedoes Almanak van 1946. Het wordt een successtory die meerdere generaties zal bekoren. Wie kent Lucky Luke niet, de man die sneller schier dan zijn schaduw (een vondst van Morris zelf)? Of de onverbeterlijke Daltons, om nog maar te zwijgen van Rataplan, veruit de domste hond in het wilde westen? Het resultaat is indrukwekkend: bijna 90 albums, vertaald in een dertigtal talen. Diverse tekenfilms worden gemaakt, o.m. Daisy Town, door de Brusselse studio’s Belvision (1971) en De Daltons op vrije voeten, door de studio’s van Hanna-Barbera in Los Angeles (1983). Lucky Luke komt zelfs t√īt leven in 1991 via Terence Hill. De cowboy geniet dus van internationale faam, mede dankzij Amerikaanse tekenfilms, internationale merchandising en zelfs een Themapark in Portugal. En dat valt makkelijk te verkiaren door de humor, de fantasie, de authenticiteit en de expressiviteit van de verhalen. Een klassieker dus in wat Morris zelf de 9de kunst noemt.

Wist je …dat Morris een onderscheiding ontvangt van de Wereldgezondheidsorganisatie omdat hij de sigaret van Lucky Luke vervangt door een grassprietje?

Jean van Hamme wordt, omwille van zijn veelzijdigheid als scenarist, als √©√©n der grootste hedendaagse stripauteurs beschouwd. Het succes van de reeks XIII, getekend door William Vance, wordt ge√Įllustreerd door een recordverkoop en tal van afgeleide producten (videospelletjes, telefoonkaarten, kleren, …). Van Hamme is ook romanschrijver, zorgt voor film- en tv-scripts, zijn realistische kant dus, maar geniet duidelijk van zijn exploraties in de tijd en in de ruimte. Zijn universum gaat zodoende van heldenfantasie √† la Thorgal tot het wilde westen in Western. Hij werkt met diverse Belgische tekenaars, zoals Cuvelier (Corentin), Dany (Avontuur zonder helden), Francq (Largo Winch), Griffo (S.O.S. Geluk), Denayer (Woyne Shelton), Hermann (Bloedbruiloft) enz… Hij maakt tevens het scenario van twee recente albums van Blake en Mortimer. Tenslotte neemt hij zelf de televisiebewerking en de romanversie voor zijn rekening van zijn meesterlijke saga De Meesters van de Gerst. Zijn samenwerking met Jean-Michel Charlier (Buck Danny), Yves Duval (Toenga), Yvan Delporte (De Smurfen), Raoul Cauvin (De Blauwbloezen), Andr√©-Paul Duchateau (Rik Ringers), Jean Dufaux (Jessica Blandy), Michel Greg (Olivier Blunder) en andere, nieuwe namen (Lapi√®re, Desberg, Tome,…) onderstreept ten ASSB overvloede de veelzijdigheid van Jean van Hamme. Met hem krijgt de scenarist de plaats die hem toekomt binnen de stripwereld.

Wist je … dat “Het Vonnis”, een album uit de reeks “XIII”, in feuilletonvorm verschijnt in de Franse krant”La Lib√©ration”?

 

KUNST: TONEEL , OPERA, FILMS

 

Deze titel komt van Michel de Ghelderode,¬† als hommage aan Toone, wiens theater begin 19de ¬†eeuw ontstaat in de volkse Marollenwijk.¬† Pionier is Antoine Genty, oftewel “Toone de oude”, die eerst als reizend poppenspeler aan¬† de kost komt en wiens nageslacht een definitieve stek vindt in de buurt van de Grote Markt. Onder impuls van Jos√© G√©al, stichter van “Le Th√©√Ętre de l’Enfance” (1954) en later voorzitter van de desbetreffende InternationaleVereniging, vindt de marionet een tweede adem in Brussel en elders in het land.

Toone VII zet in de hoofdstad de traditie verder en geeft haar moderne impulsen. De marionet gaat daar trouwens al terug t√īt in de tijd van Karel V. Elders doen de poppentheaters ook voort, elk op de hen eigen wijze. In Antwerpen spelen marionetten zonder draad en in Gent inspireren ze zich rechtstreeks op de personages van de Commedia dell’Arte. In Li√®ge grijpt men terug naar Conti, een Italiaans poppenspe¬≠ler met typische heldenliedjes. Dwarsligger Tchantch√®s is er het meest bekende personage. In Tournai verwijzen de archieven eveneens naar een heel oude traditie. De meeste marionetten in Belgi√ę bewegen met staven en het r√©pertoire omvat indrukwekkende exploten van ridders, volkse legenden, verhalen over belangwekkende historische of religieuze gebeurtenissen.

 

De grote danseres Akarova

Dankzij een kleurrijke scenografie en de aanwezigheid van een gekostumeerd personage, is het schilderij jazz Music (omstreeks 1942, naar het werk van de Belgische componist Marcel Poot) karakteristiek voor het schilder-en beeldhouwoeuvre van de kunstenares. Zij houdt er immers van haar eigen choreografie√ęn af te beelden. Met een stevige muzikale basis begint Akarova in 1920 aan een schitterende danscarri√®re. In 1923 huwt zij de schilder Marcel-Louis Baugniet en komt in constructivistische middens die tal van d√©cors en kostuums maken voor de choreografe. Er wordt van haar gezegd dat zij de danseres is van de groep 7 Arts en het dient gezegd dat haar gebaren sterk aansluiten op de zuivere plasti-sche kunst. Zij is ontegensprekelijk de grote avant-garde danseres van Belgi√ę, wat blijkt uit d√©cors, kostuums en tal van foto’s die in de ten-toonstelling te zien zijn. Begin 30er jaren ontmoet Akarova kunstenaars van de groep Nervia, waaronder de schilder Anton Carte. Tussen 1935 en 1940 raakt de artieste steeds meer ge√Įnteresseerd in schilderkunst en beeldhouwen, iets wat nog sterker wordt van 1945 tt 1990. En zo tekent Akarova voor een rijk oeuv¬≠re dat een intieme spiegel is van haar dansen. Zij geeft de lichten van de sc√®ne hun voile waarde in Petrouchka, Chout, Faune en Oiseau de feu en zo verwijzen haar dromerige schilderijen en sculp-turen de bewegende personages naar de achtergrond. Het wordt een picturaal orkest dat de getuigt van de krachtige synth√®se in haar werk, dat zij tot in het midden van de negentiger jaren schept.

Maurice B√©jart heet eigenlijk Maurice Berger als hij in 1927 in Marseille geboren wordt. Bovendien komt hij pas tot voile ontplooiing in ons land. Zijn opleiding tot danser en choreograaf krijgt hij in Parijs en Londen. In 1959¬† belandt hij te Brussel waar hij op vraag van¬†¬† de toenmalige directeur van de Munt, Maurice Huisman, het ballet Le Sacre¬† du Printemps cre√ęert, op muziek van Stravinski. In 1960¬† richt hij het Ballet van de XXIste eeuw op, een gezelschap dat zal schitteren in zijn meest prestigieuze choreografie√ęn.

B√©jart is een uitgesproken voorloper en hij weet zich te omringen met de best dansers. Ballet wordt bij hem een totaalspektakel met zelfs een metafysische dimensie. In 1987 verlaat hij Belgi√ę om in Zwitserland het B√©jart Ballet Lausanne te gaan oprichten. Maar gelukkig telt ons land nog andere talentvolle choreografen.

Internationale faam vergaren bijvoorbeeld vernieuwende initiatieven, zoals het Ballet de Wallonie van Frédéric Flamand en Het Ballet van Vlaanderen van Jeanne Brabants. Het gezel­schap Rosas van Anne Teresa De Keersmaeker geniet wereldbekendheid. Idem dito voor Franco Dragone, wiens inventieve creaties te zien zijn in Las Vegas en Disneyland.

Daarmee bewijzen de Belgische choreografen internationaal en met brio dat zij modern en dynamisch blijven.

Is je het hebt over het gezelschap Rosas, kan je niet om Anne-Teresa De Keersmaeker heen. En zij is zowel danseres, choreografe, muziekpedagoge a√Įs m√©lomane. Na de eerste successen sticht zij in 1983 haar eigen dansgezelschap.

Al in de eerste creaties ontmoeten muziek en dans mekaar, flirt de dans met de muziek en wordt deze laatste de positieve katalysator. Anne-Teresa ondermijnt de grenzen van de twee disciplines door de muzikanten op de sc√®ne te zetten en van hen een onderdeel te maken van de scenografie. Dat gebeurt o.m. in Drumming (1998). Rosas kent successen in Belgi√ę en in het buitenland en toert in Frankrijk (Festival van Avignon), Nederland (Holland Festival)…

Samen met de Munt zetten Anne-Teresa en Rosas het internationaal educatief project P.A.R.T.S. (Performing Arts Research and Training Studio) op. Cursisten van over heel de wereld krijgen hier drie jaar les die hen ook muziekgehoor, theaterbegrip en algemene cultuur bijbrengt.

Met bewijs van erkenning aan maestra Anne-Teresa vormt ongetwijfeld de retrospectieve 20 jaar Rosas in net Paleis voor Schone Kunsten te Brussel in 2003/2004.

Enige tijd geleden verheugt de Belgische pers zich over het feit dat C√©line Dion zich in Belgi√ę komt vestigen. Eigenlijk wil zij een lang gekoesterde droom realiseren: een grandioze show die geconcipieerd zal wor-den door Franco Dragone ( 1952). En het wordt een vruchtbare samenwerking, geconcretiseerd door de superproductie A New Day, waarin Dion op de sc√®ne begeleid wordt door 58 musici, vocalisten en dansers. De ouders van Dragone zijn afkomstig van Cairano (Italie) en vestigen zich in La Louvi√®re. Al op heel jonge leeftijd interesseert Franco zich voor muziek en sport. A√Įs hij gaat studeren aan het conservatorium van Mons vindt hij daar de id√©ale voedingsbo-dem voor zijn artistieke idee√ęn. Hij maakt dan ook snel deel uit van de beweging th√©√Ętre action die hij mee gestalte geeft in zijn nieuwe woon-plaats La Louvi√®re.

Tijdens een reis in Qu√©bec (1982) wordt Dragone ontdekt door het Cirque du Soleil. Twaalf jaar lang cre√ęert hij 9 voorstellingen met een hoogsteigen en onnavolgbare stijl binnen de spektakelwereld.

In 1999 keert hij terug naar Belgi√ę en start een productie-eenheid op in La Louvi√®re. Voorstellingen als de watershow voor Steve Wynn in Las Vegas en de Disney Cin√©ma Parade (2002) zien het licht. Een heel veelbelovende toekomst wenkt!

Het Ballet komt er op 2 december 1969 en stelt vanaf september 1970 als eerste spektakel Prometheus voor. Jeanne Brabants heeft het ballet dan onder haar dyna-mische hoede en zij streeft naar een professioneel gezelschap in Vlaanderen. Onder haar leiding komt er een gevarieerd r√©pertoire, met ook eigen creaties.Vanaf 1976 komt internatio¬≠nale erkenning in verschillende Europese landen, Noord- en Zuid-Amerika en Azi√ę. Vooraleer de wegen van Jeanne Brabants en het KBvV scheiden, bouwt zij in slechts dertien jaar een solide nationale en internationale faam op. Artistieke opvolgers worden de Rus Pavlov en vervolgens Robert Denvers die net aangekondigd heeft het gezelschap te verlaten na het seizoen 2004-2005. Voor hem meteen het einde van 18 jaren dienst, programmeringen (Maurice B√©jart, Flemming Flindt…) en creaties. Zijn assistent en aangestelde KBvB-choreograaf, Danny Rosseel, zien hun bevestiging in het laatste programma Inner Glances.

Wist je … dat net internationale succes “Ten oorlog” van Tom Lanoye en Luk Perceval niet minder dan 11 uur duurt?

Onze dansgezelschapen maken het internationaal en stukken van Belgische auteurs hebben succ√®s in net buitenland (zie “Literatuur, Made in Belgium”). Maar onze theatergezelschappen schitteren evenzeer, dankzij talentrijke directeurs, r√©gisseurs en acteurs. Ons land heeft natuurlijk zijn beperkingen maar geen probleem, acteurs van bij ons presteren zowel op de sc√®ne als op het grote en kleine scherm, tot zelfs in de musical toe. Artiesten als Beno√ģt Poelvoorde, Philippe Geluk, Urbanus, St√©phane Steeman, Rosa Geinger, Annie Cordy e.a. zijn nu eenmaal heel polyvalent. Ann Petersen, Roger Van Hool, Jean-Claude Drouot, Dora Van Der Groen, Marie Gillain, Chris Lomme, Julien Schoenaerts en zovele anderen beheersen het m√©tier even goed op de planken a√Įs op de filmset. Het is geen toeval dat zij en tal van minder bekende collega’s allerhande prijzen (“Eve du Th√©√Ętre”, “Louis d’Or”, “Th√©o d’Or”) in ontvangst mogen nemen. Fernand Gravey kiest voor Hollywood, na zijn successen op de planken van de Galeries, Jan Decleir houdt het bij het toneel, ondanks zijn filmtriomfen. Hij maakt ooit deel uit van het bekende Antwerpse gezelschap “Internationale Nieuwe Sc√®ne” dat het werk van Dario Fo hier introduceert maar hij is later tevens artistiek directeur van de Studio Herman Teirlinck, kweekschool bij uitstek voor aankomend toneeltalent.

Wist je … dat Jan Decleir een rol weigert in een James Bond film en in “Eyes wide shut” van Kubrik omdat hij het theater verkiest?

Christiane Lenain is ongetwijfeld de populairste actrice van de voorbije decennia. Zij vertolkt in het Th√©√Ętre des Galeries tal van komische personages, aan de zijde van haar spitsbroeders Serge Michel en Jean-Pierre Loriot. Regisseur is haar latere echtgenoot: Jean-Pierre Rey. In Le Mariage de Mademoiselle Beulemans (1910) van Fonson en Wicheler viert zij haar grootste triomfen, eerst als dochter ( 1960) en 20 jaar later als moeder. Het stuk zelf is een mondiaal succ√®s en inspireert Marcel Pagnol voor zijn Marseillaanse trilogie Marius-Fanny-C√©sar. Het betrokken gezelschap ziet het licht in het seizoen 52-53 maar Rideau de Bruxelles (17 maart 1943) mag de eer opeisen van oudste theatergezelschap in de hoofdstad. Het Th√©√Ętre National ontstaat twee jaar later, onder impuis van Jacques Huismans die tot1985 directeur ervan is. De oudste schouwburg van Brussel is evenwel Vlaams: de Koninklijke Vlaamse Schouwburg (1895!)

Wist jedat “Le Mariage de Mademoiselle Beulemans” in een 15-tal talen opgevoerd¬† wordt en dat de hoofdrol in Japan gespeeld wordt door een jongen?

Dora Van Der Groen en Ann Petersen schrijven filmgeschiedenis als de twee zussen in Paulin en Paillette van Lieven Debrauwer. Zij zijn bei-den geboren in 1927 en hebben een vergelijkbare carri√®re binnen het KVS-gezel-schap, op tv en in de film. Zij zijn de leading ladies van het acteervak en tal vanVIaamse pro-ducties hebben heel veel aan hen te danken. Belgische gezelschappen brengen overigens vaak een eerbetoon aan werken van eigen bodem. Dat doet o.m. De Blauwe Maandag de, o.l.v. Luk Perceval, met Wilde L√©o (1894) van Nestor de Ti√®re en Ten oorlog ( 1997) van Tom Lanoye. Dit laatste werk is een hedendaagse bewerking van Shakespeares The wars of th√© ros√©s en een modem pamflet tegen de oorlog. Het kent ook veel succ√®s in het buitenland. Stukken van Hugo Claus worden opgevoerd door zowel het Th√©√Ętre National (Vendredi) als door het oudste Gentse gezelschap Arca (Pas de deux). Het gezelschap “Rideau de Bruxelles” kiest stukken van Paul Willems en zet Il pleut dan ma maison (1958) op zijn internationaal r√©pertoire. En dan hebben wij het niet eens over opvoeringen van Michel de Ghelderode, zoals Magie rouge (Th√©√Ętre du Parc) of La Balade du Grand Macabre (National). Dit stuk wordt ook weerhouden door Les Baladins du Miroir die met hun tent en pittoreske ker-miswagens de weg opgaan, in het spoor van andere vaderlandse gezelschappen, naar prestigieuze festivals zoals dat van Avignon.

In 1832, dus voor de cinematograaf van de gebroeders Lumi√®re, knutselt de Belg Joseph Plateau al zijn ph√©nakisticope in mekaar. Meteen een grote stap naar de 7de kunst, zoals later zal blijken. Zonder deze Belgische inbreng zou er dus geen cin√©ma geweest zijn, kan je met enige zin voor overdrijving stellen. Maar net zal wel tot na de EersteWereldoorlog duren vooraleer er van Belgische films sprake is. Affiches, foto’s, kostuums, projecties… vertellen over de hero√Įsche dagen van de cin√©ma. R√©gisseurs, scenaristen, acteurs en componisten vullen dat allemaal aan.

 

De pioniers

De Belgische voorlopers van de 7de kunst nemen het lokale gebeuren als uitgangspunt voor hun eerste prenten. Edith Kiel doet dat in Antwerpen, Gaston Schoukens in Brussel. Deze laatste inspireert zich met Bossemans et Coppenolle (1938) op de Brusselse folklore en vertelt met Un soir de joie ( 1952) het verhaal van de valse Le Soir in 1943.

 

De documentaristen

De documentaristen kiezen voor Belgische artiesten, het dagelijks leven in ons land en Congo als favoriete onderwerpen. En zij vesti-gen daarmee een internationale reputatie. Boegbeelden zijn Henri Storck (Mis√®re au Borinage in 1933, Symphonie paysanne in 1944, Le Banquet des fraudeurs in 1951) en Charles Dekeukeleire (Le mauvais oeil in 1937, Dixmude in 1931). Meeuwen sterven in de haven ( 1955) en De heren van het woud (1958) sluiten aan bij deze glorierijke traditie. En ook cineasten als Luc de Heusch, Manu Bonmariage, Thierry Michel, Beno√ģt Mariage, Frans Buyens enz…

  

Het hoeft niet echt te verwonderen dat de animatiefilm floreert in het land van het stripverhaal. Belvision, een van de grootste Europese animatiestudio’s, wordt al in 1955 gesticht door Raymond Leblanc, grote baas van de uitgeverij Lombard. Zij produceert tal van succesrijke lange animatiefilms, zoals Ast√©rix de Galli√ęr (1967), Kuifje en de zonnetempel (1969), De fluit met zes smurfen (1975). De Belgische animatiefilm wordt ook vaak internationaal gelauwerd. Zo wint Raoul Servais in 1979 de Gouden Palm met Harpya, Nicole Van Goethem in 1986 een Oscar met Een Griekse tragedie, G√©rald Frydman in 1984 de Gouden Palm met Le Cheval de fer. Picha valt in 1975 in de prijzen met Tarzoon, de schande von de jungle. Andr√© Delvaux wijst met De man die zijn haar kort liet knippen ( 1966) de weg naar de moder¬≠ne film en naar internationale erkenning. Talent de over bij de filmmakers die volgen, waaronder een h√®le generatie van Vlaamse cineasten (Roland Verhavert, Harry Kumel, Robbe de Hert…). Mira (1971) geeft de smaak van succ√®s en deVlaamse literatuur wordt een quasi onuitputtelijke bron van inspiratie (zie het desbetreffende deel). In de negentiger jaren melde zich de Waalse cineasten. Vooraf gaat alweer Andr√© Delvaux. Zijn Rendez vous √† Bray krijgt in 1971 de prestigieuze Prix Louis Delluc. De gebroeders Dardenne nemen de fakkel over, met de Gouden Palm voor Rosette in 1999. Jaco Van Dormael ontvangt de Gouden Cam√©ra en een C√©sar voor Toto le H√©ros (1991), G√©rard Corbiau een C√©sar voor Farinelli (1994) en Lucas Belvaux de Prix Delluc voor Un couple √©pa¬≠tant / Apr√®s la vie / Cavale (2003). Danis Tanovic doet in 2001 nog beter met de Oscar voor de beste buitenlandse film, met No Man‚Äôs land. Voor dezelfde onderscheiding worden genomineerd: Le Ma√ģtre de musique (G√©rard Corbiau – 1988), Farinelli (idem – 1994), Daens (Stijn Coninx -1992), Iedereen beroemd (Dominique Deruddere – 2000). Tal van andere producties vallen in de prijzen, zoals Lient (Stijn Coninx ‚ÄĒ 1998), Pauline en Paulette (Lieven Debrauwer ‚ÄĒ 2001 ), Ma vie en rose (Alain Berliner ‚ÄĒ 1997), Une liai¬≠son pornographique (Fr√©d√©ric Fonteyne – 1999). De prent C’est arriv√© pr√®s de chez vous (1992) van R√©my Belvaux kaapt diverse onderscheidingen weg op het Festival van Cannes en groeit daarna uit tot een heuse cultfilm. En vergeten wij evenmin filmmakers als C. Akkerman, M. Hansel, M. Didden, J.-J.Andrien

In het panorama wordt al helemaal onoverzichtelijk als je gevierde scenarioschrijvers, chefs cameramannen, componisten, monteurs en zovele andere wilt opsommen. Nochtans zijn ook zij essentieel in het succesverhaal van de Belgische film. Hugo Claus schrijft vaak voor de Vlaamse film en maakt zelf het scenario bij de verfilming van zijn eigen werken (Vrijdag in 1980, Het Sacrement in 1989…), Jacques Brel doet dat voor Franz (1972) en Far-West (1973). Une Liaison pornographique (Fr√©d√©ric Fonteyne – 1999) en Thomas est amoureux (Pierre-Paul Renders – 2000) danken hun succ√®s ook aan de pen van Philippe Blasband. Zegt je de naam Charles Spaak iets, de scenarist van bekende films als La kermesse h√©ro¬≠√Įque (Jacques Feyder – 1935) en La Grande illu¬≠sion (1937)? Ook een aantal componisten van filmmuziek verwerven faam. Fr√©d√©ric Devreese (films van Andr√© Delvaux), Dirk Bross√© (Daens, Koko Flanel…), Raymond van het Groenewoud (Iedereen beroemd, Blueberry Hill, Brussels by night...) zijn er maar enkele. Internationaal bekende regisseurs doen een beroep op Wim Mertens (The belly of the architect van Peter Greenaway – 1986, Pater Damiaan van Paul Cox – 1998…) en de klaaglijke melodie die Toots Thielemans schrijft voor Macadam cowboy is nu al filmgeschiedenis. Ghislain Cloquet is chef cameraman van grote regisseurs als Resnais, Sautet, Malle, Bresson, Demy, Woody Allen, Arthur Penn… en wordt zelfs met een Oscar gelauwerd in 1981 voor zijn bijdrage aan de film Tess van Polanski.

Op het ogenblik dat de Belgische film nog in de kinderschoenen staat, ziet een aantal Belgische acteurs zich verplicht naar Frankrijk uit te wijken. Zo worden succesrijke vertolkers als Fernand Gravey, Raymond Rouleau, Madeleine Oseray, Jean Servais, Berthe Bovy, Fernand Ledoux en Victor Francen vaak ten onrechte als Franse sterren beschouwd. Annie Cordy (Rue Haute van Andr√© Ernotte…) en Jacques Brel (Les Risques du m√©tier…) maken met succ√®s de overstap van chanson naar film. Senne Rouffaer draagt bij tot de internationale faam van Andr√© Delvaux’ films. Jean-Claude Van Damme (The muscles from Brussels) maakt het aan de andere zijde van de oceaan. Urbanus tilt Hector (1987) en Koko flanel (1990) op tot kaskrakers. Recentelijk krijgen Pascal Duquenne (Le Huiti√®me Jour – Jaco Van Dormael), Olivier Gourmet (Le fils – gebroeders Dardenne), Emily Dequenne (Rosetto – gebroeders Dardenne) en Natacha R√©gnier (La Vie r√™v√©e des anges) de prijs voor de beste vertolking in Cannes. C√©cile de France (L’Auberge espagnole) mag een C√©sar in ontvangst nemen. Marie Gillain (L’App√Ęt), Antje de Boeck (Manneken Pis – Frank van Passel), Anne Petersen en Dora Van Der Groen (Pauline en Paulette – Lieven Debrauwer) worden meer dan eens onderscheiden. J√©r√©mie Renier, Alexandra Vandernoot, Michael Pas, Julien Schoenaerts en zovele andere Belgische acteurs zijn voorbeelden van professionalisme. Outstanding zijn ook zeker Jan Decleir en Beno√ģt Poelvoorde.

Beno√ģt Poelvoorde wordt ontdekt in de film C’est arriv√© pr√®s de chez vous (1992).¬† Dankzij een¬† aangeboren komisch talent groeit hij in Belgi√ę en Frankrijk binnen de kortste keren uit tot √©√©n van de meest populaire acteurs. Zo zorgt hij voor succes met Les convoyeurs atten¬≠dent (Beno√ģt Mariage – 1998), Le v√©lo de Ghislain Lambert (2001) en Le Boulet (2002). Maar in Podium ontplooit hij helemaal zijn komisch en dramatisch talent, als hij de perfecte dubbelganger wordt van Claude Fran√ßois. Om deze rol tot een goed einde te brengen moet hij overigens vooraf een zware opleiding zang en dans volgen…

Wist je … dat er in Brussel een mediatheek is die heel de wereld ons benijdt?

Van Mira (1971) tot De zaak Alzheimer (2003), dat is in een notendop de schitterende carri√®re¬†¬† van Jan Decleir. Hij is zowel succesrijk op de planken als op net witte doek. Hij zorgt in grote mate er voor dat de Belgisch-Nederlandse¬† producties Antonio (1996) en Karakter (1998) de Oscar van de beste buitenlandse prent krijgen. Zijn pakkende vertolking van priester Adolf Daens die net in de 19deeeuw opneemt voor de uitgebuite Aalsterse arbeiders, wekt internationaal bewondering. Daens krijgt dus niet zomaar een Oscarnominatie in 1992. Jan Decleir, Antje de Boeck, Micha√ęl Pas, G√©rard Desarthe… zetten een schitterende vertolking neer, Stijn Coninx regisseert, Dirk Bross√© tekent voor de muziek en, natuurlijk, is er de uiterst solide basis van auteur Louis Paul Boon.

 

LETTERKUNDE

Wist je … dat het eerste boek van Jef Geeraerts, Ik ben maar een neger ( 1962), een bestseller is geweest in de VS?

¬†L‚Äô’Oiseau Bleu, een fee√ęrie in 6 bedrijven en 12 taferelen, gecre√ęerd in Moskou in 1908 en Pell√©as et M√©lisande (1892) zijn de belangrijkste werken van Maurice Maeterlinck. Eerstgenoemde creatie vormt de basis voor heel wat bewerkingen, o.m. voor een film van Georges Cukor in 1976 met Ava Gardner, Elisabeth Taylor en Jane Fonda. Maeterlinck schrijft dit werk na een p√©riode vol pessimisme en vrees t.a.v. de onbekende krachten in de toekomst. Hij geeft daarmee een boodschap van hoop en vertrouwen in het leven, via de droom van twee kinderen van een arme houthakker die op zoek gaan naar de blauwe vogel, het symbool van het geluk. De auteur is dichter, dramaturg, filosoof en zelfs insectenkundige (La Vie des abeilles in 1901). Hij wordt geboren te Gent, net zoals andere bekende schrijvers (Jean Ray, Suzanne Lilar, Karel van de Woestijne…) en kent internationaal succes (Londen, Moskou, Parijs). Hij is de enige Belgische schrijver die de Nobelprijs mag in ontvangst nemen (1911). Samen met andere Franstalige Vlaamse auteurs, Charles Van Lerberghe (La chanson d’Eve – 1904), Emile Verhaeren (Les villes tentaculaires – 1895), Max Elskamp (Dominical – 1892) en Georges Rodenbach (Bruges-la-morte – 1892) behoort hij tot het Belgische symbolisme, waarin mysterie en suggestie de boventoon voeren. De impact hiervan is essentieel voor de Franstalige literatuur. Begin 20ste eeuw zorgen Waalse dichters zoals Henri Michaux. Achille Chav√©e, Norge e.a. voor de aflossing van de wacht. Schilders zoals Graverai, Mesens, Magritte en Delvaux geven samen met hen een internationale dimensie aan een uitermate belangwekkende kunststroming in Belgi√ę: het surrealisme.

 

Amélie Nothomb

Stupeur et tremblements is al de 8ste roman van de auteur en krijgt de “Grand Prix” van de Academie fran√ßaise. Zij is de dochter van een ambassadeur en brengt een deel van haar jeugd in Japan door, waar zij steeds met nostalgie aan zal denken. Met de bekende zelfspot brengt zij hier verslag uit van haar wedervaren in een Japanse onderneming. Sedert zij de literare wereld is binnengestormd met Hygi√®ne de l’assassin in 1992, levert zij elk jaar een nieuwe roman af, gaande van Sabotage amoureux (1993) tot Biographie de la faim (2004). Originaliteit, humor, non-conformisme, analytisch vermogen zijn haar handelsmerken en staan borg voor succes en onderscheidingen.

Haar oeuvre neemt daardoor een belangrijke plaats in onder andere Belgische werken die al literaire prijzen ontvangen hebben: Faux passeports (Charles Plisnier – Concourt 1937), L√©on Marin pr√™tre (B√©atrice Beck -Concourt 1952), Saint Germain ou la n√©gociation (Francis Walder – Concourt 1958), Creezy (F√©licien Marceau – Concourt 1969), L’herbe √† br√Ľler (Conrad Detrez – Renaudot 1978), La D√©mence du boxeur (Fran√ßois Weyergans -Renaudot 1992), Tempo di Roma (Alexis Curvers – Sainte-Beuve 1957), Les Eblouissements (Pierre Mertens – M√©dicis 1987), Orlanda (Jacqueline Harpman – M√©dicis 1996), Le Souffle (Dominique Rolin – Femina 1952), L’Empire c√©leste (Fran√ßoise Mallet-Joris – Femina 1958)…

De Rosselprijs, de Belgische versie van de Goncourt en ingesteld door het dagblad Le Soir, is al te beurt gevallen aan Henry Bauchau, Fran√ßois Emmanuel, Thomas Gunzig en … Pierre Mertens (Les Bons offices – 1974, Terre d’asile – 1978) die bekend staat om zijn sociaal en politiek engagement. In het theater ontvangt La Ville √† voile ( 1967) van Paul Willems de “Prix Mazotto” terwijl stukken als Le Cocu magnifique (1920) van Fernand Crommelynck en L’oeuf (1956) van F√©licien Marceau in Parijs triomfen vieren.

De Leeuw van Vlaanderen is het meest gelezen boek in deVlaamse literatuur en symboliseert de Vlaamse bewustwording. Dit Vlaamse epos vertelt de overwinning van de Vlaamse steden op het l√©ger van de Franse koning tijdens de Guldensporenslag. Hendrik Conscience schrijft diverse historische romans, werkt inspirerend op de Vlaamse beweging en “leert zijn volk lezen”. Toch is het wachten op “Van Nu en Straks” in 1893 om een coherente Vlaamse literatuur te zien ontstaan. Guido Gezelle (1830-1899), Paul van Ostaijen (1896-1928) en Karel van de Woestijne (1878-1929) vormen, met hun vernieuwende virtuositeit, de voorhoede van een nieuwe generatie van talentrijke dichters in de 20ste eeuw (Eddy Van Vliet, Paul Snoeck, L√©onard Nolens, Maurice Gilliams…).

Wist je … dat de Uitgaven Actes Sud die de Concourt 2004 publiceren, eigenlijk in 1978 te Arles gesticht zijn door de Belgische schrijver Hubert Nyssen?

De historische roman La L√©gende d’Uilenspiegel van Charles De Coster wordt als een belangrijk¬† werk van de wereldliteratuur beschouwd, op dezelfde hoogte als Don Quijote van Cervantes. Met is vertaald in een dertigtal talen en vaak bewerkt voor theater, opera, film en zelfs tot een muzikale komedie of stripverhaal herwerkt. Met is een volksepos dat zich afspeelt te Damme in de 16de eeuw, met als achtergrond net Vlaamse verzet tegen de geloofstirannie van Filips II. Tijl Uilenspiegel staat voor rechtvaardigheid en vrijheid en symboliseert voor alle verdrukte volkeren de hoop op bevrijding. Met zijn werk boort De Coster een regionalistische inspiratiebron aan die de Belgische roman van 1880 tot 1930 zal overheersen en tal van Franstalige en Nederlandstalige auteurs zal be√Įnvloeden. Zij schetsen de boerenwereld met een zekere voorliefde voor de Kempen. De lijst is lang, met namen als Camille Lemonnier (Un M√Ęle – 1881), Georges Eekhoud (Kees Doorik – 1882), Marie Gevers (La Comtesse des digues – 1931), F√©lix Timmermans (Pallieter – 1916), Stijn Streuvels (De Vlaschaard – 1 907), Ernest Claes (De Witte -1920), Herman Teirlinck, Cyriel Buysse, Jean Tousseul… Die “streekromans” vormen later de gedroomde inspiratiebron voor talrijke cineasten en deze Belgische films hebben succes bij publiek en critici in de jaren VO. Wie herinnert zich niet Paix sur les champs (1970) van Jacques Boigelot (naar Marie Gevers), Rolande met de bles ( 1972) van Roland Verhavert (naar Herman Teirlinck), De witte van Zichem (1980) van Robbe De Hert (naar Ernest Claes), Mira (1971) van Fons Rademakers (naar Stijn Streuvels), Pallieter (1975) van Roland Verhavert (naar F√©lix Timmermans)…? De volkse po√ęzie van Maurice Car√™me ( 1899-1978) of de roman L’Oeuvre au noir van Marguerite Yourcenar (1903-1987) vormen eveneens literatuur die sterk streekgebonden is.

Het Verdriet van Belgi√ę vormt de echte internationale doorbraak van Hugo Claus en wordt vaak “de roman van de eeuw” genoemd in de Nederlandstalige literatuur. Deze grotendeels autobiografische saga vertelt de intellectuele en emotionele ontwikkeling van een jongeman tegen de achtergrond van de gespannen politieke toestand, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Hugo Claus is de meest bekende, vertaalde, polyva¬≠lente en productieve schrij-ver van de 20ste eeuw in de Vlaamse letteren. Hij is een taalvirtuoos en heeft meer dan honderd werken op zijn naam. Hij is tegelijk romancier (De verwondering – 1962), dichter (De Oostakkerse gedichten -1955), novellist, toneelschrijver (Vrijdag – 1969), essayist, vertaler, scenarist en cineast (De vijanden –1967). Hij schildert ook en maakt deel uit van COBRA, samen met Alechinsky en Burny. Hij is diverse malen voorgedragen voor de Nobelprijs. Zijn werk ademt vrijheid uit en hekelt de burgerlijke moraal. Tal van prijzen vielen hem al te beurt: de Constantijn Huygensprijs (1979), de Prijs der Nederlandse Letteren (1986), de hoogste onderscheiding in het taalgebied. Dichter Maurice Gilliams is ook laureaat van deze twee prijzen (1969 en 1980). De Constantijn Huygensprijs wordt ook toegekend aan Willem Elsschot (1951), Louis Paul Boon (1996) en L√©onard Nolens (1997), terwijl de Prijs der Nederlandse Letteren ook uitgereikt wordt aan Herman Teirlinck (1956), Stijn Streuvels (1962), Gerard Walschap (1968), Marnix Gijsen (1974) en Christine d’Haen (1991).

De Kapellekensbaan en Zomer te TerMuren (1956) behoren tot het beste van wat Boon ooit geschreven heeft. Het is een monumentale diptiek en tegelijk een gedurfde ‚Äúroman van een roman” die het ontstaan en de groei van het socialisme in Vlaanderen, via het dagelijkse leven, schetst. De auteur hanteert trouwens een taalgebruik dat nauw aansluit bij het dialect van zijn geboortestad Aalst. Boon is een politiek militant, sterk sociaal ge√ęngageerd, journalise in de socialistische en communistische pers en verdediger van de arbeidersklasse. Hij laat geen gelegenheid voorbijgaan om de absurditeit en menselijke dwaasheid op de korrel te nemen. Zo onderstreept hij de waanzin van de oorlog in Mijn kleine oorlog (1946), een kroniek van Vlaanderen onder de Bezetting. In Pieter Daens (1992) beschrijft hij de verbeten strijd van de christen-democratie tegen ellende en onrecht in het Aalst van de 19de eeuw. Hij krijgt tal van prijzen en wordt voorgedragen voor de Nobelprijs. Gerard Walschap (1898-1989) en Willem Elsschot (1882-1960) mogen dan al de meesters zijn van de traditionele roman, Louis Paul Boon krijgt de verdienste de literatuur bevrijd en vernieuwd te hebben. Hij wijst daardoor de weg aan een nieuwe generatie, waarvan Tom Lanoye (Alles moet weg, Ten oor¬≠log ..) √©√©n der meest markante vertegenwoordigers is.

Wist je … dat Het Verdriet van Belgi√ę van Hugo Claus door de Zwitserse cineast Claude Goretta bewerkt is voor een mini televisieserie met Marianne Basler en Ann Petersen?

Pietr-le-Letton verschijnt voor het eerst de beroemde commissaris Maigret die de Luikse schrijver Georges Simenon onsterfelijk zal maken. Hij is ongetwijfeld de meest productieve francofone auteur (bijna 1000 verhalen, 155 novellen, 200 volksromans, 192 romans, waaronder 75 “Maigrets”). De publicatie van zijn oeuvre in de prestigieuze “Biblioth√®que de la Pl√©iade” in 2003 heeft deze populaire schrijver op het niveau van een eerbiedwaardig auteur gebracht. De schepper van Maigret die lange tijd onder miskenning geleden heeft, maakt daarmee zijn entr√©e in het “Panth√©on der letteren”, naast Voltaire, Cervantes en Shakespeare. Slechts √©√©n Belgische auteur, nl. Marguerite Yourcenar, is hem daarin voorgegaan. Maar Simenon betekent nog heel wat meer. Hij is van allen het meest bewerkt voor film en televisie, vertaald in meer dan 60 talen, de geestelijke vader van 9000 personages. Hij is de schrijver van een enorm oeuvre, Gide noemt hem een “Balzac zonder uitwijdingen”, hij is kortom een literaire reus. Ook al zijn de “Maigrets” eerder situatieschetsen en zedenschilderingen dan echte detectiveromans, toch behoren zij tot dat genre. Een literaire bezigheid die veel Belgen blijkbaar ligt want schrijvers als Stanislas-Andr√© Steeman (L’Assassin habite au 21 – 1939), Andr√©-Paul Duchateau (De 5 √† 7 avec la mort – 1974), Pascale Fonteneau (Etats de lame – 1993), Bob Mendes (De Kracht van het vuur – 1996) en zeker Jef Geeraerts (De Zaak Alzheimer – 1985) behoren tot de kampioenen van de misdaadroman.

Op 16 december 1953 verschijnt bij de “Editions Marabout” (in de befaamde reeks “Marabout Junior”) het eerste avontuur van Bob Morane, voormalig vliegtuigcommandant en aventurier met een groot hart (La vall√©e infernale). Meteen het begin van een successtory met meer dan 30 miljoen exemplaren en een genre dat mettertijd evolueert naar de thriller, sciencefiction en het fantastische verhaal. Meer dan 180 verhalen lang achtervolgen Bob Morane en zijn vriend Bill Balantine geboefte, waar ook ter wereld. Televisiefilms, platen, videospelletjes, tekenfilms en diverse strips (getekend door Attanasio met L’oiseau de feu, Forton, Vance en Coria) bestendigen de legen¬≠de. Het zijn Belgen, de drukker Andr√© G√©rard en “scout” Jean-Jacques Schellens, die het pocketboek in de Franse drukkerswereld introduceren. De “Editions Marabout” ontstaan in Verviers in 1949 en het succ√®s van deze popu¬≠laire en goedkope uitgaven, met stevige kaft en aantrekkelijk omslag, laat niet op zich wachten. Daartoe worden overigens gedurfde publicitai¬≠re campagnes gevoerd en zijn er altijd weer nieuwigheden: de “Marabout Junior‚Äô, ‚Äú’Marabout Mademoiselle” (“Sylvie h√ītesse de l’air”), “Marabout G√©ant” (literaire klassiekers), “Marabout Flash” (praktische uitgaven in heel klein formaat), “Marabout Universit√©” (encyclopedische werken)… Marabout kent gouden tijden in de zestiger en zeventiger jaren (7 miljoen boeken per jaar!) maar wordt dan langzaamaan opgeslorpt door Hachette. Nadien specialiseert de uitgeverij zich in gidsen, praktijk- en informaticaboeken.

Een andere hoogvlieger binnen de Belgische uitgeverswereld is “Martine”, een jongerenalbum, getekend door Marcel Marlier. Drie√ęnvijftig verhalen verschijnen, met meer dan 50 miljoen exemplaren en vertaald in een dertigtal landen.

Malpertuis transponeert Jean Ray de grote mythen uit de oudheid. Het boek wordt beschouwd als een klassieker in het fantastische genre en krijgt in 1972 een verfilming, met Harry Kumel als regisseur en Orson Welles, Susan Hampshire, Mathieu Carri√®re… als acteurs. Jean Ray is een productief auteur die ook¬†¬† schrijft¬†¬† onder¬†¬† het¬†¬† pseudoniem¬†¬† John Flanders. Hij publiceert vooral vo√īr 1943 (Les Contes du Whisky, La Cit√© de l’indicible Peur, Le Grand Nocturne…) maar hij moet wachten tot de publicatie in de beroemde Maraboutreeks (zestiger jaren) vooraleer te worden gelezen door het publiek en geloofd door de kritiek. Hij is de schrijver van de horror, een verteller met een ongebreidelde fantasie en schepper van de bekende d√©tective Harry Dickson. Daardoor wordt hij de fantastische evenknie van Edgar Allan Poe. Tevens boegbeeld van een Belgische traditie, zowel in de schilderkunst (van Bruegel tot Ensor), de film (Andr√© Delvaux, Harry Kumel, Raoul Servais…), het stripverhaal (Jacobs, Com√®s, Servais, Schuiten, Dufaux…) als in onze literatuur. Naast Jean Ray zijn er immers ook Thomas Owen (La cave aux cra¬≠pauds – 1945), Marcel Thiry (Nouvelles du grand possible – 1958), Franz Hellens (Les R√©alit√©s fan¬≠tastiques – 1923), Johan Daisne (De trein der traagheid – 1948) en Michel de Ghelderode die met Escurial ( 1927), La Balade du Grand Macabre (1934) niet allen harde en gekwelde maar ook internationaal gelauwerde werken aflevert.

Wist je … dat de roman Kaas (1933) van Willem Elsschot onlangs bijzonder enthousiast ontvan-gen is in deVS en een der best verkochte boeken van 2004 is in Duitsland?

 

4 SPORT

Eddy Merckx: 525 overwinningen

Hij heeft ze allemaal gereden en (bijna) allemaal gewonnen.Wat kan je nog van Eddy Merckx zeggen.zonder in herhaling te vallen? Hij is de grootste wielrenner aller tijden en de grootste kampioen in alle disciplines, a√Įs je de eisen van het wielrennen in rekening brengt. Maar hij is ook een groot voorbeeld. Hij is een buitengewoon wieirenner, als je nagaat dat hij het heeft moeten opnemen tegen een eerder nooit geziene generatie. Poulidor, Van Impe, Gimondi, Zoetemelk, Th√©venet in de grote Ronden, Godefroot, De Vlaeminck, Moser en tal van anderen in de klassiekers. Maar laten wij vooral de cijfers spreken. Hij behaalt 525 overwinningen bij de beroepsrenners, 5 zeges in de Ronde van Frankrijk, waar hij 96 dagen in het geel rijdt en 34 etappes wint. Komen daarbij 5 triomfen in de Ronde van Italie en eenmaal wint hij de Ronde van Spanje. En dan CT zijn er de klassieke overwin¬≠ningen.

Buiten Parijs-Tours en Bordeaux-Parijs wint hij alle klassiekers, in totaal 29, waaronder zevenmaal Milaan-San Remo. Eddys wordt viermaal wereldkampioen op de weg (éénmaal bij de amateurs, driemaal bij de profs). En na een goed gevuld seizoen vestigt hij met 49,431 km een nieuw werelduurrecord.

Paul Van Himst: de “gouden schoen” van de eeuw

Hij is pas 16 als een blonde, ietwat verlegen jongeman zijn entr√©e maakt in het eerste elftal van Sporting Anderlecht. Heel snel wordt duidelijk dat het gaat om een uitzonderlijke speler, dankzij zijn wervelende dribbel en √©l√©gante speelwijze. Op 17 is hij Rode Duivel en hij zal in totaal 81 caps veroveren. De “kleine prins” van het Astridpark behaalt met zijn club 8 kampioenstitels en 4 bekers. Hij is driemaal de beste doeischutter en krijgt maar Nefs viermaal de “gouden schoen” (1960,1961,1965,1974). In 1995 mag hij de “gouden schoen van de eeuw” in ontvangst nemen. Als trainer van Anderlecht wint hij de UEFA-beker tegen Benfica (1984). Hij wordt ook trainer van de nationale ploeg en bereikt in 1994 in deVS de achtste finale van het wereldkampioenschap waar de Belgen zeer onterecht op de Duitsers stranden. Paul van Himst is, samen met Jan Ceulemans en Erwin Vandenbergh, de meest bekende Belgische voetballer. Ceulemans krijgt driemaal de “gou¬≠den schoen” maar maakt vooral furore als kapitein van de nationale ploeg in de gouden jaren.

Ceulemans en de zijnen zijn verliezend finalist van het Europees kampioenschap 1980 te Rome (2-1 tegen Duitsland), halve finalist op het wereldkampioenschap 1986 te Mexico (met 2-0 verloren tegen Argentini√ę en met 4-2 de klei-ne finale tegen Frankrijk). Jan Ceulemans is de absolute recordhouder van het aantal selecties met maar liefst 96 caps! Erwin Vandenbergh wordt de beste doelschutter van Europa in 1980, met 39 treffers in de trui van Lierse. Hij mag in het Parijse Lido zijn trofee in ontvangst gaan nemen.

 

Que calor

Op die bewuste dag in juli¬† 1986 op de Brusselse Grote Markt, vol mensen. Onze moedige Rode Duivels zijn terug uit Mexico waar zij de mooiste bladzijden geschreven hebben van de Belgische voetbalge-schiedenis. De halve finales hebben zij bereikt en ei zo na de finale, ware er die duivelse Maradonna niet geweest bij de Argentijnen. De historische “go…go…go…goal” van Roger Laboureur en Rik De Sadeleer klinkt nog na in de oren, evenals de “ole, ole, ole, ole…” van toen. En ook nu wil iedereen nog graag de vier goals tegen de Russen (achtste finale) en het penaltydoelpunt tegen Spanje (kwartfinale) terugzien. Wat een bekroning voor een ploeg met spelers die al in de finale van het Europees Kampioenschap in Rome (1960) hebben meegedaan. Daar botsen zij op een zekere Hrubesch die twee minuten voor het eindsignaal de Belgische droom tenietdoet. In de Mundial van 1982 in Spanje hebben de Belgen ook al een visitekaartje afgegeven door regerend wereldkampioen Argentini√ę in de openingsmatch te kloppen. Voor de Wereldkampioenschappen 1990 en 1994 worden de Duivels zeer onterecht uitgeschakeld door Duitsland en Engeland. En heel veel vragen rijzen nog steeds bij de eliminatie in 2002 tegen de latere wereldkampioen Brazili√ę, na het afkeuren van een perfect reglementair doelpunt van Marc Wilmots.

Hij behaalt acht Grote Prijzen Formule I (op 116 deelnames), is tweemaal vice-wereldkampioen a√Įs / rijder voor het prestigieuze Ferrari, wint zesmaal de “24 Uren van Le Mans” (waaronder driemaal opeenvolgend), schrijft de Parijs-Dakar op zijn naam in 1983 en is 17 maal Belgisch kampioen in allerlei discipli¬≠nes. Jacky Ickx is dus een kampioen op de motor en in de auto. Hij wordt geboren op 1 januari 1945 en kent, met 30 jaar, een opvallend lange carri√®re als piloot. Nadien ontpopt hij zich tot een ervaren organisator en koersdirecteur. Na hem komt Thierry Boutsen, met evenzeer een glansloopbaan in de Formule I. Hij behaalt in 10 jaar 3 grand prix-overwinningen (Canada, Australie in 1989 en Hongarije in 1990). In 1999 wordt hij in de “24 Uren van Le Mans” het slachtoffer van een verschrikkelijk ongeval (tegen meer dan 300 km per uur!) en zet hij een punt achter zijn carri√®re.

Wist je … dat Jacky Ickx zijn carri√®re begint op de motor, meer bepaald in de trial?

Wist je … dat Dominique Monami en Els Callens de bronzen medaille in het dubbelspel wegkapen op de Olympische Spelen van Sydney in 2000? En dat Xavier Malisse en Olivier Rochus het dubbel¬≠spel winnen op Roland-Garros in 2004?

Belgi√ę heeft een motorcrosstraditie, zoveel¬† is zeker. Namen als Jo√ęl Robert, Roger De Coster, Gust Baeten, Andr√©¬†¬† Malherbe, Gaston Rahier, Jo√ęl Smets, Harry Everts… bewijzen dat. Maar de allergrootste is Stefan Everts. Hij wordt in 1973 geboren in Bree (en is dus dorpsgenoot van Kim Clijsters) en groeit, dankzij vader Harry, op in de sfeer van paddocks en circuits. Vader Everts offert snel zijn carri√®re op aan het jeugdig supertalent van zoonlief. Stefan is amper 19 en meteen de jong-ste motorcrosswereldkampioen in de geschiedenis…

Ondanks vele ernstige kwetsuren (milt weggenomen in 1992, knieoperatie in 1999 en armbreuk in 2000) met evenzoveel tijdelijke non-actiefs, komt hij telkens terug met een ontem-bare winsthonger. Waardoor hij een onge√ęvenaard palmar√®s kan voorleggen: achtmaal wereldkampioen (laatste maal in 2004). Een andere bekroning is de Trofee voor Sportverdienste. Meer dan verdiend, overigens!

Justine Henin en Kim Clijsters zijn ongetwijfeld de vaandeldragers van de Belgische sport bij het begin van de 2lste eeuw. In die mate zelfs dat niemand minder dan Koning Albert II in 2003 de finale bijwoont van hun finale op Roland-Garros. Een koninklijke finale dus die triomfantelijk wordt afgesloten door Justine. Zij heeft als junior het toernooi in 1997 al gewonnen. Zij realiseert daarmee haar kinderdroom en… lost een belofte in aan haar te vroeg overleden moeder. In 2001 maakt de amper 19-jarige Justine een opgemerkte entr√©e bij de internationale tennis-profs. Zij wordt halve finaliste op Roland-Garros (geklopt door Kim Clijsters!) en fina¬≠liste in Wimbledon (verslagen door Venus Williams). Samen met Kim, Laurence Courtois en Els Callens bezorgt zij Belgi√ę de Fed Cup. In 2004 wint zij de Australian Open (tegen Kim) en wint zij voor Belgi√ę de enige gouden medaille op de Olympische Spelen van Athene, na een bloedstollende halve finale tegen de Russische Myskina.

Kim Clijsters bleef een overwinning in de Grand Chelem najagen. Zij strandt op een zucht in Roland-Garros en Australi√ę maar wint wel de Masters in 2002 in Los Angeles. Zij staat even eerste op de ranking van de beste speelster maar wordt opgevolgd door Justine. Dit magistrale tennisduo is al voorafgegaan door heel wat talent. Dominique Monami en Sabine Appelmans doen van zich spreken bij de vrouwen, Filip Dewulf en later Xavier Malisse en de broers Rochus doen dat bij de mannen. Maar er is natuurlijk ook nog net legendarische duo Brichant-Washer dat voor Belgi√ę de Davis Cup binnenhaalt.

Het biljartlaken Simonis en Raymond Ceulemans zijn de echte ambassadeurs van het Belgisch¬†¬† biljart.¬† Laatstgenoemde wordt in 1938 in Lier geboren en woont er nog steeds. Als jongeman verdeelt hij zijn tijd tussen voetbal en biljart, dat laatste op de tafels van het ouderlijke caf√©. Op 23 wordt hij voor het eerst Belgisch kampioen driebanden, zijn grote¬† specialiteit.¬† Binnen de¬†¬† kortste keren wordt hij ‘s werelds beste dankzij een buitengewone toets en dito spelinzicht. Zijn¬†¬† l00ste overwinning in het driebanden levert hem de titel op van “Mister 100” en meteen ook de naam van zijn caf√© in Lier, waar kinderen en kleinkinderen al voor de aflossing van de wacht zorgen.

In 2002 wordt Raymond Ceulemans door Koning Albert II tot “Ridder” geslagen. Meteen de bekroning van een loopbaan die Belgi√ę zowat overal ter wereld bekend en ge√ęerd heeft gemaakt.

Hij is zesvoudige wereldkampioene, behaalt negen Europese titels, √©√©n Olympische “demonstratie”-gouden medaille en wordt achtmaal “Sportvrouw van het Jaar”. Door dit palmares is Ingrid Berghmans de grootste Belgische sportvrouw ooit. Zij wordt in 1961 geboren en behaalt een eerste wereldtitel in het judo in de “open cat√©gorie” als zij 19 is. Op de Olympische Spelen van Seoel is het judo slechts een demonstratiesport en zij behaalt daar een eerder symbolische gouden medaille. Maar de grootste verdienste van deze judoka is ongetwijfeld dat zij het voorbeeld geweest is voor een h√®le volgende generatie. Voor Ulla Werbrouck bijvoorbeeld, Olympische kampioene in de cat√©gorie minder dan 72 kg (Atlanta – 1996) , na een memorabele finale tegen de Japanse Tanabe. Ulla wordt tweemaal vice-wereldkampioene en zevenmaal Europese kampioene. En dan is er Gella Vandecaveye die in de categorie√ęn -6l kg en -65 kg zeven Europese titels behaalt, twee wereldtitels en twee Olympische m√©dailles (zilver in 1996 te Atlanta en brons in 2000 te Sydney). Zij kondigt het einde van haar carri√®re aan maar probeert nog eenmaal te schitteren op de Olympische Spelen.Tevergeefs, helaas…

Wist je … dat Belgi√ę ook tal van kampioenen in de trial heeft voortgebracht, met o.m. Eddy Lejeune uit Dison die driemaal wereldkampioen is van 1982 tot 1984?

Hij is Belgisch delegatieleider voor de Spelen van Athene in 2004 maar staat al veel langer symbool voor de vastberadenheid, kracht en wil die elke atleet moet kunnen opbrengen, wil hij de top bereiken. Hij bereikt in elk geval zijn top op de Olympische Spelen van Moskou in 1980, waar hij goud wint door de Rus Khouboulouri voor eigen publiek te verslaan in de catégorie. Vier jaar later elimineert een Amerikaanse scheidsrechter hem in de eerste ronde van de O.S. van Los Angeles.

Robert Van de Walle neemt nog tweemaal deel aan Olympische Spelen. In Seoel (1988) haalt hij brons maar in Barcelona (1992) vist hij achter het net. Hij wordt wel vijfmaal Europees kampioen en tweemaal vice-wereldkampioen.

“Zware jongen” Harry Van Barneveld wint als tweede Belgische judoka Olympisch eremetaal, brons in de “open” van Atlanta in 1996.

Het zwemmen wordt altijd al beheerst door enkele groten (VS, Australi√ę, Duitsland, ex-USSR,…).¬† En uitgerekend in die sport zorgt Fred Deburghgraeve op de Olympische Spelen van Atlanta in 1996 voor een exploot en een uniek feit in de Belgische sportgeschiedenis.

In Atlanta behaalt “Fredje” immers de titel op de 100 meter schoolslag in I ’00″65 nadat hij in¬†de kwalificatie al voor een nieuw wereldrecord heeft gezorgd, met 5 honderdsten seconde minder.¬†Het is net koninginnenummer van het zwem¬≠men en een tijdlang het “priv√© domein” van Deburghgraeve die in het Australische Perth wereldkampioen wordt in 1998. Hetzelfde jaar verbetert hij zijn eigen wereldrecord van 59’02” tot 58’5I”.

In 2000 zet hij een punt achter zijn carri√®re en gaat niet naar de spelen van Sydney. Hij krijgt de trofee voor Sportverdienste in 1995, op een moment dat hij nog “maar” Europees kampioen Met beste moet dan nog komen. Bij de dames is Brigitte Becue de nationale trots op internationaal niveau. Zij wordt tweemaal Europese kampioene op de 200 m schoolslag (1993-1995) en eenmaal op de 100 m in 1995. Vooral de Olympische Spelen van Atlanta in 1996 vormen een geslaagde campagne, na Barcelona en voor Sydney. In de VS zwemt zij twee finales, wordt 7de in de 200 m schoolslag en 8ste in de 100 m.

Wist je … dat Paul Van Himst 235 maal heeft gescoord in zijn loopbaan!

Gaston Reiff (¬įI92I) debuteert in het voetbal. Op zijn 18 begin hij evenwel aan atletiek nadat hij een cross gewonnen¬†¬† heeft. Na¬† de Tweede Wereldoorlog wordt¬† hij¬†¬† een¬†¬† der besten in de halve fond en de fond.

Hij wordt 24 maal nationaal kampioen op de 1500, 5000 en 10.000 m, op de 3000 m steeple en in de cross. In 1951staan alle Belgische records op zijn naam van de 1000 tot de 10.000

  1. Hij zal ook drie wereldrecords op zijn conto schrijven, ni. de 2000 m (1948), de 3000 m (1949) en de dubbele mijl (1952). Maar zijn grootste wapenfeit blijft de gouden medialle van de 5000 m op de Olympische Spelen van 1948 te Londen. Na een spannende koers en een adembenemende sprint klopt hij de grote favoriet, de Tsjech Emil Zatopek met 2 honderdsten van een seconde in 14’17″6. Hij leeft voort in de Belgische sportgeschiedenis als de eerste atleet die een gouden Olympische medaille weet te veroveren.

In 1964 bezorgt een andere Gaston op de Olympische Spelen van Tokio de Belgen weer goed in de atletiek. Gaston Roelants is al vierde op zijn lievelingsnummers, de 3000 m steeple, tijdens de Spelen van Rome, vier jaar vroeger. In Tokio is hij 27, op het toppunt van zijn atletisch vermogen en voldoende gerijpt. Hij beheerst de koers van begin tot einde en finisht zegevierend in 8’30″8. Het jaar daarop verbetert hij opnieuw het wereldrecord tot 8’26″4. Hij zal zes wereldrecords op zijn naam¬† ¬†schrijven, 28 Belgische en 26 maal Belgisch kampioen worden. Zonder daarbij zijn 3 overwinningen te vergeten in de mythische Corrida de Sao Paulo en zijn 4 zegepralen in de Cross der Naties.

In zijn voetsporen volgen twee begaafde jongeren. Miel Puttemans wordt de grootste Belgische recordjager ( 12 wereldrecords in zaal en 4 op de piste). Hij behaalt een zilveren medaille op de 10.000 van de Spelen van Munchen ( 1972), wordt finalist op de 5000 in Mexico (1968), op de 10.000 te Montréal (1976) en halve finalist op de 5000 te Moskou (1980).

Karel Lismont, van zijn kant, is de marathonman. Klein van gestalte maar groot van talent behaalt hij een Olympische zilveren médaille in Munchen (1972) en een bronzen plak op de Spelen van Montréal vier jaar later.

Wist je … dat superfavoriet Roger Moens tijdens de Olympische Spelen van Rome in 1960 de 800 m verliest van de Nieuw-Zeelander Snell, omdat hij vooral oog heeft voor zijn grote rivaal Kerr?

Wist je … dat de Belg Paul Gailly tijdens de Olympische marathon van Londen net voor de meet begeeft, terwijl hij op kop loopt,n vrede moet nemen met de derde plaats?

Leuven is de bakermat van atletiekgroten. Hier zien Roelants, Puttemans en later Kim Gevaert het licht maar ook, op 21 februari 1954, Ivo Van Damme. Als hij 16 is, ruilt hij het voetbal in voor de atletiek en zeer terecht. Hij wordt een kampioen op de 1500 maar vooral op de 800 meter. Hij is buitengewoon talentrijk en heeft een sterk karakter. Hij ontpopt zich tot een trainingsbeest, met maar √©√©n ambitie: de nummer √©√©n plaats in de wereld. In 1976 neemt hij voor het eerst, en helaas voor het laatst, deel aan de Olympische Spelen van Montr√©al. Met een geweldig succ√®s want hij wordt tweede op de 800 m (achter de Cubaan Juantorena) en op de 1500 (na de Nieuw-Zeelander Walker). Deze twee atleten zijn de eerste die later een eresaluut brengen op de meeting die Van Dammes naam zal dragen en elk jaar het Koning Boudewijnstadion in vervoering brengt. Want Ivo Van Damme komt in december 1976 om bij een verkeersongeval op de Franse “Autoroute du Soleil”, a√Įs hij terugkeert van een trainingsstage aan de C√īte d’Azur. Een Belgische atletiekzon zal nooit meer opgaan…

Wist je … dat Ivo Van Damme een der eersten is die oog heeft voor zijn “image”? Zo zendt hij een postkaart met zijn buitenlandse stages aan de Belgische journalisten.

 

VOLKSKUNDE

 

GODSDIENST

Wist je …dat het”Feest van God”¬† (“F√™te Dieu”) er gekomen is dankzij Soeur Julienne, een¬† bescheiden zuster, die Paus Adrianus overtuigd heeft van haar grote devotie voor het Heilig Sacramanent?

 

FEESTEN, OPTOCHTEN

 

De Gille vormt het symbool bij uitstek van het carnaval.Toch blijft het een merkwaardig     personage, dat bovendien deel uitmaakt van het UNESCO werelderfgoed.  Het kostuum omvat een linnen vest met twee met stro gevulde bulten, één vooraan en de andere achteraan. De bijpassende broek is versierd met 20 heraldische leeuwen in rode en zwarte vilt en met 120 sterren met de Belgische kleuren. Een belletje bevindt zich op de bult vooraan tegen de borst.

De Gille draagt een witte muts, de baret en daarop een hoofddeksel dat bijna 3 kg weegt in struisvogelveren die 150 cm hoog kunnen zijn. Zijn geplisseerde kraag bevat niet minder dan 150 m lint. De linnen gordel is versierd met koperen belletjes en klokjes, die “ap√®rtintaye” genoemd worden. De Gille draagt houten klompen met een smalle lederen riem, als versiering van de befaamde geplisseerde linten. In de gevlochten tenen mand draagt hij appelsie-nen. Op Vette Dinsdag draagt hij een linnen masker, bekleed met was, versierd met een groene bril, een snor en een “mouche”. Tijdens de ochtend van de grote dag loopt de Gille ook rond met zijn schoorsteenborstel van wilgent-wijgen samengehouden door drie rotanbanden. De Gille van Binche werkt inspirerend op gelijkaardige gezelschappen in Charleroi en La Louvi√®re. In Fosses-la-ville komen met Halfvasten de Chinels op straat.

Wist je … dat het vinkzetten in Belgi√ę nog heel populair is, waarbij de beste “zangers” het tegen mekaar opnemen?

 

Het ‚ÄúCwarm√™‚ÄĚ

Dit typisch Waalse carnaval gaat al terug tot 1415.

Lu Haguète is het meest representatief voor de maskers en de traditionele personages in de lokale fol­klore.

De legende wil dat door Kruistochten heel wat besmettelijke ziekten hier worden ingevoerd. Er ontstaan dus leprozenhuizen waar d.m.v. kap-mantel en een “afstandsbediening”, de “Hape-tch√Ęr”, elk risico op besmetting via direct contact vermeden wordt. En dat zijn nu juist de attributen van lu Hagu√®te. Op het kostuum prijken nog andere versieringen, zoals de tweekoppige adelaar op de rug, verwijzend naar het Heilige Romaanse Rijk oftewel de Germaanse Natie, waarvan het prinsdom Stavelot-Malmedy vroeger deel uitmaakt.

De sjerp van het vroegere kapiteinskostuum en de Franse steek met daarop veelkleurige struis-vogelpluimen vervolledigen de outfit. Het wapen, de “Hape-tch√Ęr” in de Waalse taal, ontstaat pas in de vorige eeuw. Het blijkt een ideaal instrument om op carnavalsdag het duizendkoppige publiek rond het parcours te plagen…

Enkele kilometers daarvandaan, in de abdijstad Stavelot, zijn er de beroemde “Blancs Mouss√ģs” die met Halfvasten zorgen voor veel plezier. De nabije Duitstalige regio van Eupen, Sankt-Vith en La Calamine vieren carnaval op Rijnlandse wijze, met het hoogtepunt op Rozenmaandag. Een gelijkaardig gebruik vind je overigens terug in Aalst en Maaseik die jaarlijks ook een prins-carnaval verkiezen.

Tchantch√®s is de figuur bij uitstek van de Luikse folklore en wordt op miraculeuze wijze geboren op 25 augustus 760. Ondanks zijn uiterlijk en dus eerder omwille van zijn sprankelende geest en zijn goed karakter wordt hij voor de werkende bevolking de prins van Outre Meuse. Als dusdanig treedt hij in dienst van Karel de Grote. Hij is sluw en moedig en vergezelt zijn meester in militaire campagnes in Spanje.¬† Roland laat Tchantch√®s rusten en dat wordt hem fataal¬† in Roncevaux.¬† Hij kan zodoende immers niet beschikken over de onvergelijkelijke krijger die¬†¬† op zijn eentje¬† 3000 Sarracenen in de pan hakt en de gevolgen zijn bekend…

De legende blijft voortleven en Tchantchès wordt, aan de zijde van de onafscheidelijke Nanesse, de sleutelfiguur voor creatieve poppenspelers die zijn kleurrijke heldendaden laten herleven. Tot groot jolijt van duizenden kinderen.

Hij is het prototype van de echte Luikenaar: koppigaard, dwarsligger, grote mond, met een afkeer voor franjes en vooral enorm onafhan-kelijk. Hij is de ware burger van het land van Luik, die altijd in vuur en vlam kan schieten voor een of andere nobele zaak. Zijn naam is het resultaat van een vervorming van de Waalse voornaam “Francw√®s”, oftewel Fran√ßois.

De optochten tussen Samber en Maas vormen in ritme en kleur een mooie uitbeelding van de zomerse kalender. De oorspong van deze marsen gaat terug tot middeleeuwse religieuze processies, begeleid door gewapende soldaten. De wegen zijn op dat moment alles behalve veilig, omwille van struikrovers of godsdienstoorlog, dus enige bescherming voor de relikwie√ęn is niet overbodig. De processie van Sainte Rolende in Gerpinnes illustreert de oorsprong van deze gebruiken. Pas in de 19de eeuw, als de Fransen Belgi√ę bezetten, trekken de deelnemers keizerlijke uni¬≠formen aan, helemaal in de sfeer van de Franse overwinningsoptochten. Diverse groepen escorteren net kostbare reliek, zowel in de processie van Sainte Gertrude te Nivelles a√Įs in de zevenjaarlijkse optocht van Saint Feuillen te Fosses-la-ville. Met trommel en dwarsfluit, geweersalvo’s en vriendelijke marketentsters, behoren deze optochten tot de originele Waalstalige folklore van dit land.

Van Walcourt tot Ch√Ętelet, van Thuin tot Mariembourg of Jumet kan je regelmatig unifor¬≠men uit het Eerste of Tweede Keizerrijk zien paraderen. Een vijftiental van deze folkloristische optochten mag overigens rekenen op offici√ęle erkenning vanwege de Belgische Franstalige (sic) Gemeenschap.

De Ommegang is een van oorsprong religieuze processie die teruggaat tot 1348 en een zomers hoogtepunt is te Brussel.  In dat jaar krijgt de jonge Brusselse Béatrice  Soetkens  van   de   Maagd Maria de opdracht een beeldje van haar te gaan stelen in Antwerpen en het naar de Zavel terug te brengen.

Er volgen tal van wederwaardigheden en mirakels en tenslotte organiseert de Brusselse de eerste Ommegang. Deze jaarlijkse processie ter ere van het Heilig Beeld van de Zavel toont telkens weer, onder hoge bescherming, het in Antwerpen gestolen, kostbare reliek. In 1594 zet de Ommegang zijn beste beentje voor ter ère van Keizer Karel V, zijn zoon Filips en zijn zusters Maria van Hongarije en Eleonora van Frankrijk. Zeshonderd personages in kledij van toen vertegenwoordigen de grote ambachten van de stad.

Sindsdien verzamelt de Ommegang elk jaar opnieuw tal van gekroonde hoofden op de Brusselse Grote Markt.

De processie heeft intussen Bruegeliaanse allu­res gekregen met de optocht van dansers, acro-baten, narren en steltlopers. In totaal maken maar liefst 1400 figuranten deze optocht tot een onvergetelijk spektakel.

Een reisduif die voor de zesde maal de lange afstandswedstrijd wint. Met controleapparaat geeft uitsluitsel. De eigenaar is in de wolken. Een kampioenenduif heeft immers tijd nodig om te groeien. De duivenwedstrijden zijn inderdaad bijzonder veeleisend. Belgi√ę is de bakermat van de duivensport en telt nog 55.000 melkers, meestal de vijftig al voorbij. Maar er staan altijd jongeren klaar om de fakkel over te nemen. Zelfs vanuit Japan is er regelmatig interesse voor kampioenen, voortgekomen uit de kweek “Made in Belgium”. De Internationale Federatie, 55 landen in totaal, is trouwens niet zomaar in Brussel gevestigd. Er zijn twee soorten van reisduiven van Belgische “makelij” die hun strepen verdiend hebben: de Antwerpse Postduif of Blauwe, met een grote bek en sterk ontwikkelde morilles en zijn Luikse blauwgeschelpte tegenhanger, met een korte bek en eerder kleine morilles. In 1846 is Antwerpen het wereldcentrum van de duivensport met 25000 duiven die met de boot op reis gaan, uitgezet worden enkele dagen voor er aangelegd wordt met informatie wat er aan boord is. Zo is de vracht al verkocht is bij aankomst.

 

Ath is wel net mekka van de reuzen

Op de feestelijke “Ducasse”, de vierde zondag van augustus, trekt een 50-tal reuzen (met een wilgen-geraamte,tussen de 120 en 180 kg en slechts gedragen door √©√©n man!) door de stra-ten van de stad. Deze optocht is eerst religieus van aard en gaat terug tot 1399. In 1819 verliest de stoet niettemin zijn godsdienstig karakter. Binnen het reuzengild bevinden zich David en Goliath, die sedert 1487 hun gevecht publiek telkens weer overdoen. Maar ook Samson, Ambiorix en het Ros Beiaard (600 kg en 16 dragers!) zijn van de partij. Op het einde van de stoet maken Mijnheer en Mevrouw Goliath van oudsher een traditioneel dansje, luid aangemoedigd en begeleid door typische muziek. Maar ook elders in het land vind je reuzen. Zowel in Vlaanderen als in Wallonie maken zij deel uit van oude en minder oude folkloristische gebruiken. Nu eens roepen zij een belangrijke periode op in de lokale geschiedenis, dan weer herinneren zij aan populaire personages of aan typische (verdwenen) figuren. In Nieuwpoort heb je bijvoorbeeld Jan Turpijn, de grootste reus van Europa. Hij meet 10,60 meter, weegt 850 kilogram en 26 dragers zijn nodig om hem toe te laten zich tussen het volk te begeven. Hij behoort ontegensprekelijk tot de voornaamste blikvangers van de Sint Bernard-optocht.

De laatste zondag van juli, en dit al sedert  1673, trekt in Veurne de Boeteprocessie uit. Gekleed in een ruwe pij en met een houten kruis van meer dan 25 kg, leggen de boetelingen net parcours af. De processie heeft te maken met de terugkeer van Robrecht II, Graaf van Vlaanderen, van de Kruistochten. Hij brengt dan een stukje mee van het echte kruis van Christus. Jaarlijks komen er meer dan 20.000 kijkers op deze processie af. Eerst beeldt een groep van 500 figuranten diverse scènes uit van het oude en het nieuwe testament. Nadien komen de boetedoeners, velen blootsvoets, al biddend en zingend.

In het Henegouwse Lessines nemen de zwarte boetedoeners op Goede Vrijdag deel aan de processie van Christus’ teraardebestelling. In pij en kapmantel en met toortsen dragen de boetelingen Christis naar zijn laatste rustplaats. Het doffe geroffel van de trommels, het geluid van de ratels, rouwzangen en gebeden benadrukken nog meer het ingetogen karakter van deze plechtigheid. De hel stad huit zich trouwens vol-ledig in het duister a√Įs de begrafenisstoet voorbijkomt.

Bij de terugkeer in de kerk wordt Christus bijgezet in het graf onder het altaar en dit tot de volgende GoedeVrijdag. Het gebruik dateert al minstens van 1475.

 

GASTRONOMIE

De Belgische kust is maar 66 km lang maar biedt tal van toeristische, folkloristische en   gastronomische ontdekkingen die, soms   samen, voor bijzonder veel plezier zorgen. Zo heeft Oostduinkerke de traditie van de garnaalvangst in ère gehouden, meteen het uithangbord voor de rustige badplaats. Tal van belangstellenden komen kijken als de vissers vertrekken.

Gezeten op hun stevige Brabantse paarden, trekken deze vissers met een sleepnet het water in. Zij zijn gekleed in een gele jekker en zorgen voor de lekkernij die onder de meest diverse vormen opduikt in gerechten van het restaurant om de hoek.

 

Ook in combinatie met een of ander edel bier scoren de diertjes.

 

Het hinterland van de Westhoek is trouwens rijk aan speciale bieren. Poperinge, nog steeds een mekka van de hop, is immers niet ver. En zo komt het dat in juli het strand volloopt voor de verkiezing van Mieke Garnaal en dat in september de Hoppekoningin haar opwachting maakt in Poperinge.

Smaken en Belg is tegelijk smulpaap en fijnproever. De Belgische keuken blinkt uit door culinaire verfijning. Wij hoeven dus helemaal niet jaloers te zijn op de Franse buren, want bij ons vind je evenzeer verscheidenheid en tal van kwaliteitsvolle specialiteiten. Belgisch witloof en café liégeois staan op de spijskaart waar ook ter wereld, al of niet in vertaalde vorm. Zij getuigen van een smakenparadijs dat opgeroepen wordt in een zaal om bij te likkebaarden.

Zowel in de streekgastronomie a√Įs in de haute cuisine schitteren chefs van bij ons. Zij kunnen prat gaan op een gedegen internationale reputatie. Deze gerenommeerde vaklui zorgen voor ware magie aan het fornuis.

Deze met sterren bekroonde gastronomie drijft op een vruchtbare en gulle bodem. Daaraan ontleent zij ook een eigen, veelzijdige en algemeen aanvaarde persoonlijkheid. Belgi√ę serveert dus moeiteloos een smakenmenu van aperitief tot pousse-caf√©. Met dank aan bieren en kazen, zeevruchten en Ardeense gerookte waren. Wie valt niet voor de onvergelijkbare Belgische chocolade in al zijn varianten? De meest verwende smaakpapillen vinden hier hun gading. De triomftocht dus van een smaakvol land.

 

Bron: Expo Made in Belgium, 2005

 

 

 

 

 

 

 

EXPO MADE IN BELGIUM, 2005

 

 

Au confluent des cultures latine et germanique, le territoire belge fut de tout temps une plaque tour¬≠nante, une terre de passage sur la route des envahisseurs. Champ de bataille privil√©gi√© des arm√©es europ√©ennes, la Belgique fut √† maintes reprises occup√©e et opprim√©e, mais jamais enti√®rement domin√©e. Face √† ces tragiques vicissitudes, elle fut une terre de libert√©s ch√®rement conquises. La farouche d√©termination des Gaulois atteste de la capacit√© de r√©sistance des habitants de nos contr√©es. Alors que les Belges de l’√©poque ne formaient qu’une ligue de tribus diverses et sans unit√© particuli√®re, ils √©taient d√©j√† tr√®s peu enclins √† s’en laisser conter. C√©sar lui-m√™me n’eut d’autre choix que de leur reconna√ģtre une bravoure hors du commun. Et bien d’autres, apr√®s lui, en feront encore l’exp√©rience… √† leurs d√©pens. A la p√©riode m√©rovingienne, suc¬≠c√®de la somptueuse p√©riode carolingienne qui est confront√©e aux invasions Vikings. Ceux-ci remont√®rent les fleuves, pill√®rent, ran√ßonn√®rent les habitants et mirent √† mal l’autorit√© royale et imp√©riale. Les habitants r√©sisteront sous la pro¬≠tection de seigneurs guerriers.

 

Ainsi, de si√®cle en si√®cle, il fallut rejeter les intrus et lutter contre l’occupation. La r√©sistan¬≠ce est m√™me devenue un mythe. Ainsi celle des flamands contre le roi de France en 1302 lors de la Bataille des Eperons d’or et celle des 600 franchimontois en 1468 contre le joug bourgui¬≠gnon seraient les pr√©mices d’une identit√© fla¬≠mande d’une part et wallonne d’autre part. La cr√©ation des “Pays-Bas espagnols” n√©s de la scis¬≠sion des XVII Provinces au XVIe si√®cle constitue le point de d√©part de l’identit√© nationale belge. L’√©tranger espagnol est forc√© de respecter les traditions provinciales et la domination n’est par ressentie comme telle par les Belges de l’√©¬≠poque. Par contre, le non-respect des droits des Etats dans le cadre des Pays-Bas Autrichiens est √† l’origine de la r√©volution de 1789-90, mais bient√īt la centralisation fran√ßaise fera taire ce sentiment national. Il √©clatera avec force en 1830 contre les Hollandais pour donner nais¬≠sance √† l’Etat ind√©pendant. Les Belges se forge¬≠ront encore une solide r√©putation de r√©sistants au cours des deux guerres mondiales, prouvant √† nouveau aux plus sceptiques que disparit√©s culturelles et linguistiques n’emp√™chent nulle¬≠ment de s’impliquer dans une d√©marche convergente face √† l’injustice et √† l’arbitraire.

C’est pourquoi, forts de leurs traditions d√©mo¬≠cratiques, les Belges seront capables de r√©aliser un mod√®le politique unique au monde : un Etat f√©d√©ral appuy√© sur le compromis et le dialogue permanent √† travers les institutions.

La Belgique a toujours √©t√© un √©l√©ment dyna¬≠mique dans le processus d’unification euro¬≠p√©enne. Sa position g√©ographique centrale au sein de l’Europe, le r√īle √©minent jou√© par des personnalit√©s d’envergure internationale et une tradition d’ouverture au monde ont permis √† la Belgique d’accueillir de nombreuses institutions internationales. Ce n’est pas sans raison que Bruxelles revendique l√©gitimement le titre de Capitale de l’Europe.¬†¬†¬†

 

Le fondateur de la pal√©ontologie humaine et le premier “Belge” ?

 

Philippe-Charles Schmerling naquit √† Delft en 1790. Apr√®s ses √©tudes, vers 1812, Schmerling aurait √©t√© re√ßu officier de sant√© et, √† la fin de 1813, il serait entr√© dans l’arm√©e des Pays-Bas comme m√©decin militaire. Rest√© en garnison √† Venlo (Limbourg hollandais, √† la fronti√®re allemande) jusqu’en 1816, il aurait ensuite exerc√© comme m√©decin civil.Apr√®s leur mariage, Schmerling et son √©pouse vinrent s’√©tablir √† Li√®ge. D√®s son arriv√©e √† Li√®ge, en 1822, Schmerling entreprit des √©tudes de m√©de¬≠cine √† l’Universit√©. Il obtint son dipl√īme de docteur le 6 ao√Ľt 1825.11 aurait exerc√© la m√©de¬≠cine jusqu’√† sa mort, mais c’est par les fouilles en grottes et l’√©tude des ossements fossiles qu’il s’est distingu√©. Schmerling d√©c√®de le 7 novemb¬≠re 1836 √† Li√®ge.

En 1829, P.-C. Schmerling fit la d√©couverte de la premi√®re grotte √† ossements qui fut connue en Belgique. Il devait en 1830 d√©couvrir dans la seconde grotte d’Engis – grotte ouverte dans le calcaire carbonif√®re situ√©e √† mi-hauteur d’une falaise abrupte de la rive droite du ruisseau des Awirs – des ossements humains associ√©s √† ceux d’Ours, d’Hy√®ne et de Rhinoc√©ros. Il d√©duisit de cette d√©couverte que les grands animaux pr√©¬≠historiques devaient √™tre contemporains des premiers hommes.

 

Les fragments humains d√©couverts provenaient de trois cr√Ęnes humains : un Homo n√©ander¬≠thalensis (cr√Ęne d’enfant), un autre du type moust√©rien (entre -70 000 et -35 000) et fina¬≠lement un de l’√©poque aurignacien (-35 000 et – 27 000). La pal√©ontologie humaine √©tait n√©e.

 

Malheureusement, comme on consid√©rait enco¬≠re √† l’√©poque que Dieu avait cr√©√© le monde ¬≠dont l’homme – en six jours, il y a quelque 5000 √† 6000 ans, l’importance de la d√©couverte de¬† Schmerling reste sous-√©valu√©e.

 

 

 

¬ę¬†Les Belges sont les plus braves¬†¬Ľ

L’enseigne votive de Flobecq est en laiton et cuivre rouge, orn√©e d’une statuette de S√©rapis, de panth√®res et de t√™tes de lion en ronde de bosse. Elle a √©t√© retrouv√©e √† 5 m√®¬≠tres de profondeur sous une paire de meules dans un puit romain au “Pluvinage”. C’est un t√©moin tr√®s pr√©cieux de l’occupation romaine dans nos r√©gions. Dans ses Commentaires sur la guerre des Gaules, la source d’information la plus pr√©cieuse sur l’histoire ancienne de notre pays, Jules C√©sar d√©clare De tous ces peuples, les Belges sont les plus braves. A cette √©poque, la Gaule Belgique ou Belgica s’√©tend de la Seine au Rhin et est habit√©e par des peuples d’origine celte et germanique : les Atr√©bates, les Bellovaques, les Eburons, les Morins, les Aduatuques, les Tr√©vires ou encore les R√®mes. Apr√®s une r√©sistance farouche, nos r√©gions sont conquises par C√©sar en 51 avant J.-c. Il les organise en quatre provinces: la Germanie Ier, la Germanie Ile’, la Belgique I√®re et la Belgique IIe. Al’√©poque, les deux principales cit√©s sont Turnaccum (Tournai) et Aduatuca (Tongres). Les Romains mettent en place leur syst√®me poli¬≠tique. Des l√©gions s’installent dans les quatre provinces. Des relations commerciales s’√©ten¬≠dent et s’intensifient: l’huile, le vin, les articles de toilette, les objets d’art nous viennent de Rome tandis que les jambons fum√©s de M√©napie. les oies et les toiles des Morins. la laine fabriqu√©e par les Nerviens partent pour Rome. Dans l’ensemble. la soci√©t√© garde son caract√®re agricole.

 

Philippe le Bel prêt pour le combat

 

Le r√®gne de Philippe le Bel est avant tout marqu√© par le ph√©nom√®ne de centralisa¬≠tion du pouvoir royal. Ce dernier fait preuve de r√©alisme et de dogmatisme. Il est tout entier tendu vers l’affirmation de l’Etat et de la souverainet√© royale en France. Il entend briser la r√©sistance de ceux qui s’accrochent encore aux pouvoirs du pass√© : les grands fiefs comme la Flandre ou la th√©ocratie pontificale. Philippe le Bel tente d’annexer la Flandre dont il empri¬≠sonne le comte Gui de Dampierre et confie le gouvernement √† Gui de Ch√Ętillon. La Flandre se soul√®ve et s’engage alors la c√©l√®bre bataille des Eperons d’Or. Lors de cette bataille, les Fran√ßais sont massacr√©s √† Bruges et sont compl√®tement vaincus √† Courtrai en 1302. Il a besoin de beau¬≠coup d’argent pour mener cette guerre. Il aug¬≠mente les imp√īts, il proc√®de √† des mutations mon√©taires. il exclut et confisque les groupe marginalis√©s – les Juifs. les Lombards. le Templiers… Philippe le Bel meurt en 1314.

 

Le 11 juillet de l’an 1302, une bataille qui allait √™tre d√©cisive dans l’histoi¬≠re de la Belgique se d√©roula √†Courtrai. La bataille que l’on nom¬≠mera plus tard “La bataille des Eperons d’Or” – en raison des 700 √©perons dor√©s que l’on suspendit dans l’Eglise de Courtrai en signe de victoire – opposa des trou¬≠pes flamandes form√©es de milices urbaines et de paysans √† une superbe arm√©e de chevaliers fran√ßais command√©e par Robert d’Artois, le “parent ch√©ri” du roi de France Philippe IV le Bel. La victoire des Flamands apparut √† bon nombre de contemporains, tel le b√©n√©dictin Gilles Ii Muisis, comme incroyable tant la situa¬≠tion du point de vue militaire et politique, sem¬≠blait jusque l√† sans espoir pour les Flamands. En effet, √† l’issue d’un conflit de plusieurs ann√©es entre le comte de Flandre Gui de Dampierre et son suzerain, Philippe IV le Bel, roi de France, la Flandre est annex√©e au domaine de la couron¬≠ne de France. Le Comte Gui de Dampierre et ses fils Robert de B√©thune et Guillaume Cr√©vecoeur ainsi que de nombreux nobles fla¬≠mands, disparaissent dans les prisons fran√ßaises. Tandis que le roi victorieux et son √©pouse, Jeanne de Navarre, effectuent une joyeuse entr√©e en pays conquis au d√©but de 1301.

 

Cette situation acceptable pour beaucoup, sus¬≠cita n√©anmoins une vive opposition. La Flandre, contrairement aux autres provinces fran√ßaises, √©tait fortement urbanis√©e et industrialis√©e, et de larges couches de la population – le commun des villes de Gand, Bruges, ainsi que les paysans prosp√®res du franc de Bruges – √©taient en conflit avec les seigneurs et le patriciat oligar¬≠chique des villes. D√®s qu’elles prirent conscien¬≠ce des liens objectifs existant entre la noblesse, le patriciat urbain et le roi, un mouvement de r√©sistance se d√©veloppa.

A Bruges surtout, les milices communales conduites par Pieter de Coninck, un tisserand, se dressent contre l’occupant.Ainsi naquit une √©tonnante coalition entre l’aristocratique famille comtale, les paysans et les m√©tiers d√©mocratiques. Le 18 mai 1 302, √† l’aube du “vendredi de Bruges”, baptis√© plus tard les Matines de Bruges, ils assassinent des dizaines de Fran√ßais et leurs partisans. Ce massacre offrit soudain l’occasion de reconqu√©rir le cont√© et de restituer le pouvoir √† l’ancienne dynastie flamande.

Sous le commandement de Willem van Gulik, les Flamands effectuent leur progression vers Bruges. Ils s’emparent du Franc de Bruges et de la r√©gion c√īti√®re. Les Yprois et une centaine d’exil√©s gantois participent √©galement au com¬≠bat, sous le commandement de Jan Borluut. Sur ces entrefaites, le 10 mai, le roi de France nomme Robert d’Artois commandant de l’ar¬≠m√©e – constitu√©e de 8.000 hommes dont 2500 √† 3000 chevaliers et √©cuyers – qui devait mar¬≠cher sur Courtrai, tentait d’assi√©ger la citadelle qui √©tait aux mains de la garnison fran√ßaise. La grande confrontation entre les deux arm√©es eut lieu sur la plaine mar√©cageuse de Groeninghe, en dehors de la ville de Courtrai.

Gr√Ęce √† une strat√©gie rus√©e, √† des armes adap¬≠t√©es – parmi lesquelles le fameux goendendag (n.m. du fi. signifiant “Bonjour”), arme des mili¬≠ces urbaines, sorte de fauchard (arme offensive constitu√©e d’une faux emmanch√©e effil√©e √† “ex¬≠tr√©mit√© d’une hampe qui √©tait utilis√©e entre aut¬≠res pour jeter les chevaliers et les √©cuyers √† bas de leurs chevaux ou de tuer les derniers), mais √©galement les lances et les masses – les troupes d’infanterie flamandes r√©ussirent √† vaincre les Fran√ßais.

 

Apr√®s 1 302, le pays retrouva son statut de prin¬≠cipaut√© autonome, poss√©dant sa propre dynas¬≠tie. En 1304 Philippe IV le Bel d√©clara que la Flandre serait restitu√©e √† ses comtes et que les libert√©s communales seraient maintenues. En outre, le patriciat des villes dut partager le pou¬≠voir avec les m√©tiers et les homines noui fortu¬≠n√©s, qui n’appartenaient pas aux anciennes familles.

La bataille de Groeninghe mit fin √† un si√®cle d’h√©g√©monie fran√ßaise qui avait d√©but√© en 1214 √† Bouvines, √©galement en territoire flamand.

l’√©v√®nement historique que constitue la bataille des Eperons d’or sera relat√© dans diverses chroniques. En 1838, l’histoire deviendra roman populaire par “interm√©diaire du Leeuuw van Vlaanderen de Hendrick Conscience, elle en¬≠trera ainsi dans la mythologie nationale. Progressivement, elle sera un symbole inspira¬≠teur pour le Mouvement flamand. Des comm√©¬≠morations prestigieuses auront lieu : des inau¬≠gurations de statues, des cort√®ges histo¬≠riques… En 1973, le gouvernement flamand proclama le Il juillet journ√©e officielle de la f√™te de la Communaut√© flamande.

 

Les Pays-Bas du Sud, berceau de l’art du carillon

Beyaerde est un mot qui nous vient du n√©erlandais moyen et qui signi¬≠fie” frapper avec un marteau (bat¬≠tant) sur un volume en m√©tal ou en bois “. Il ne s’agissait √† l’origine que d’un signal. Plus tard, on devint suffisamment riche que pour y jouer les six notes d’un hexa¬≠corde, tout juste pour une chanson populaire ou un chant d’√©glise. A l’ext√©rieur, on pendait de grandes cloches dans les clochers ou les bef¬≠frois dans le but d’avertir les habitants de la ville. Jan van Bevere, carillonneur √† Dunkerque, utilisait d√©j√† en 1478 ces cloches de plus gran¬≠de taille pour faire r√©sonner les chants d’√©glise dans toute la ville lors des jours de f√™te. On suppose qu’il a reli√© au moyen d’une corde les battants des cloches √† une sorte de clavier, res¬≠semblant au clavier d’un orgue. Les cloches √©taient toujours de la partie lorsque l’on voulait donner un air de f√™te √† un √©v√©nement.Jean sans Peur f√™ta sa victoire contre les Li√©geois √† Bruges en 1394 avec des” orghene ‘” (orgues) et ” beyaerden ” (carillons) et Philippe le Bon y fit sa joyeuse entr√©e en 1440 au son des cloches. En 1510, √† Audenarde, on alla m√™me jusqu’√† relier, au moyen de fils, toutes les cloches, petites et grandes, √† un grand tambour et √† un piano √† b√Ętons avec lequel on pouvait jouer, comme avec un orgue.

Toutes nos villes r√©sonn√®rent de mille sons jus¬≠qu’√† la fin du 18e si√®cle. Napol√©on trouvait que les cloches sonnaient mieux que le bruit des canons. Ce n’est qu’√† la fin du 1ge si√®cle que l’on a red√©couvert le carillon en tant qu’instru¬≠ment typique des Pays-Bas du Sud. Adolf Denyn (1823-1887) et son fils Jef ( 1862-1941) ont jou√© un r√īle primordial dans la cr√©ation de l’√©cole de carillon Reine Fabiola de Belgique √† Malines, qui jouit d’une r√©putation internationale. Elle fut seulement inaugur√©e officiellement en 1922, et non pas en 191 3, √† cause de la guerre.

 

 

 

Hans Ruckers (Malines, +- 1533 ‚Äď Anvers, 1598) compta parmi les premiers ma√ģtres-fabricants de clavecins √† Anvers (‚Ķ).

L‘atelier Ruckers compta dans ses rangs des fabricants de renom sur 3 g√©n√©rations : Hans, Jan (1578-1643) et Andreas 1 (1579 – +/-1652), Andreas Il (1607- +/-1654) et Johannes Couchet (1615-1655). Cet atelier jouissait d’une telle r√©putation √† Anvers que les autres fabricants de clavecins √©taient tr√®s souvent employ√©s chez Ruckers.

Du point de vue musical, le virginal est rest√© pareil. La caisse a certes √©t√© totalement repein¬≠te en cama√Įeu vert, avec putti et guirlandes. √Ägauche du clavier, un morceau de papier impri¬≠m√© a √©t√© retir√© d’un d√©cor original remontant √†l’√©poque de la Renaissance dans l’atelier de res¬≠tauration du MIM.

 

Gretry triomphe à Paris

Andr√©-Ernest-Modeste Gr√©try (1741-1813) rapporte dans ses M√©moires, ou Essais sur la musique (Paris, 1789) que, lors de voyages en diligence o√Ļ lors de sorties bucoliques √† la campagne, il emportait ce petit piano muet. Cet instrument lui permettait de faire les exer¬≠cices n√©cessaires pour garder la souplesse de ses doigts sans d√©ranger ceux qui voyageaient avec lui. L’absence totale de son, de m√™me qu’un ambitus limit√© √† deux octaves, confirme bien qu’il n’est pas destin√© √† la composition. √Ä l’ar¬≠ri√®re, un ergot peut √™tre enclench√© afin de dur¬≠cir ou d’assouplir le toucher. Pour la majorit√© des m√©lomanes, Gr√©try est d’abord le compositeur de l’air Ou peut-on √™tre mieux qu’au sein de sa famille ? Depuis sa composition en 1769, il fait partie de l’incon¬≠scient collectif des belges. Mais ce li√©geois n√© le 8 f√©vrier 1741, doit avant tout sa place dans l’histoire de la musique √† sa contribution d√©cisi¬≠ve au genre de l’op√©ra comique, une forme d’o¬≠p√©ra m√™lant textes parl√©s, airs et r√©citatifs accompagn√©s. Des oeuvres telles que Le Huron (1768), Luc/te (1769), Z√©mire et Azor (1771), Le jugement de Midas ( 1778), Richard CŇďur-de-Lion (1784) domin√®rent la sc√®ne parisienne pendant vingt ans jusqu’√† la R√©volution fran√ßaise. Leur popularit√© s’√©tendit dans toute la France. mais aussi dans les Pays-Bas, en Allemagne, dans cer¬≠taines parties de l’Italie. en Autriche, en Su√®de… Elles surv√©curent longtemps apr√®s sa mort, survenue le 24 septembre 1813.

 

La fl√Ľte traversi√®re de Rottenburgh

La fl√Ľte traversi√®re de Jean Hyacinthe Rottenburgh (1672-1756) se distingue par le fini de sa perce int√©rieure autant que par le travail de finition ext√©rieure. Elle repr√©sente la fl√Ľte traversi√®re du type ‘nouveau” introduite par les Hotteterre dans le troisi√®me quart du 17e si√®cle √† la Cour de France. C’est la fl√Ľte tra¬≠versi√®re √©l√©gante, typique de l’√©poque baroque qui finissait par s’imposer au d√©triment de la fl√Ľte √† bec. Aujourd’hui, la fl√Ľte traversi√®re de Rottenburgh sert de mod√®le √† des copies qui permettent aux baroqueux de faire revivre la musique du temps de Bach dans un contexte esth√©tique fiable.

A la Cour de Charles de Lorraine √† Bruxelles, comme par ailleurs √† d’autres cours d’Europe, les facteurs d’instruments de musique et les musiciens faisaient partie des m√™mes familles ou √©taient parfois les m√™mes artisans. A Bruxelles, les familles de Rottenburgh, Willems et Snoeck comptaient les facteurs d’instru¬≠ments √† vent et les luthiers les plus fameux de leur √©poque. Ils fournissaient leurs services √†

l’orchestre de la Cour en tant que musiciens et entretenaient des liens familiaux entre eux.

 

N√©¬† en 1820,¬† le¬†¬† vervi√©tois¬†¬† Henri Vieuxtemps impressionne d√®s l’√Ęge de six ans, par sa pr√©cocit√© √† la musique lors de son interpr√©tation publique du cinqui√®me concerto pour violon¬† de¬† Robe. A Anvers, le¬† peintre Barth√©l√©my Vieillevoye, √©galement originaire de Verviers, brosse le portrait du jeune virtuose alors √Ęg√© de huit ans. Tenant son violon √† la main, le jeune Vieuxtemps exprime toute la spontan√©it√©, le naturel de l’enfance, et le regard d√©termin√© et serein d’un artiste d√©j√† accompli. A l’√Ęge de 9 ans, Charles B√©riot le remarque lors de sa premi√®re tourn√©e de concerts. .Apr√®s un perfectionnement √† Bruxelles, Vieuxtemps entreprend d√®s 1833 de multiples tourn√©es au cours¬†¬† desquelles¬†¬† il¬†¬† c√ītoie¬†¬† Schumann¬†¬† ou Paganini. Suite √† une rencontre avec Reicha, il se consacre √† la composition jusqu’√† sa mort en 1881.

Henri Vieuxtemps fait partie de la richesse musicale que conna√ģt le Pays de Li√®ge depuis le fin du XVIIIe jusqu’au d√©but du XIX’ si√®cle. On voit s’√©panouir aussi les talents d’Andr√©-Modeste Gr√©try (1741-1813), de C√©sar Frank (1822-1890), de Guillaume Lekeu (1870-1894) et d’Eug√®ne Ysaye (1858-1891). Avec Henri Vieuxtemps, ces noms figurent aujourd’hui dans toutes les histoires de la musique.

 

Elisabeth, Duchesse de Bavi√®re, √©pouse le prince h√©ritier Albert de Belgique. Elle rencontre √† Bruxelles Eug√®ne Ysaye, violoniste au talent incontest√©. Il est au sommet de sa carri√®re. L’art les rapproche. On peut ima¬≠giner que pendant des ann√©es d’amiti√©, ils √©changent leurs id√©es sur ce que devrait √™tre un concours international. Ysaye meurt en 1931 alors que la Reine vient de cr√©er la Fondation Musicale Reine Elisabeth. En 1937 le premier concours Ysaye a lieu. Un impressionnant jury international r√©pond √† l’invitation. D√®s sa fon¬≠dation, le concours est consid√©r√© dans le monde entier comme un des plus prestigieux mais aussi un des plus difficiles qui soit. Il va de soi que la r√©ussite de cette premi√®re √©dition sera d√©terminante pour le futur du concours. En parall√®le, la Reine avec l’aide financi√®re du baron Paul de Launoit, √©rige une institution des¬≠tin√©e √† am√©liorer la formation des musiciens belges : la Chapelle Musicale Reine Elisabeth. En 1950, le Concours Ysaye change de nom et devient Concours Reine Elisabeth.

Le¬† Concours¬† Reine Elisabeth s’adresse aujour¬≠d’hui aux musiciens dont la¬†¬† formation¬†¬† est¬†¬† d√©j√† confirm√©e et qui sont pr√™ts √† se lancer dans une carri√®re internationale. Les disciplines abord√©es sont le piano, le chant, le violon et la composition. Les concours d’in¬≠terpr√©tation ont lieu tous les 4 ans et le concours de composition tous les 2 ans.

 

Le saxophone en tant qu’instrument a peut-√™tre plus chang√© entre 1841, l’ann√©e de sa premi√®re pr√©sentation √† l’Exposition de l’industrie’ nationale √† Bruxelles, et 1846, la date du brevet, que par la suite. Sax lui-m√™me a voulu r√©server ses droits sur son invention par de l√©gers changements brevet√©s en 1866 et 1871 en France. Au 20e si√®cle, c’est surtout les fir¬≠mes fran√ßaises tels Selmer et am√©ricaines comme Conn et Beuscher qui ont continu√© √† am√©liorer la production et le syst√®me des clefs du saxophone. Le premier facteur belge √† pro¬≠duire des saxophones fut Mahillon : il d√©marra la production en 1867, c’est-√†-dire au moment o√Ļ le premier brevet (fran√ßais) du saxophone tomba dans le Domaine Public. Con√ßus comme une nouvelle famille d’instru¬≠ments de plein air destin√©e √† donner de l’√©clat aux musiques militaires fran√ßaises, c’est dans les big bands am√©ricains des ann√©es 1930 que les saxophones ont trouv√© leur destination comme base d’un orchestre nouveau. Il va de soi que Sax lui-m√™me n’a jamais soup√ßonn√© une telle √©volution. Le moins qu’on puisse dire au sujet du saxophone c’est donc qu’il est devenu l’ins¬≠trument pr√©f√©r√© des jazz men par une dialec¬≠tique remarquable.

C’est par le biais des musiques militaires que le saxophone a trouv√© son chemin vers le jazz. Notons en passant que deux belges ont jou√© un r√īle important dans la divulgation du saxopho¬≠ne aux Etats-Unis: le virtuose Henri Wuille ( 1822-1871) et jean Moeremans qui √©tait saxo¬≠phoniste du Marine Band de Sousa dans les ann√©es 1890. Les premiers enregistrements de saxophone sont √©galement dus √† des Belges et notamment √† Eug√®ne Coffin (New York, 1895) et jean Moeremans (Washington. 1897).

 

Au lendemain de la Seconde Guerre Mondiale le jazz belge prend un r√©el essor international gr√Ęce √† l’√©-y mergence d’une nouvelle g√©n√©ration de musiciens talentueux. Parmi ceux-ci Toots Thielemans (1922), Jack Sels ( 1922-1970), Jacques Pelzer ( 1924-1994), Bobby Jaspar (1926-1963), Sadi (1927), Ren√© Thomas (1927-1975).Tous font leurs classes en Belgique en d√©cryptant les disques de jazzmen am√©ri¬≠cains et en fondant des groupes dont le plus fameux sera les Bob-Shots. Dans les ann√©es 1950, tous tentent leur chance √† l’√©tranger avec des fortunes diverses. Sadi s’impose en France, Bobby Jaspar √† New York, mais c’est Toots Thielemans qui devient sans conteste le musi¬≠cien belge le plus connu en dehors de nos fron¬≠ti√®res. De la Scandinavie √† l’Am√©rique, de l’Asie √† l’Europe, son nom est partout associ√© √† l’ins¬≠trument auquel il donne ses lettres de nobles¬≠se: l’harmonica. Mais on lui doit aussi ce fameux son qui va faire fureur et qu’il obtient en dou¬≠blant ses phrases de guitare en sifflant. Une dis¬≠cographie immense et des collaborations avec le gratin des artistes jazz et pop de la seconde moiti√© du XXe si√®cle font de lui l’un des artistes belges r√©ellement essentiels. Cette g√©n√©ration de musiciens a suscit√© l’√©clo-sion de tr√®s nombreux talents, citons : Fred Van Hove (1937), F√©lix Simtaine (1938), Philippe Catherine (1942), Michel Herr (1949), Steve Houben (1955), Bertjoris (!957),Kris Defoort (1959), Dr√© Pallemaerts (1964), les membres d’Aka Moon… Tous se distinguent par leur

renouvellement des métissages. des échanges, que ce soit avec les musiques traditionnelles ou avec la musique contemporaine.

 

 

Succès

Des valeurs s√Ľres reconnues √† l’√©tranger comme Helmut Lotti, Adamo, Axelle Red, Maurane, Clouseau. Pierre Rapsat ont ouvert la voie √† une nouvelle g√©n√©ration pleine de pro¬≠messes qui va de Jeff Bodart √† Zomik en pas¬≠sant par Ann Pierl√© et Vincent Veneto Les nom¬≠breuses compiles consacr√©es √† la chanson belge attestent de la vitalit√© de nos artistes.

 

ln het Nederlands

Bien des artistes flamands conna√ģtront un suc¬≠c√®s important en chantant dans leur langue. Que l’on songe √† Will Tura. Gorki. Willy Sommers. Dana Winner, K 3 ou encore Wim de Craene et Raymond van het Groenewoud.

 

Tweetalig-Bilingue

D’autres cependant choisiront le fran√ßais avec la volont√© de s√©duire un plus vaste public: Arno. Kim Kay … Echange de bons proc√©d√©s. des wal¬≠lons d√©cideront de chanter en flamand et ren¬≠contreront le succ√®s de l’autre c√īt√© de la fron¬≠ti√®re linguistique. Ce sera le cas de Jo Lemaire et de Sandra Kim.Assez curieusement, na√ģtront aussi quelques chansons bilingues fran√ßais-fla¬≠mand : “Marieke” de Jacques Brel. “Zusje (P’tite sŇďur)” de Jean-Louis Daulne. “Un dimanche en automne” de Pierre Rapsat …

 

ln English

Mais pour les chanteurs belges comme pour tant d’autres. seule la langue anglaise peut assu¬≠rer une v√©ritable carri√®re internationale. C’est ce qu’ont bien compris Soulsister. Vaya Con Dios ou encore Hooverphonic.

 

Belgian sound

La Belgique sera au sommet de la vague dans le domaine de la musique √©lectronique au point qu’on parlera m√™me du “belgian sound” qu’illus¬≠treront des groupes comme Technotronic. 2 Unlimited, Front 242 …

 

Show

La chanson belge explore les voies les plus diverses, en parlait accord avec la vari√©t√© des go√Ľts du public. Annie Cordy. Urbanus. Sttellla, Eddy Wally, De Woodpeckers … allient humour, fantaisie et dynamisme . . ..

 

Pop-rock

Sur la sc√®ne pop-rock. s’illustrent des talents dont les compositions magistrales √©clatent sou¬≠vent au niveau international: Machiavel, K’s Choice, dEUS, Venus, TC Matic, Ozark Henry, Hooverphonic, Novastar …

 

Instrumental

La musique instrumentale compte aussi des compositeurs belges de renom comme Wim Mertens, Luc Baiwir, Marc Moulin ou Francis Goya.

 

Hits

En dehors des multiples “tubes” qui fleurissent dans le paysage musical, la Belgique a aussi pro¬≠duit quelques hits plan√©taires. Songeons entre autres √† “Dominique” de SŇďur Sourire num√©ro 1 au hit-parade am√©ricain, √† “Tombe la neige” d’Adamo consid√©r√© comme un air traditionnel au japon, √† des standards internationaux comme”Bluesette” de Toots Thielemans, “La Playa” de Jan van Wetter, “La petite valse” de jo Heine, “Early bird” d’Andr√© Brasseur sans oublier “Marina”, “Ca plane pour moi”, “Pump up the jam” et “Born to be alive”.

 

Po√©sie, po√ęzie

Enfin, julos Beaucarne , Philippe Lafontaine, Adamo, Johan Verminnen ou encore Jan De Wilde cultivent les fleurs de langage pour sédui­re les amateurs de poésie.

 

Kids

Quant au jeune public, il trouvera son bonheur dans les spectacles ou les √©missions t√©l√©vis√©es de Christian Merveille, Mamemo, Andr√© Borb√©, Blabla, Tik Tak ….

 

E num√©rer tous les tubes c√©l√®bres de la vari√©t√© belge (“Daydream”, “La danse des canards”, “Mia”, “Mad about you”, “C’est l’amour”, “Twee meisjes”, “Kingston, Kingston”, “Tim”, “Lena”, “Rin ring l’ ve got to sing” …) serait une entreprise aussi fastidieuse qu’¬≠hasardeuse tout comme √©tablir une sorte de hi√©rarchie parmi les chanteurs. Si l’on tient compte des divers styles, langues et p√©riodes, un √©chantillon repr√©sentatif mais forc√©ment subjectif de toutes les composantes de la chan¬≠son belge pourrait comporter les 20 noms sui¬≠vants par ordre alphab√©tique: Adamo, Arno, Jacques Brel, Clouseau, Annie Cordy, Hooverphonic, K’s Choice, Philippe Lafontaine, Lio, Helmut Lotti, Machiavel, Maurane, Pierre Rapsat,Axelie Red, Soulsister, Technotronic, Will Tura, Raymond van het Groenewoud, Vaya con dios et Zap Mama.

 

Il a¬† tout couru. il a (presque) tout gagn√©. Que dire encore d’Eddy Merckx sans devenir banal.

Plus grand coureur cycliste de tous les temps, plus grand champion tou¬≠tes disciplines confondues quand on conna√ģt les exigences du sport cycliste, il est aussi un v√©ri¬≠table exemple national. Coureur exceptionnel. il a en outre construit son palmar√®s en devant faire face √† une concurrence comme il y en eut rarement dans l’histoire du cyclisme : de Poulidor √† Van Impe, Gimondi, Zoetemelk, Th√©venet dans les grands Tours. de Godefroot √† De Vlaeminck, Moser et combien d’autres dans les classiques.

Apr√®s cela. seuls les chiffres parlent: 525 victoi¬≠res professionnelles, 5 tours de France o√Ļ il a classiques dont 7 Milan-San Remo. Eddy a √©ga¬≠Iement √©t√© quatre fois champion du monde sur route (une fois en amateurs, trois fois chez les pros). Enfin, il a battu le record du monde de l’heure √† Mexico, apr√®s une saison bien remplie sur route. Il a couvert 49,431 km.

 

A 16 ans, un jeune homme blond, un peu timide, effectue son entr√©e en √©quipe fanion au Sporting d’Anderlecht. Tr√®s vite sa tech¬≠nique, son dribble ondulant, sa cour¬≠se √©l√©gante en font un footballeur exceptionnel. Diable rouge √† 17 ans (il le sera √† 81 reprises), le “petit prince” du Parc Astrid emporte avec son club 8 titres de champion de Belgique et 4 coupes nationales. Sacr√© meilleur buteur du championnat √† trois reprises, Paul Van Himst se verra surtout attribuer le “Soulier d’or” quatre fois: en 1960, 1961, 1965 et 1974. En 1995, il est d√©sign√© “Soulier d’or” du si√®cle (le XX’). Comme entra√ģneur d’Anderlecht, il gagne la coupe UEFA, devant Benfica, en 1984.

Entra√ģneur de l’√©quipe belge, il atteint les 1/8….. de finale de la coupe du monde 1994 aux Etats¬≠Unis, les Diables √©tant injustement √©limin√©s par l’Allemagne. Avec Paul Van Himst, Jan Ceule¬≠mans et Erwin Vandenbergh sont sans doute les footballeurs Belges les plus connus. Le premier a √©t√© “Soulier d’or” √† trois reprises mais surtout le Capitaine embl√©matique des Diables rouges

de la grande √©poque. Finaliste au championnat d’Europe √† Rome en 1980 (d√©faite 2-1 face √† l’Allemagne), Ceulemans a √©t√© demi-finaliste √† la coupe du monde 1986 au Mexique (d√©faite 2-0 devant l’Argentine puis 4-2 en consolation face √† la France. Ceulemans est le recordman des s√©lections en √©quipe nationale avec 96 capes ! Quant √† Erwin Vandenbergh, il a √©t√© sacr√© meil¬≠leur buteur europ√©en en 1980 avec 39 buts √†son actif sous le maillot du Lierse. Il re√ßut sa r√©compense au Lido de Paris.

 

Diables Rouges à Mexico / juillet 1986

 

Nos valeureux Diables ont √©crit la plus belle page de l’histoire du football belge en se hissant en demi-finale, √©chouant de peu face √† l’Argentine et surtout ce diable de Maradona. Le “go…go…go…¬≠goal” historique de Roger Laboureur et Rik De Saedeleer est encore dans toutes les oreilles ainsi que les “ole, ole, ole” endiabl√©s du Grand Jojo. Et chacun de revoir les quatre buts inscrits aux Russes en huiti√®mes de finale, puis le penal¬≠ty d√©cisif de L√©o Vanderelst face aux Espagnols en quarts.

Quelle apoth√©ose pour une √©quipe dont plu¬≠sieurs- √©l√©ments avaient d√©j√† particip√© √† la Finale du championnat d’Europe √† Rome en 1980. Cette fois, Hrubesch avait √©t√© le Maradona alle¬≠mand pour crucifier nos Diables √† deux minu¬≠tes du coup de sifflet final.

Au Mondial ’82 en Espagne, la Belgique s’√©tait distingu√©e lors du match d’ouverture en battant l’Argentine, tenante du titre. Aux Mondiaux ’90 et ’94, nos Diables furent injustement √©limin√©s par l’Angleterre d’abord. l’Allemagne ensuite. Que dire alors de l’√©limination 2002 des Ňďu¬≠vres du futur champion br√©silien apr√®s un but parfaitement valable de Marc Wilmots.

 

 

Jo√ęl Robert, Roger De Coster, Auguste Baeten, Andr√© Malherbe, Gaston Rahier, Jo√ęl Smets, Harry Everts…, la Belgique a de tout temps √©t√© une terre de grands champions en moto-cross. Mais le plus illustre, le meilleur d’entre tous, c’est Stefan Everts. N√© voici 32 ans √† Bree, ce concitoyen de Kim Clijsters,a d√®s son plus jeune √Ęge √©t√© √©lev√© dans l’atmosph√®re des paddocks et des circuits o√Ļ il √©tait le premier supporter de son papa, Harry. Celui-ci va rapidement sacrifier sa carri√®re per¬≠sonnelle quand il s’est rendu compte du talent de son jeune fils. A 19 ans, Stefan devient le plus jeune champion du monde de l’histoire du moto-cross.

Malgr√© plusieurs blessures graves (ablation de la rate en 1992, op√©ration au genou en 1999 et fracture du bras en 2000) qui l’obligent √† avoir des interruptions dans sa carri√®re, il revient chaque fois avec la m√™me rage de vaincre. Avec au bout du compte, un palmar√®s qui n’est pas pr√®s d’√™tre √©gal√© : 8 titres de champion du monde dont le dernier en 2004. L:ann√©e pr√©c√©¬≠dente, il a re√ßu le Troph√©e National du M√©rite Sportif. Amplement m√©rit√©!

 

Huit Grands Prix de Formule 1 (sur 116¬† disput√©s), deux¬† fois vice-champion du monde des conducteurs au sein de la prestigieuse √©curie Ferrari, six victoires aux 24 Heures du Mans (dont trois cons√©cutives), une victoire √† Paris-Dakar en 1983, 17 titres de champion de Belgique, toutes disciplines confondues, Jacky Ickx savait tout faire, en auto comme en moto. N√© en 1945, un Ier janvier, il s’est distingu√© par la long√©vit√© de sa carri√®re : plus de 30 ans au volant avant de devenir un organisateur ou un directeur de course avis√©. Apr√®s lui, Thierry BOUTSEN a men√© une car¬≠ri√®re qui l’a conduit, lui aussi, jusqu’au sommet de la Formule I. En dix ans de pr√©sence, il y a remport√© trois Grands Prix : au Canada et en Australie en 1989, en Hongrie en 1990.Victime d’un terrible accident √† plus de 300 km/heure aux 24 Heures du Mans en 1999, il met un terme d√©finitif √† sa carri√®re.

 

Savez-vous… que Jacky Ickx a commenc√© sa carri√®re par la moto et le trial plus particuli√®rement.

 

 

Locomotives incontestables du sport belge de ce d√©but du 21- si√®cle, Justine Henin-Hardenne et Kim Clijsters sont la fiert√© de tout un pays. A un point tel que le Roi Albert Il a honor√© leur finale 2003 de Roland-Garros de sa pr√©sence. Une finale royale emport√©e haut la main et surtout haut la raquette par Justine. D√©j√† victorieuse du grand tournoi pari¬≠sien en 1997, mais chez les juniors, Justine a concr√©tis√© six ans plus tard un r√™ve d’enfant et surtout une promesse faite √† sa maman trop t√īt d√©c√©d√©e.

C’est en 2001 que Justine, √Ęg√©e de 19 ans √† peine, s’est r√©v√©l√©e sur la sc√®ne internationale chez les “pros”. Demi-finaliste √† Roland-Garros (battue par Kim cette fois-l√†), finaliste √† Wimbledon (vaincue par Venus Williams), elle offre la Fed Cup √† la Belgique avec Kim, Laurence Courtois et Els Callens.

Victorieuse en 2004 de l’Open d’Australie (face √† Kim), Justine a enfin offert √† la Belgique sa seule m√©daille d’or aux J.O. d’Ath√®nes apr√®s une demi-finale √©pique face √† la Russe Myskina. Quant √† Kim Clijsters, toujours √† la recherche d’une victoire en grand chelem apr√®s avoir √©chou√© de peu tant √† Roland-Garros qu’en Australie, elle a remport√© le Masters 2002 √† Los Angeles, devenant du m√™me coup la meilleure joueuse du monde au classement WTA, une place que Justine occupera √©galement peu apr√®s.

Avant ce magistral duo f√©minin, le tennis belge s’√©tait identifi√© au travers des performances de Dominique Monami et Sabine Appelmans chez les dames, de Filip Dewulf chez les hommes avant que Xavier Malisse et les fr√®res Rochus ne prennent la rel√®ve aujourd’hui.

Sans oublier la victoire belge en coupe Davis gr√Ęce √† la paire l√©gendaire Brichant-Washer.

 

Savez-vous

… que Dominique Monami et Els Callens ont emport√© la m√©daille de bronze aux J.O. de Sidney en 2000 ? Autre grande performan¬≠ce en “double”, celle de Malisse et Olivier Rochus, victorieux √† Roland-Garros en 2004.

 

Les ambassadeurs du billard belge, c’est le tapis Simonis et Raymond Ceulemans. N√© voici 67 ans √† Lierre o√Ļ il habite toujours, Raymond Ceulemans se partage entre le football et le billard qu’il pratique, d√®s l’√Ęge de 7 ans, sur les tables du caf√© paternel. A 23 ans, il d√©croche son premier titre de champ¬≠ion de Belgique aux trois bandes, sa grande sp√©¬≠cialit√©. Dot√© d’un toucher exceptionnel, d’une lecture de jeu hors du commun, Raymond Ceulemans devient vite le num√©ro 1 mondial incontestable. Sa centi√®me victoire aux trois bandes lui a valu le titre de Mister 100 qui est d√©sormais le nom de son caf√© √† Lierre o√Ļ ses enfants et petits-enfants assurent d√©j√† la rel√®ve. En 2002, Raymond Ceulemans a √©t√© fait “Chevalier” par le Roi Albert Il. Toute une car¬≠ri√®re qui a fait conna√ģtre le nom de la Belgique aux quatre coins du monde a ainsi √©t√© honor√©e √† sa juste valeur.

 

Six titres mondiaux, neuf titres euro¬≠p√©ens, un titre olympique “en d√©monstration”, huit fois “sportive de l’ann√©e”, le palmar√®s d’Ingrid Berghmans en a fait la plus grande sportive belge de tous les temps. N√©e en 1961, elle remporte son premier titre mondial de judo en cat√©gorie “ouverte” √† l’√Ęge de 19 ans. En 1988, √† S√©oul, le judo f√©minin est uniquement en d√©monstration et Ingrid remporte la m√©daille d’or toute symbolique. Le grand m√©rite d’Ingrid est incontestablement d’avoir montr√© la voie √† toute une g√©n√©ration de judokates belges.

A Ulla Werbrouck d’abord, sacr√©e championne olympique en moins de 72 kilos en 1996 √† Adanta apr√®s une finale m√©morable face √† la Japonaise Tanabe. Vice-championne du monde √† deux reprises, Ulla sera aussi sacr√©e 7 fois championne d’Europe.

A Gella Vandecaveye ensuite qui dans les cat√©¬≠gories de moins 61 kg et moins 65 kg va conqu√©rir sept titres de championne d’Europe, deux de championne du monde et deux m√©dailles olympiques (argent en 1996 √† Atlanta et bronze en 2000 √† Sidney). En 2004, apr√®s avoir annonc√© sa retraite, elle tente un ultime retour aux J.O. d’Ath√®nes. En vain…

 

 

Chef de la d√©l√©gation belge aux der¬≠niers j.O. d’Ath√®nes, RobertVan de Walle incarne depuis longtemps la d√©termination, la force et la volon¬≠t√© dont tout athl√®te devrait s’inspirer pour atteindre les sommets. Son “sommet”, Van de Walle l’atteint aux J.O. de Moscou en 1980 o√Ļ il gagne la m√©daille d’or en moins de 95 kg en battant le Russe Khouboulouri devant son public.

Quatre ans plus tard, un arbitre am√©ricain l’√©li¬≠mine d√®s le premier tour des J.O. de Los Angeles. Robert Van de Walle revient encore aux J.O. √† deux reprises. Il remporte la m√©daille de bronze en 1988 √† S√©oul avant de faire buis¬≠son creux √† Barcelone en 1992. Vice-champion du monde √† deux reprises, Van de Walle sera aussi cinq fois champion d’Europe.

V√©ritable colosse, Harry Van Barneveld a √©t√© le deuxi√®me judoka belge √† gagner une m√©daille (de bronze) aux j.O. C’√©tait √† Adanta en 1996 en cat√©gorie “open”.¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

Dans un sport domin√© de tous temps par les grandes nations (USA, Australie, Allemagne, ex-URSS etc…) l’exploit r√©alis√© par Fred ¬†Deburghgraeve aux Jeux Olympiques d’Atlanta en 1996 est tout simplement excep¬≠tionnel et restera sans doute longtemps “unique” dans les annales du sport belge. A Atlanta, “Fred je” a remport√© la m√©daille d’or du 100 m brasse en l’00″65 apr√®s avoir battu le record du monde lors des √©liminatoires avec un temps de 5 centi√®mes de seconde de moins. Le 100 m brasse, une des disciplines reine de la natation, c’√©tait le domaine de “Fredje” puisqu’il en devint aussi champion du monde √† Perth en Australie en 1998. La m√™me ann√©e, il descend son propre record du monde de la sp√©cialit√© en 58″51 pour 59″02 en 1996). En 2000, il met fin √† sa carri√®re, les Jeux de Sidney se d√©roulant sans lui. Fred Deburghgraeve a re√ßu le M√©rite Sportif national en 1995 alors qu’il n’√©tait encore “que” champion d’Europe. Le meilleur √©tait encore √† venir.

Chez les dames, Brigitte Becue a √©t√© notre meilleure ambassadrice au niveau international. Championne d’Europe du 200 m brasse √† deux reprises (1993 et 1995), elle d√©croche aussi le titre europ√©en en 100 m brasse en 1995. Les Jeux Olympiques 1996 √† Atlanta seront aussi ses meilleurs apr√®s ceux de Barcelone et avant ceux de Sidney. Aux USA, elle participe √† deux finales, 7√®me en 200 m brasse et S√®me en 100 m brasse.

 

N √© en 1921, Gaston Reiff d√©bute sa carri√®re sportive en football. A 18 ans, il se tourne vers l’athl√©tisme apr√®s avoir gagn√© un cross. Apr√®s le second conflit mondial, il occupe le devant de la sc√®ne du demi-fond et du fond.

Il gagnera 24 titres nationaux en 1500 m, 5000 m et 10.000 m, 3.000 m steeple et cross. En 1951, il d√©tient tous les records de Belgique, du 1.000 m au 10.000 m. Il sera aussi d√©tenteur de trois records du monde: 2.000 m (1948),3.000 m (1949) et 2 miles (1952). Mais son plus haut fait d’armes, c’est sa m√©daille d’or conquise sur 5.000 m aux Jeux Olympiques de Londres en

1 948. Au terme d’une course palpitante et d’un sprint √©poustouflant, il bat le grand favori de l’√©preuve,le Tch√®que Emil Zatopek de 2 centi√®¬≠mes de seconde en 14’17” 6. Il restera dans l’histoire du sport belge comme le tout premier athl√®te √† avoir conquis une m√©daille d’or.

 

En 1964, seize ans apr√®s un autre Gaston (Reiff), Gaston Roelants apporte √† la Belgique sa deuxi√®me m√©daille d’or olympique en athl√©¬≠tisme lors des jeux de Tokyo. Quatre ans plus t√īt, aux jeux de Rome. Gaston avait termin√© 4″”” du 3.000 m steeple. sa course de pr√©dilection. A Tokyo. Gaston, √† 27 ans, est au sommet de sa forme et en pleine maturit√© ath¬≠l√©tique.1I ma√ģtrise sa course de bout en bout et s’impose en S’30″S. l’ann√©e suivante (1965), il bat une seconde fois le record du monde de la distance en S’26″4. Gaston d√©tiendra en tout six records du monde, 2S records de Belgique et 26 titres de champion de Belgique. Sans oublier ses trois victoires √† la mythique Corrida de Sao Paulo et ses 4 succ√®s au cross des Nations. Dans sa l√©gendaire foul√©e. Gaston va emmener deux jeunes gar√ßons dou√©s. Le pre¬≠mier. Emile Puttemans fut le plus prestigieux chasseur de records belge (12 records du monde en salle et 4 records mondiaux sur piste). M√©daille d’argent sur 10.000 m aux jeux de Munich (1972), Emile sera encore finaliste sur 5.000 m √† Mexico (196S), finaliste sur 10.000 m √† Montr√©al (1976) et demi-finaliste sur 5.000 m √† Moscou (1980).

Le second, Karel Lismont a fait du marathon sa grande sp√©cialit√©. Petit par la taille mais grand par le talent, il d√©croche une m√©daille d’argent aux Jeux de Munich (1972) puis une m√©daille de bronze quatre ans plus tard aux Jeux de Montr√©al.

 

Louvain, terre de super-champions en athl√©tisme 1 C’est l√†, comme Roelants, Puttemans et plus tard Kim Gevaert, que na√ģt Ivo Van Damme le 21 f√©vrier 1954.A 16 ans, il tourne le dos au football pour lui pr√©f√©rer l’athl√©tisme. Bien lui en prit. Le 1500 m puis sur¬≠tout le 800 m deviennent ses distances de pr√©¬≠dilection. Le talent est pur, exceptionnel, le caract√®re fort.

V√©ritable b√™te de travail, Van Damme n’a qu’un seul objectif: devenir le num√©ro 1 mondial. En 1976, les Jeux Olympiques de Montr√©al sont ses tout premiers. Ils seront aussi h√©las ses der¬≠niers. Ivo s’y couvre d√©j√† d’une gloire promet¬≠teuse en gagnant deux m√©dailles d’argent, s’in¬≠clinant sur 800 m derri√®re le Cubain Juantorena et sur 1500 m derri√®re le N√©o-Z√©landais Walker. Ces deux athl√®tes seront les premiers – et combien d’autres grands champions par la suite – √† venir rendre hommage √† Ivo au M√©morial qui porte d√©sormais son nom et qui se d√©roule toutes les ann√©es au stade Roi Baudouin. Car en d√©cembre 1976, Ivo Van Damme se tue en France sur l’autoroute du Soleil en rentrant d’un stade d’entra√ģnement √† la C√īte d’Azur. L’astre montant de l’athl√©tisme belge s’est tragiquement √©teint.

 

BANDE DESSINEE

 

Un succ√®s plan√©taire et une p√©pini√®re de talents reconnus, avec des per¬≠sonnages dont l’√©num√©ration com¬≠pl√®te r√©clamerait √† elle seule un annuaire t√©l√©phonique: c’est la profu¬≠sion magistrale de la BD Made in Belgium.

Soyons chauvins : au rayon des arguments cul­turels de poids, notre bande dessinée est la plus riche et la plus dense au monde. Que se lèvent les contradicteurs on

Depuis longtemps, nos h√©ros de papier contri¬≠buent remarquablement √† la reconnaissance culturelle et √† la … lisibilit√© de la Belgique aux quatre coins du monde. C’est bien connu, ils adorent voyager et se disperser vaillamment sous toutes les latitudes. La jeunesse avide d’his¬≠toires haletantes se passionne en m√™me temps pour les exploits fougueux de Spirou, applaudit √† la pr√©cision justici√®re du tir de Lucky Luke, se r√©gale des fac√©ties rigolardes et rocambolesques de Bob et Bobette, cajole avec amour le Marsupilami, s’emballe pour les aventures farfelues de Nero et s’attendrit en toute na√Įvet√© au seuil de la mai¬≠son des Schtroumpfs en jetant un regard inquiet du c√īt√© de Gargamel.Autant de h√©ros inusables et infatigables, qui se r√©pandent sans h√©siter jusque dans les contr√©es les plus recul√©es de la plan√®te. s’exprimant s’il le faut en malais ou en turkm√®ne, en swahili ou en chinois. pour faire partie d√©sormais du quotidien des bambins et des grands enfants du monde entier.

 

Des dessinateurs inventifs, des sc√©naristes inspi¬≠r√©s mais aussi des √©diteurs dynamiques (Dupuis. Le Lombard. Casterman. Standaard Uitgeverij …) ont fait de la bande dessin√©e une sp√©cialit√© belge.

La BD Made in Belgium, c’est le neuvi√®me art √† dimension universelle. en perp√©tuelle √©volution. et remarquablement en phase avec son √©poque. Comme une fresque all√©gorique retentissante. immersion garantie dans une superproduction √† la belge.

 

Andr√© Franquin (1924-1997), dessinateur et sc√©nariste, a repris apr√®s Jij√© et anim√© pendant plus de 20 ans les aventures de Spirou et Fantasia en y introduisant de nou¬≠veaux personnages comme Zorglub ou le comte de Champignac, mais il a surtout cr√©√© quelques-uns des h√©ros les plus sympathiques de la BD europ√©enne. Que l’on songe √† Modeste et Pompon, au Marsupilami, l’un des animaux imaginaires les plus fabuleux du 9e art,ou encore √† Gaston, sorte d’antih√©ros sour¬≠ce des catastrophes les plus folles et des inven¬≠tions les plus farfelues. En 1977, il fonde avec Yvan Delporte Le Trombone illustr√©, suppl√©ment autonome du journal de Spirou o√Ļ il publie ses premi√®res Id√©es noires, s√©rie humoristique et sombre r√©alis√©e en noir et blanc et fustigeant la b√™tise humaine. Le style vif et expressif de Franquin l’a impos√© comme l’un des plus incontestables chefs de file de la c√©l√®bre “√©cole de Marcinelle” (si√®ge des Editions Dupuis) et a influenc√© des l√©gions de dessinateurs de BD. Son personnage Le Marsupilami continue √† vivre par les dessins anim√©s et dans des albums sign√©s par le dessinateur belge Batem.

 

Edgar Pierre jacobs (1904-1987) est le dessinateur et le sc√©nariste de la f s√©rie culte Blake et Mortimer dont la premi√®re page para√ģt le 26 sep¬≠tembre 1946 dans le num√©ro 1 du Joumal de TIntin: Le Secret de l’espadon s’envole vers la l√©gende. Auparavant, il avait d√©j√† r√©alis√© une bande dessin√©e de science-fiction Le rayon U et collabor√© pour Herg√© √† l’√©laboration de plusieurs albums de Tintin.A partir de 1947, il se consacre exclusivement √† sa propre s√©rie et huit aventures, devenues des classiques, verront ainsi le jour: Le Secret de l’espadon (1946), Le Myst√®re de la grande pyramide (1950), La Marque jaune (1953), L’√Čnigme de l’Atlantide (1955), S.O.S. M√©t√©ores (1958), Le Pi√®ge diabolique ( 1960), L’Affaire du collier (1965) et enfin Les Trois formu¬≠les du professeur Soto (1977) dont le deuxi√®me tome sera illustr√© par Bob de Moor en 1990. Le flegmatique capitaine Blake, le bouillant profes¬≠seur Mortimer et le diabolique colonel Olrik continuent d’ailleurs √† vivre gr√Ęce √† des sc√©na¬≠rios de jean Van Hamme et d’Yves Sente. Par son graphisme clair, son souci d’ hyperr√©alisme, son art de la mise en sc√®ne, le m√©lange subtil de science-fiction, de fantastique et de policier, Edgar P. Jacobs n’a jamais √©t√© √©gal√© et a r√©ussi √† cr√©er ce que lui-m√™me a appel√© un v√©ritable “op√©ra de papier”.

 

Willy Vandersteen (1913-1990), dessi¬≠nateur et sc√©nariste dot√© d’une imagination d√©bordante, a produit plus d’un millier d’albums et fut surnomm√© par Herg√© “le Breughel de la bande dessin√©e”. Sa s√©rie vedette Bab et Babette para√ģt d’abord dans des quotidiens √† partir de 1945 puis, de 1948 √† 1959, dans le magazine Tintin o√Ļ il publie ses plus grands chefs d’Ňďuvre comme Le fant√īme espagnol, La clef de bronze ou Le tr√©sor de Beersel ainsi que deux √©pi¬≠sodes de Thyl Eulenspiegel. L’auteur parvient √†cr√©er un univers dynamique peupl√© de person¬≠nages truculents (Lam bique, Sidonie, le profes¬≠seur Barabas) qu’il entra√ģne non seulement aux quatre coins du monde mais √† travers toutes les √©poques. Devant le succ√®s. il fait appel √† de nombreux collaborateurs et fonde les Studios Vandersteen dont Paul Geerts assurera la direction d√®s 1969. A c√īt√© de Bab et Babette, Willy Vandersteen lance de nouvelles s√©ries comme Bessy (1952), Le chevalier rouge (1959), J√©r√īme (1960), Robert et Bertrand (1972) ou encore Les gueux (1985) dont l’histoire se d√©roule une nouvelle fois au 16e si√®cle, p√©rio¬≠de de pr√©dilection de l’auteur. Suspense, humour, fantaisie et √©motion, tels sont les ingr√©¬≠dients d’une Ňďuvre authentiquement populaire.

 

Savez-vous …que la Belgique est le pays qui compte le plus de b√©d√©istes au km2 ?

 

 

Marc Sleen est un dessinateur qui s’est d’abord distingu√© par ses caricatu¬≠ res ainsi que par ses portraits sati¬≠riques¬† et, comme Willy Vandersteen, il introduira la BD d’hu¬≠mour et d’action dans la presse quotidienne fla¬≠mande. Il est √† l’origine des s√©ries De Lustige Kapoentjes et Piet Fluwijn en Bolleke, mais son h√©ros le plus c√©l√®bre est sans conteste N√©ro auquel il consacrera plus de 200 r√©cits. Marc Sleen est d’ailleurs le recordman mondial du nombre d’albums de BD dessin√©s par un seul auteur d’un m√™me h√©ros! Cette s√©rie optimis¬≠te et burlesque destin√©e au grand public est lan¬≠c√©e le 3 avril 1947 dans les pages du journal De Nieuwe Gids et raconte les aventures farfelues d’un grande famille de doux dingues. N√©ro y appara√ģt comme un joyeux bourgeois portant un nŇďud papillon et, curieusement, deux brins de laurier au-dessus de chaque oreille. Il par¬≠court le monde, accompagn√© de dizaines de personnages hauts en couleur au fil d’√©pisodes au rythme soutenu, √† l’imagination d√©brid√©e et √† l’humour ravageur. Un humour qui se r√©v√®le satirique tant les allusions √† des √©v√©nements de l’actualit√© belge ou internationale ainsi qu’√† des personnalit√©s politiques connues sont nom¬≠breuses.

 

Peyo (Pierre Culliford, 1928-1992), dessinateur et sc√©nariste. a cr√©√© les personnages Johan et Pirlouit qu’il lance dans des aventures m√©di√©va¬≠les, le petit chat Poussy et Beno√ģt Brisefer, un jeune gar√ßon √† la force surhumaine qui perd ses pouvoirs d√®s qu’il est enrhum√©. mais c’est avec Les Schtroumpfs qu’il conna√ģtra une renomm√©e internationale. Con√ßus au d√©part comme des personnages secondaires, ces petits √™tres bleus au bonnet blanc apparais¬≠sent pour la premi√®re fois en 1958 dans un album de Johan et Pirlouit intitul√© La fl√Ľte √† 6 trous qui sera bient√īt rebaptis√© La fl√Ľte √† 6 schtroumpfs et fera l’objet d’un dessin anim√© pour le grand √©cran avec la collaboration d’Yvan Delporte. Un univers fait de fantaisie. d’humour. de po√©sie et de tendresse prend corps. Commence alors pour les Schtroumpfs une carri√®re internationale qui prendra la forme d’albums. de multiples produits d√©riv√©s. d’une s√©rie t√©l√©vis√©e am√©ricaine et m√™me d’un parc d’attractions en France. Le succ√®s grandissant poussera Peyo √† fonder sa propre maison d’√©di¬≠tion et son propre studio o√Ļ il formera de tr√®s nombreux dessinateurs comme Walth√©ry, Wasterlain … Depuis la mort de Peyo, c’est son fils Thierry Culliford qui continue √† faire conna√ģ¬≠tre √† la plan√®te enti√®re le monde enchanteur des Schtroumpfs.

 

Jij√© (Joseph Gillain 1914-1980), artis¬≠te touche-√†-tout de g√©nie, est consid√©r√© comme un pionnier de la bande dessin√©e europ√©enne et son influence sur des dessinateurs de talent comme Franquin, Will, Morris, Paape, Hubinon … auxquels il prodigue conseils et encouragements sera immense. Ce prolifique cr√©ateur deviendra aussi tr√®s vite l’homme¬≠orchestre du journal Spirou. En 1939, il lance la s√©rie Blondin et Cirage qu’il confiera plus tard √† Hubinon et en 1941 Jean Valhardi qu’il c√©dera √† Eddy Paape. En 1954, il signe l’une des plus bel¬≠les s√©ries de western du 9′- art jerry Spring dont il dessine pas moins de 25 √©pisodes. Il rep¬≠rend aussi des s√©ries auxquelles il imprime son graphisme r√©aliste: Spirou (Rob-Vel), Tanguy et laverdure (Uderzo), Barbe-Rouge (Hubinon). Enfin il est l’auteur de biographies qui sont des mod√®les du genre: Don Bosco (1941), Christophe Colomb (1942-1945) et Baden Powell (1948¬≠-1950). La s√©rie jerry Spring par son dynamisme et son message humaniste a influenc√© tout le western dessin√© durant des d√©cennies – de Jean Giraud (Blueberry) √† Hermann (Comanche) – et a √©t√© reprise en 1990 par Franz.

 

Jacques Martin. n√© en 1921 √† Strasbourg. a fait toute sa carri√®re de dessinateur et de sc√©nariste en Belgique. Il est d’ailleurs avec Herg√©, Edgar-Pierre jacobs et Bob de Moor l’un des quatre repr√©sentants de la c√©l√®¬≠bre “√©cole de Bruxelles” caract√©ris√©e par son r√©alisme et sa grande rigueur. C’est pour le journal TIntin qu’il con√ßoit en 1948 la s√©rie Alix qui met en sc√®ne un jeune gaulois dans la Rome antique et fera de lui le ma√ģtre incontest√© de la BD historique. tout en entamant en 1952 une autre s√©rie √† succ√®s centr√©e sur un h√©ros contemporain: le reporter Lfrranc (v√©ritable double d’Alix). S’il lance encore deux s√©ries his¬≠toriques – Jhen (dessin√©e par Jean Pleyers) en 1978 et Arno (dessin√©e par Andr√© juillard) en 1983 -, c’est vers l’antiquit√© qu’il se tourne √† nouveau avec Orion en 1990 (la Gr√®ce antique) K√©os (l’Egypte ancienne) en 1992 et surtout, gr√Ęce √† diff√©rents collaborateurs. Les voyages d’Orion √† partir de 1992, albums remarquables consacr√©s √† la reconstitution de grands sites antiques. Avec une vue atteinte, Jacques Martin a peu √† peu d√©laiss√© le dessin tout en conti¬≠nuant √† √©crire des sc√©narios et √† former de jeu¬≠nes talents qui continuent √† faire vivre ses per¬≠sonnages. Par son √©rudition historique et le classicisme de son dessin clair et pr√©cis. Alix restera une s√©rie unique dans l’histoire de la BD mondiale.

 

Le dessinateur Morris (Maurice De Bevere 1923-2001), un des p√®res fondateurs de la bande dessin√©e et membre avec Franquin, Jij√© et Will de la c√©l√®bre “bande des quatre” a cr√©√© le personnage de Lucky Luke en 1946 dans L’almanach Spirou. La s√©rie deviendra rapide¬≠ment un v√©ritable best-seller et r√©jouira plu¬≠sieurs g√©n√©rations de lecteurs. Qui n’a jamais entendu parler de Lucky Luke, “l’homme qui tire plus vite que son ombre” (l’expression est de Morris!) ou des in√©narrables fr√®res Dalton ou encore de Ran- Tan-Plan le chien le plus stu¬≠pide de l’ouest? Pr√®s de 90 albums traduits en une trentaine de langues, des longs-m√©trages anim√©s (notamment Daisy-Town r√©alis√© par les sudios Belvision de Bruxelles en 1971 et Les Dalton en cavale aux studios Hanna-Barbera de Los Angeles en 1983), une adaptation cin√©mato¬≠graphique en 1991 avec Terence Hill dans le r√īle principal, des dessins anim√©s aux Etats-Unis, une exploitation merchandising et m√™me un Parc d’attractions au Portugal ont fait de Lucky Luke un des personnages les plus c√©l√®bres de la bande dessin√©e. Humour. imagination. authenti¬≠cit√© et expressivit√© expliquent le succ√®s de cette s√©rie qui figure parmi les incontournables classiques de ce que Morris lui-m√™me baptisa de ” 9e art”.

 

Sc√©nariste prolifique, Jean Van Hamme est consid√©r√© comme l’un des plus i grands auteurs contemporains de bandes dessin√©es. Le succ√®s de la¬† s√©rie XIII, dessin√©e par William Vance, se traduit par des ventes records et une multi¬≠tude de produits d√©riv√©s (jeux vid√©o, cartes t√©l√©phoniques, v√™tements, ch√©quiers …). Jean Van Hamme qui a aussi √©crit des romans et des sc√©narios pour le cin√©ma et la t√©l√©vision a donn√© vie √† des s√©ries populaires r√©alistes mais il se pla√ģt √† explorer des √©poques et des univers tr√®s diff√©rents comme l’h√©ro√Įc fantasy avec Thorgo/ ou encore le far west avec Western. Il a travaill√© avec d’autres dessinateurs belges comme Cuvelier (Corentin), Dany (Histoire sons h√©ros), Francq (Largo Winch), Griffo (SOS Bonheur), Denayer (Woyne She/ton), Hermann (Lune de guerre)… Il a √©galement sc√©naris√© deux volumes r√©cents de Blake et Mort/mer. Enfin, il a lui-m√™me adapt√© √† la t√©l√©vision puis sous forme de roman sa c√©l√®bre saga des Ma√ģtres de l’orge. Avec Jean-Michel Charlier (Buck Donny), Yves Duval (Toungo), Yvan Delporte (Les Scbtroumpfs), Raoul Cauvin (Les tuniques fa/eues), Andr√©-Paul Duchateau (Rie Hochet), Jean Dufaux (Jessica Brandy) et Michel Greg (Achille Talon) sans parler de la nou¬≠velle g√©n√©ration (Lapi√®re, Desberg, Tome …), Jean Van Hamme qui aborde tous les genres avec bonheur a donn√© ses lettres de noblesse au sc√©¬≠nario de BD.

 

¬†Savez-vous …que l’√©pisode Le Jugement de la s√©rie XIII a √©t√© publi√© en feuilleton dans le journal fran√ßais Lib√©ration?

 

 

La naissance de la peinture de cheva¬≠let dans notre pays est assez sou¬≠daine et d’une importance d√©cisive dans l’histoire de l’art. Jan Van Eyck est vraisemblablement n√© en 1390 et mort √† Bruges en 1441.

Son chef-d’Ňďuvre, le polyptyque de l’Agneau mystique, est conserv√© dans la cath√©drale Saint¬≠Bavon de Gand. Les sept panneaux sup√©rieurs montrent Dieu le P√®re, la Vierge et saint Jean¬≠Baptiste, entour√©s √† gauche et √† droite de deux groupes d’anges et des figures d’Adam et Eve, les cinq panneaux du bas pr√©sentant, au milieu l’Agneau versant son sang sur l’autel.Vers lui s’a¬≠vancent diff√©rents groupes de personnages, pro¬≠ph√®tes, ap√ītres, papes et √©v√™ques, martyrs et vierges, ermites et p√®lerins. Il semble que le sujet de l’Agneau mystique soit inspir√© par la liturgie de la Toussaint et plus sp√©cialement par un passage de l’Apocalypse de Saint-Jean. L’art des Primitifs flamands se distingue par plusieurs caraa√©ristiques r√©currentes. D’abord le fond de l’Ňďuvre est remplac√© pour la premi√®re fois par un paysage o√Ļ abondent les √©l√©ments anecdotiques. Ensuite, on constate toujours un jeu entre l’int√©rieur et l’ext√©rieur, une imbrication tr√®s complexe d’espace et d’angles de vues. La perspective n’est pas encore math√©matique mais elle insiste sur les lignes de fuites et le r√©alisme, comme si on √©tait devant un miroir. Le traitement des reflets sur les miroirs, les surfa¬≠ces r√©fl√©chissantes, verres, m√©taux, orf√®vrerie, armures, est particuli√®rement exceptionnel. Avec parfois un simple crin de cheval comme pinceau, l’artiste se concentre sur les d√©tails et reproduit minutieusement tous les aspects de la r√©alit√© : les visages des √™tres humains, le pelage des animaux, la v√©g√©tation, la texture des mat√©¬≠riaux tels qu’√©toffes, bois et pierre notamment. Enfin, la derni√®re particularit√© essentielle des Primitifs flamands r√©side dans la technique des glacis compos√©s d’huiles siccatives. Le peintre applique d’abord sur son support, en g√©n√©ral un panneau de bois, une couche d’un ton de fond se rapprochant du blanc. Ensuite, il peint en plu¬≠sieurs couches, compos√©es d’un pigment, d’un liant qui maintient ensemble ces particules color√©es, et d’un siccatif, mati√®re qui favorise le s√©chage.

paysages d’Europe. On d√©couvre dans ces oeuv¬≠res un sentiment admirablement nuanc√© et vari√© de la nature, qu’il en fasse un d√©cor impas¬≠sible ou qu’il la peigne pour elle-m√™me comme dans le S√©rie des Mois dont il ne subsiste que cinq tableaux. Coloriste admirable, Bruegel tra¬≠duit toutes les variations de l’atmosph√®re avec une rare sensibilit√©. Bruegel jouit en son temps d’une immense renomm√©e, mais sa gloire s’es¬≠tompe peu √† peu, et il est presque oubli√© aux XVIIIe ¬†et XIXe si√®cles. Cependant, par ses grands paysages et par ses derniers tableaux de genres, il est √† l’origine d’un art enti√®rement nouveau typiquement national, et influence la peinture flamande pendant pr√®s d’un si√®cle. Deux de ses fils sont √©galement peintres : Pieter, dit d’Enfer et Jan, dit de Velours. Ces derniers ont r√©guli√®¬≠rement reproduit les oeuvres de leur p√®re et ainsi perp√©tu√© sa gloire et ses mod√®les.

 

 

La profusion de monstres infernaux et de d√©tails burlesques permet de situer ce panneau dans le sillage de l’art de J√©r√īme Bosch. N√© √† une ate impr√©cise, sans doute aux envi¬≠rons de 1450, tr√®s probablement √† ‘s Hertogen¬≠bosch, J√©r√īme Bosch r√©alise plusieurs s√©jours √†Anvers. Son influence va rapidement se diffuser dans les tableaux d’artistes flamands comme Jan Mandyn ou Pieter Huys. Ces Ňďuvres sont peu¬≠pl√©es de monstres et d’inventions fantastiques destin√©s √† faire l’√©loge de la folie, la cr√©dulit√© humaine, la recherche des plaisirs, la d√©cadence des mŇďurs, et surtout √† opposer vertu et vice, sagesse et folie.

S’inscrivant davantage dans la lign√©e du Reinart de Vos flamand, du Till Ulenspiegel germanique et du Narrenschift (La nef des fous) de S√©bastien il Brant que dans une sorte d’apologie secr√®te de n la sorcellerie, cet art fantastique de J√©r√īme Bosch et de ses √©mules √©tait parfaitement intelligible aux gens de l’√©poque alors que sa signification nous √©chappe en grande partie.¬†¬†¬†

Dans ce panneau, on retrouve des allusionscomplexes aux pratiques magiques, aux traditions populaires, √† J’argot, aux proverbes, aux tarots et √† l’alchimie. Cette Ňďuvre est vraisemblablement une repr√©sentation originale de saint Christophe. Dans l’histoire de l’art, ce dernier est r√©guli√®rement repr√©sent√© portant J√©sus n sur ses √©paules et traversant l’eau, grouillant¬† parfois d’animaux mena√ßants. On trouve parfois un ermite sur la berge, tenant une lampe en guise de balise.

Dans ce Repos de saint Christophe, ces d√©tails iconographiques traditionnels sont figur√©s √† la mani√®re de J√©r√īme Bosch, multipliant les cr√©a¬≠tures hideuses. D’abord, √† gauche, l’ermite secoue vigoureusement sa lanterne pour chas¬≠ser les monstres qui l’assaillent. Saint Christophe, √©tendu √† droite, a d√©j√† vaincu ces assaillants qui sont √©tendus devant lui. Son immense b√Ęton repose √† gauche. Il est vraisem¬≠blable que le G√©ant attend l’appel de J√©sus lui demandant de le porter jusqu’√† l’autre rive. On peut aussi noter que le saint porte un poisson √† sa ceinture. Cet attribut caract√©ristique se retrouve sur le b√Ęton dans la composition du Saint Christophe de J√©r√īme Bosch conserv√© au Mus√©e de Rotterdam.

 

Joachim Beuckelaer, n√© √† Anvers vers 1540, appara√ģt comme un t√©moin I de la prosp√©rit√© mat√©rielle dont jouit sa ville natale. Son Ňďuvre se caract√©rise par un amoncellement de victuailles, souvent exig√© semble-t-il par la clien¬≠t√®le, et un nombre √©lev√© de personnages √† la sensualit√© √† peine contenue. Dans ses chefs-d’Ňďuvre comme la Sc√®ne de march√© √† la Maison Rocockx d’Anvers, la March√© aux volailles √† Gand, Le Christ chez Marthe et Marie √† Bruxelles ou La pourvoyeuse de l√©gumes √† Valenciennes, Joachim Beuckelaer oppose vert et vermillon, jaune et brun.

El√®ve de Pieter Aertsen, Joachim Beuckelaer ne conna√ģt pas le m√™me succ√®s que son professeur. De son vivant, il appara√ģt √† certains comme un “Aertsen au petit pied”, ce qui semble excessif car son talent est r√©el. Cependant, on apprend en 1604 que “[…] les Ňďuvres qu’il produisit en grande quantit√© pour un petit gain n’on √©t√© esti¬≠m√©es qu’apr√®s sa mort et aujourd’hui elle valent douze fois le prix qu’elles ont √©t√© pay√©es”. Pour joindre les deux bouts, il travaillait dans l’atelier d’Antonio Moro en peignant les v√™tements de ses c√©l√®bres portraits. Les textes relatent cependant que les nobles italiens qui comman¬≠daient des toiles √† Pierre Bruegel. acquirent cer¬≠taines de ses oeuvres.

 

N√© √† Siegen en 1577, Pierre-Paul Rubens entre rapidement dans l’a¬≠telier du peintre Adam Van Noort, puis celui de Otto Venius, o√Ļ il exprime des talents pr√©coces pour la peinture, le dessin et la gravure. Il s’inscrit en 1598 √† la guilde de Saint-Luc d’Anvers, avant de rendre en l’Italie pour parfaire son apprentissa¬≠ge et d√©couvrir les grands ma√ģtres transalpins. Au service du Duc de Gonzague √† Ferrare, il parcourt toute l’Italie, visite les grandes collec¬≠tions et se familiarise avec les Ňďuvres des grands d√©corateurs. Rubens est impressionn√© par la lumi√®re dramatique du Tintoret, la sc√©no¬≠graphie du V√©ron√®se et la pr√©cision d’Annibal Carrache. D√®s 1603, il devient un important diplomate, se rendant notamment √† Madrid, au palais de l’Escurial, o√Ļ il admire la collection des Hasbourg. Les commandes se multiplient et sa c√©l√©brit√© couvre d√©j√† toute l’Europe. 1609 est l’ann√©e de son retour √† Anvers o√Ļ il ouvre son merveilleux atelier, v√©ritable usine, √† c√īt√© de sa maison du Wapper. D√®s 1610, √† la cath√©drale d’Anvers, Rubens d√©voile l’un des chefs-d’Ňďuv¬≠re de l’histoire de la peinture, L’Erection de la Croix, suivie en 1611 par la Descente de Croix. En 1620, Rubens r√©alise l’ensemble de la d√©cora¬≠tion de l’√©glise Saint-Charles-Borrom√©e d’Anvers. l’ann√©e suivante, il re√ßoit la plus importante commande de sa carri√®re. La reine de France, Marie de M√©dicis, lui demande de r√©aliser toute la d√©coration de son palais du Luxembourg √† Paris. Les vingt et un tableaux d√©corant jadis le grand salon sont aujourd’hui expos√©s au Mus√©e du Louvre de Paris dont ils constituent l’un des joyaux. Il reprend ensuite son activit√© diplomatique entre Madrid, Paris et Londres. Sa renomm√©e, tant de peintre que d’homme politique, cro√ģt sans cesse. Le Roi d’Angleterre le fait chevalier et le Roi d’Espagne le nomme secr√©taire du Conseil priv√© des Pays¬≠Bas.A partir de 1630 et au ch√Ęteau Het Steen √†Elewijt, Rubens, fatigu√©, se consacre exclusive¬≠ment √† la peinture. Il √©pouse H√©l√®ne Fourment, alors √Ęg√©e de dix-sept ans, qui lui donnera cinq enfants. D’une culture et d’une intelligence exceptionnelles (il parle sept langues et est l’au¬≠teur de plusieurs trait√©s th√©oriques), Rubens s’est entour√© des meilleurs collaborateurs qui font encore aujourd’hui le rayonnement du Si√®cle d’Or anversois : Van Dyck, Jordaens ou Bruegel de Velours. Rubens embrasse tous les genres, portraits, paysages, histoire, mythologie, religion, en les renouvelant. Ces tableaux et ces esquisses r√©v√®lent sa puissance cr√©atrice et l’ampleur de son g√©nie baroque. Il d√©c√®de dans sa maison d’Anvers en 1640.

Judith et la t√™te de Holopherne est “un des pre¬≠miers tableaux du ma√ģtre anversois. Il est aussi le premier que Rubens fait ex√©cuter en gravure par Cornelis Galle. Rubens a en effet observ√© de pr√®s l’organisation des ateliers de gravure √† Rome et √† Anvers. De retour d’Italie en 1608, il d√©cide de publier ses Ňďuvres en gravures. Son but est double: conf√©rer une plus grande noto¬≠ri√©t√© √† son Ňďuvre gr√Ęce √† la diffusion massive des planches, et r√©aliser une importante op√©ra¬≠tion financi√®re. Le tableau Judith et la t√™te de Holopherne se base directement sur la composi¬≠tion de Rubens et la gravure de Galle. Cette pratique est caract√©ristique du Si√®cle d’Or anver¬≠sois.

 

Actif au milieu du XIXe si√®cle, Henri Leys s’est illustr√© dans la peinture | historique, parfois appel√© “troubadour” par les historiens de l’art.

Leys √©tudie √† l’Acad√©mie des Beaux-Arts d’Anvers et se fait imm√©diatement remar¬≠quer par sa virtuosit√©. Il assiste √† la R√©volution de 1830 et commence √† peindre les h√©ros et les √©v√©nements appartenant au pass√© du nouvel Etat. En 1845, l’Etat belge lui commande une Ňďuvre, avec comme seul sp√©cification de repr√©¬≠senter un moment glorieux de l’histoire natio¬≠nal. Henri Leys choisit de figurer la premi√®re messe √† la cath√©drale d’Anvers apr√®s les des¬≠tructions des iconoclastes. Comme bien d’autres artistes, Henri Leys puise alors ses th√®mes dans le Moyen Age, la Renaissance et le XVIIe si√®cle. Ce style trouve son origine dans le genre litt√©raire, romanesque et sentimental du romantisme, stimul√© notam¬≠ment par la plume de Victor Hugo. Henri Leys se rend ainsi r√©guli√®rement √† Paris, o√Ļ il ren¬≠contre Eug√®ne Delacroix et Mus√©e des Monuments fran√ßais d’Alexandre Lenoir qui offre une pr√©sentation pittoresque du Moyen Age.

Leys s’exprime dans les petits formats et utilise parfois le support de bois en usage au Moyen Age. Ils repr√©sentent des personnages m√©di√©vaux typiques et des sc√®nes de la vie priv√©e du Moyen Age jusqu’au XVII’ si√®cle. Leys choisit √©galement ses compositions dans la vie artis¬≠tique pass√©e de notre pays, et r√©alise souvent des pastiches de Cranach, Holbein ou D√ľrer. Ses tableaux d√©crivent les costumes, les meu¬≠bles et l’architecture avec vraisemblance et raf¬≠finement. Il utilise des couleurs chaudes et √©clatantes s’accordant parfaitement au travail minu¬≠tieux de son pinceau.

 

N√© √† Rotterdam en 1855, Jacob Smits commence sa carri√®re aux Pays-Bas.¬†¬† Il¬†¬† suit¬†¬† l’enseignement¬†¬† de l’Acad√©mie¬† des¬†¬† Beaux-Arts¬†¬† de Rotterdam. Vers 1880, il trouve rapi¬≠dement un poste de directeur √† Harlem et re√ßoit ses premi√®res commandes monumenta¬≠les au Mus√©e Boymans-van Beuningen de Rotterdam. Apr√®s un riche mariage, il multiplie les voyages en Allemagne, en Autriche et en Italie.

En 1888, il d√©cide cependant de quitter les mondanit√©s, d√©couvre la campagne et s’√©tablit en Belgique, √† Mol au hameau d’Achterbos. La Campine a √©chapp√© √† l’industrialisation du XIX’ si√®cle et √©tait connue comme l’une des r√©gions les plus dures, pauvres et arri√©r√©es de Flandre. D√®s son installation en Campine, Jacob Smits restera fid√®le √† des sujets naturalistes o√Ļ il figu¬≠re la vie rude de la campagne. Ses tableaux expriment une profonde religiosit√©, des tradi¬≠tions immuables, la lutte difficile de l’homme avec la terre, la puissance des paysages et une vision m√©lancolique et s√©v√®re de la campagne. Ses espaces sont construits strictement avec des verticales et des horizontales. Smits pr√©sente des figures immobiles et graves o√Ļ les noirs et les gris dominent. Quelques tons chauds r√©chauffent l’ensemble. Ses traits ner¬≠veux analysent les formes sommairement et le maniement libre de son pinceau anime la surfa¬≠ce de traces rugueuses.

 

Th√©odore¬†¬† Baron¬†¬† s’inscrit¬† √†¬†¬† l’Acad√©mie des Beaux-arts d’Anvers avant de former un groupe √† Kalmhout en Campine, qui deviendra ensuite l’Ecole de Termonde. Le but de ces artistes est de lib√©rer la peinture de paysage des formules acad√©miques. En 1868, Th√©odore Baron fonde la Soci√©t√© Libre des Beaux-Arts de BruxeMes regroupant des artistes qui revendiquent la libert√© du choix et rejettent la peinture historique. Constantin Meunier, F√©licien Rops, Louis Artan ou AlfredVerw√©e sui¬≠vent Th√©odore Baron. La m√™me ann√©e, il se lie d’amiti√© avec Camille Lemonnier et s√©journe dans sa maison de Profondeville, La vall√©e de la Meuse, la Lesse, la M√©haigne, la Molign√©e et le Hoyoux l’enchantent.

Jusqu’en 1882, Baron voyage en Europe et s√©journe notamment √† Fontainebleau o√Ļ il subit l’influence de Th√©odore Rousseau, chef de l’√©¬≠cole de Barbizon. Il termine sa carri√®re √† l’Acad√©mie de Namur, d’abord comme profes¬≠seur, puis comme directeur. L’Ňďuvre de Th√©odore Baron s’inscrit dans la peinture de paysage particuli√®rement florissan¬≠te en Belgique

durant le XIX’ si√®cle. La m√©cani¬≠sation et l’essor des grandes villes devenues inhumaines poussent de nombreux peintres √† s’√©vader de la civilisation et de consacrer leur travail √† des “morceaux de nature”. Les artistes rompent alors avec la tradition du paysage historique et se r√©f√®rent souvent au paysage hol¬≠landais du XVIIe si√®cle.

Lors de leurs promenades, l’attention des pay¬≠sagistes s’arr√™te sur les rochers et les arbres. La vall√©e de la Meuse se r√©v√®le une source in√©pui¬≠sable pour plusieurs g√©n√©rations d’artistes. Les m√©andres, les paysages somptueux, la terre sen¬≠suelle inspirent des tableaux souvent buco¬≠liques. Ils rendent compte d’une ambiance lumi¬≠neuse vraie et des reflets √©ph√©m√®res du soleil. La palette utilise les bruns, les jaunes et les verts sombres. Des √©paisseurs de p√Ęte color√©e accro¬≠chent les lumi√®res et la touche libre traduit l’√©¬≠motion du tableau.

 

Frans Courtens est n√© √†Termonde en 1854. D√®s son plus jeune √Ęge, il admire les paysages de Baasrode, de Bornem, d’Hingene, du Pays de Waes ou de Tamise. De cette vision de la nature, il ne s’en √©carte jamais et reste fid√®le aux traditions r√©alistes de l’√©cole belge. Frans Courtens suit d’abord les cours de l’Acad√©mie de Termonde et s’installe ensuite √† Bruxelles. Il y fr√©quente l’Art libre avec Charles De Groux, Louis Dubois et F√©licien Rops. Emprunts de qui√©tude et d’immobilit√©, ses dunes, ses bois, ses p√Ęturages, ses villages, ses champs de fleurs, son Paysage au moulin restent ses sujets de pr√©dilection. Invit√© en Belgique et √† l’√©tranger, Frans Courtens pr√©sente ses tra¬≠vaux dans des expositions internationales √† Paris, Londres, Munich, Venise ou Barcelone. En 1920, le roi Albert I” lui conf√®re le titre de baron. Frans Courtens meurt √† Bruxelles en 1943.

 

Emile Claus est attir√© d√®s son plus jeune √Ęge par la peinture. Apr√®s des cours de dessin √† Waregem, en 1869, il¬† entre¬† √†¬† l’Acad√©mie d’Anvers, alors dirig√©e par Nicaise De Keyser. Claus y travaille essentiellement sur des paysages. En 1874, il quitte l’Acad√©mie et se fixe d’abord √† Anvers o√Ļ il peint des portraits et des tableaux d’atelier, de genre, r√©alistes et nar¬≠ratifs.

En 1886, la carri√®re d’Emile Claus prend son tournant d√©finitif lorsqu’il s’√©tablit dans sa r√©si¬≠dence, le “Zonneschijn”, au bord de la Lys √† Astene, pr√®s de Deinze. Camille Lemonnier l’encourage √† se lib√©rer des formules de l’Acad√©mie, √† quitter l’atelier pour peindre en plein air et surtout √©claircir sa palette. Claus devient alors peu √† peu le peintre de la lumi√®re. Ses s√©jours √† Paris en 1889 et 1892 fixent d√©fi¬≠nitivement son style. Face aux tableaux de Claude Monet, Emile Claus devient le plus important peintre impressionniste de Belgique avec Th√©o Van Rysselberghe. Les innovations du mat√©riel favorisent le travail en ext√©rieur. Le chevalet est plus l√©ger et la couleur en tube de zinc est facile √† transporter.

 

Claus peint rapidement plusieurs tableaux √† la suite pour mat√©rialiser les sensations √©ph√©m√®¬≠res qu’il per√ßoit. Captiv√© par le mouvement, la nature et la modernit√©, Claus l’impressionniste peint les ponts, les barques, les bateaux, les voi¬≠liers, le ciel, les nuages, l’eau et les reflets. Il uti¬≠lise les couleurs spectrales du soleil : le bleu, le jaune, le rouge (les couleurs primaires), l’oran¬≠g√©, le violet et le vert (leurs compl√©mentaires) ainsi que leurs tons interm√©diaires et le blanc. Claus exclut le gris et le noir, transforme les tons r√©els et colore les ombres. Il n’op√®re pas de m√©lange sur la palette et fractionne les tons clairs et francs sur la toile. Les couleurs se fon¬≠dent √† distance dans l’oeil du spectateur.

 

Fils d’ouvrier et tr√®s t√īt ouvrier lui-m√™me, Guillaume Vogels¬†¬† na√ģt¬† √† Bruxelles en 1836. A 19 ans, il s’inscrit √† l’Acad√©mie de Bruxelles, o√Ļ pendant trois ans, il suit des cours de dessin. Il exerce d’abord le m√©tier de peintre en b√Ętiment, avant de devenir d√©corateur. Au cours d’un s√©jour parisien, durant les ann√©es 60, il d√©couvre l’√©cole de Barbizon, et d√©cide, vers la quarantaine, de se lancer dans la carri√®¬≠re artistique. D√©j√† en 1874, il participe avec suc¬≠c√®s √† la Triennale de Gand. Se succ√®dent ensui¬≠te les Salons Chrysalide en 1878, en compagnie d’Artan, Boulenger, Courbet, le Salon de Paris de 1881 et les XX en 1883 comme membre fon¬≠dateur.

Ami de James Ensor, Vogels se consacre aux paysages, aux nuances et aux aspects chan¬≠geants de la nature.Vogels utilise des tons sub¬≠tils et raffin√©s pour exprimer avec passion et un certain lyrisme, des coins de villes, des marines ainsi que des natures mortes et des fleurs. Apr√®s la dissolution des XX, Vogels participe aux activit√©s de la Libre Esth√©tique. Il meurt √† soixante ans en 1896, et Octave Maus laissera de l’artiste ce portrait : “Un joyeux compagnon, plein de verve et d’humeur rabelaisienne”.

 

Rik Wouters na√ģt √† Malines le 21 ao√Ľt 1882. Il s’initie √† la sculpture en | taillant le¬† bois¬† dans¬† l’atelier de meubles de son p√®re. Il suit d’abord les cours de dessin de l’Acad√©mie de Malines, avant de se rendre √† Bruxelles en 1902. Il d√©cide d’apprendre le modelage aupr√®s du sculpteur Van der Stappen.Au d√©but de sa car¬≠ri√®re, RikWouters, fascin√© par l’oeuvre de James Ensor, peint des natures mortes et des int√©¬≠rieurs o√Ļ r√®gne la m√™me lumi√®re nacr√©e que dans les tableaux du ma√ģtre d’Ostende. Il dessi¬≠ne alors √©norm√©ment √† l’aquarelle, au fusain, des √©tudes de nus, des portraits. En 1912, il entreprend son premier voyage √† Paris et d√©couvre l’Ňďuvre de Renoir et de C√©zanne. Subjugu√©, il √©crit √† un ami : “Tous (les peintres), m√™me les anciens doivent fiche le camp devant C√©zanne, et de plus en plus, je sens qu’il faut selon soi agir comme lui avec la natu¬≠re.” La m√™me ann√©e, la Galerie Georges Giroux √† Bruxelles lui ouvre ses portes, s’assure l’ex¬≠clusivit√© de ses Ňďuvres et procure √† l’artiste une s√©curit√© mat√©rielle. Cette √©poque est la plus fructueuse. Rik Wouters ex√©cute de nom¬≠breuses toiles dont La liseuse devant la fen√™tre, dans une tendance post-impressionniste rejoi¬≠gnant le fauvisme. Il devient en Belgique le meilleur interpr√®te du mouvement fauve. Partout dans son Ňďuvre triomphent alors les lumi√®res radieuses et la joie exultante. Progressivement, il r√©alise aussi de prestigieuses sculptures. La premi√®re guerre mondiale le conduit avec son bataillon en Hollande, dans le camp d’Amersfoort. Malade, il est hospitalis√© √† Utrecht. Dans tous ses tableaux, la joie fait alors place √† la plainte, aux frayeurs et √† une immen¬≠se d√©tresse. RikWouters va vivre √† Amsterdam avec sa compagne Nel, √† partir de juin 1915. Il meurt apr√®s de longues souffrances le premier juillet 1916, √† peine √Ęg√© de trente-quatre ans.

 

A l’instar de Jacob Smits, Anne-Pierre de Kat est originaire des Pays-Bas.¬† Il √©tudie¬†¬†¬† successivement aux Acad√©mies des Beaux-Arts de La Haye, Gand¬† et¬† Bruxelles. Dans¬† la capitale, il fait la connaissance du peintre fauviste Rik Wouters.A ses c√īt√©s, de Kat participe √† l’exposition-manifeste du fauvisme braban√ßon, organis√©e en¬†¬† 1912 √† la Galerie de Georges Giroux.

Apr√®s son engagement lors de la premi√®re guerre mondiale, de Kat continue √† s’exprimer dans la veine du fauvisme. Ce style novateur doit son nom au journaliste Louis Vauxcelles qui qualifie ses repr√©sentants de fauve. Comme De Vlaminck, Derain, Matisse ou Marquet, Anne-Pierre de Kat d√©sire s√©parer la couleur et sa r√©f√©rence √† l’objet, et lib√©rer la force expressi¬≠ve des tonalit√©s. En r√©action aux sensations visuelles de l’impressionnisme, les sujets, les paysages, les nus et les portraits fauvistes res¬≠tent figuratifs mais d’une repr√©sentation simpli¬≠fi√©e. Comme dans ce Portrait d’homme, le sujet est exprim√© par des plages de couleurs pures souvent violentes et intens√©ment lumineuses. L’appr√™t blanc renforce r√©guli√®rement l’intensi¬≠t√© des couleurs.

 

Apr√®s une carri√®re prolifique mais m√©connue, Anne-Pierre de Kat termine sa vie en France, √† La Frette o√Ļ il d√©c√®de en 1968.

 

N√© en 1886, Constant Permeke commenc√©e sa carri√®re √† Anvers, sa ville natale. Ses √©tudes aux acad√©mies /de Bruges en 1903 et de Gand en 1905 lui permettent de se lier d’ami¬≠ti√© avec Frits van den Berghe et Gustave de Smet. Ils s’influencent mutuellement et l’art de Permeke √©volue de l’impressionnisme vers une forme monumentale d’expressionnisme, avec une pr√©dilection pour les th√®mes ruraux. Cette √©volution le pousse √† fr√©quenter l’√©cole de Laethem-Saint-Martin, un groupe de pr√©¬≠expressionnistes flamands. Il travaille √©galement √† Ostende o√Ļ il c√ītoie Spilliaert et Ensor. Gravement bless√© au d√©but de la Premi√®re Guerre mondiale, il est √©vacu√© en Grande-Bretagne. Apr√®s la guerre, il revient √† Ostende, avant de s’√©tablir d√©finitivement √† Jabbeke. Entre les deux guerres, Permeke reste fid√®le √† ses paysages, ses portraits de paysans et ses th√®mes ruraux. Ses oeuvres refl√®tent la r√©alit√© de la campagne flamande et magnifient les pay¬≠sans et les marins. Permeke recourt √† des th√®¬≠mes universels tels que l’attachement √† la terre, la maternit√© ou la trag√©die humaine. Il r√©duit les d√©tails au minimum pour atteindre dans ses tableaux une expressivit√© v√©ritablement monu¬≠mentale. Permeke meurt √† Ostende le 4 janvier 1952. Une maison con√ßue par l’artiste √† Jabbeke abrite aujourd’hui le Mus√©e provincial Permeke. Ce Grand nuage fait vraisemblablement partie de la s√©rie de paysages pr√©sent√©s en novembre 1943 par Permeke √† Bruxelles. Cette oeuvre est r√©alis√©e dans un moment particuli√®rement p√©nible de sa vie. Son ami peintre Gustave de Smet vient de d√©c√©der et son fils Paul est d√©port√© en Allemagne. Pendant la seconde guerre mondiale, Permeke retrouve une vitalit√© nouvelle. Ses paysages sont fougueux, puissants et d’une expressivit√© exceptionnelle. Les contrastes sont particuli√®rement vifs et r√©ussis. Il oppose le traitements soign√© et raffin√© du nuage, √† la h√Ęte de la partie inf√©rieure. Les gris, les blancs et les orang√©s du ciel r√©pondent au vert et au jaune vifs du champ √† l’horizon.

 

Aux c√īt√©s de L√©on de Smet et Albert Servaes, Frits van den Berghe suit | les cours de l’Acad√©mie de Gand. / D√®s 1902, il rejoint r√©guli√®rement Laethem-Saint-Marten, berceau de l’expressionnisme flamand. Professeur √† son an¬≠cienne Acad√©mie en 1908, van den Berghe peint d’abord des Ňďuvres impressionnistes influen¬≠c√©es par Emile Claus. La premi√®re guerre mon¬≠diale brise sa vie bien r√©gl√©e de p√®re de famille et de professeur. Il s’expatrie d’abord aux Etats-Unis avec de se fixer aux Pays-Bas, √† Blaricum. Au cours de ces ann√©es d’agitation, van den Berghe se lie d’amiti√© avec le peintre expres¬≠sionniste Gustave de Smet. Aux Pays-Bas, il d√©couvre les compositions de Vincent Van Gogh, Marc Chagall et Franz Marc. L’influence de l’expressionnisme va progressivement se marquer dans son Ňďuvre. Hiver √† Blaricum est caract√©ristique de cette p√©riode de transition. L’apparition des tons rouges, bleus vifs et la sch√©matisation g√©om√©trique sont les premiers t√©moins de l’expressionnisme naissant chez van den Berghe.

Comme Gustave de Smet et Constant Permeke, Frits van den Berghe exprime alors toutes les facettes de l’expressionnisme. Ses Ňďuvres, oppressantes et agressives, pr√©sentent une humanit√© d√©risoire et path√©tique. Elles exposent sans pudeur, la mis√®re physique et morale. Les personnages envahissent le premier plan. Les traits sont sommaires et sugg√®rent le drame en d√©formant ou en agrandissant cer¬≠tains √©l√©ments anatomiques. Le dessin est sim¬≠ple et d√©limite strictement les formes. Les lignes sont souvent bris√©es pour exacerber l’√©motion. Ses tableaux utilisent des couleurs violentes o√Ļ les tons salis, noir, gris et rouge dominent. Les coups de pinceau sont souvent brutaux et lais¬≠sent des traces, des cicatrices, emp√Ęt√©es et rugueuses. A la fin de sa carri√®re, Frits van den Berghe re√ßoit l’influence de Max Ernst, mais surtout de James Ensor. Il sera marqu√© par les masques et les personnages tourment√©s du ma√ģtre ostendais jusqu’√† sa mort √† Gand en 1939.¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

Apr√®s ses √©tudes √† Gand, Gustave de Smet s’√©tablit au d√©but du XX* si√®-j cl√© √† Laethem-Saint-Martin, tout f comme Frits van den Berghe. Il conna√ģt d’abord une phase impres¬≠sionniste, influenc√© par Emile Claus. Avant la premi√®re guerre mondiale, il se rapproche du symbolisme, mais le conflit l’oblige √† se r√©fugier aux Pays-Bas o√Ļ il d√©couvre les expressionnis¬≠tes allemands et les cubistes fran√ßais. Ses contacts fr√©quents avec Heinrich Campendonk et Henri Le Fauconnier marquent une √©volution dans son Ňďuvre par l’introduction de d√©forma¬≠tions et de couleurs violentes. Durant les ann√©es 20, les compositions de Gustave de Smet r√©alisent une synth√®se originale entre cubisme et expressionnisme. Particuli√®rement productif, cette p√©riode montre un √©largisse¬≠ment de ses th√®mes de pr√©dilection : la femme, les paysages campagnards et urbains, les ker¬≠messes et le cirque. En 1936, une r√©trospective √† Bruxelles lui permet d’obtenir une renomm√©e m√©rit√©e, ainsi qu’une reconnaissance publique et officielle. Les derni√®res ann√©es de sa vie sont d√©di√©es aux petits formats et aux sujets sim¬≠ples, paysages et demi-nus f√©minins. Le graphis¬≠me s’arrondit et les couleurs s’adoucissent. Gustave de Smet s’√©teint √† Deurle en 1943.

 

D’un p√®re anglais anticonformiste et d’une m√®re ostendaise qui n’en-| courage gu√®re sa vocation artistique, le jeune Ensor vit √† Ostende au milieu des coquillages, des chinoi¬≠series, des verroteries, des masques et des ani¬≠maux empaill√©s qui peuplent la boutique fami¬≠liale. Apr√®s une premi√®re initiation √† l’Acad√©mie d’Ostende, il suit de 1877 √† 1880 les cours de l’Acad√©mie des Beaux-Arts de Bruxelles. Dans la capitale, il se lie d’amiti√© avec certains condis¬≠ciples, Khnopff, Finch,Van Rysselberghe, Hanon, et des intellectuels, Demolder et le professeur Rousseau qui nourrit la fibre anarchiste du jeune homme.

Rentr√© √† Ostende, que d√©sormais il ne quitte que rarement, il se r√©fugie sous les combles de la maison familiale et y r√©alise ses premiers chefs-d’Ňďuvre. Ces premi√®res toiles suscitent d√©j√† sarcasmes et incompr√©hension. En 1888, il peint l’Entr√©e du Christ √† Bruxelles conserv√© √† la Fondation Getty de Malibu, la toile ma√ģtresse d’un peintre de vingt-huit ans. En 1894, il est invit√© √† exposer √† Paris, mais le peu d’int√©r√™t que son oeuvre suscite renforce sa misanthro¬≠pie et son m√©pris pour le genre humain. D√®s avant la fin du si√®cle, au moment o√Ļ son g√©nie est reconnu par certains, l’inspiration de l’artis¬≠te faiblit. Il ralentit sa production et tend √† se r√©p√©ter.

Comme dans ce tableau des Lumi√®res effeuill√©es, les coquillages et les bibelots, folkloriques ou bizarro√Įdes, c√ītoient le classique, le rococo, la lumi√®re nacr√©e, les chinoiseries et les verrote¬≠ries. James Ensor reste toujours fid√®le √† ces th√®¬≠mes h√©rit√©s de la boutique de ses parents. Dans les ann√©es 1910, Rotterdam et Anvers organi¬≠sent une r√©trospective et au d√©but des ann√©es 20, les mus√©es royaux de Bruxelles et d’Anvers acqui√®rent des toiles du ma√ģtre. En 1929, ann√©e au cours de laquelle Ensor prend la nationalit√© belge et re√ßoit le titre de baron, le Palais des Beaux-Arts de Bruxelles organise une grande r√©trospective de son Ňďuvre. En 1949, il meurt √† Ostende couvert d’hon¬≠neurs.

 

Jane Graverol, n√©e √† Ixelles en 1905, suit une formation de musicienne avant de s’inscrire √† l’Acad√©mie de Bruxelles pour suivre les cours de peinture monumentale de Constant Montald et Jean Delville. Elle expose pour la premi√®re fois √† la galerie Fauconnier √† Bruxelles en 1927. Passionn√©e par Baudelaire, Lautr√©a¬≠mont et Poe, son oeuvre s’oriente rapidement vers les images-po√®mes et le surr√©alisme. Cette orientation s’accentue encore apr√®s l’√©tude de l’Ňďuvre de Di Chirico et la rencontre avec Ren√© Magritte en 1949. Les ann√©es 50 sont marqu√©es par son exposition chez Lou Cosyn, gr√Ęce √† l’aide de Magritte, et par la fondation de la soci√©t√© Temps m√™l√©s avec Andr√© Blavier. Ce dernier publie en 1953 une revue exclusive¬≠ment consacr√©e aux compositions de Graverol, entour√©es de textes de Magritte, Marien, Irine et Louis Scutenaire.A l’instar de Paul Delvaux, refusant la structure officielle du surr√©alisme, Graverai s’ins√®re n√©anmoins dans le groupe et rencontre Andr√© Breton. Il l’incite √† saluer Marcel Duchamp √† New-York, ce qu’elle fait en 1963.

A l’instar des artistes surr√©alistes, Graverol cen¬≠tre ses compositions sur le r√™ve, l’imaginaire, l’√©nigme, le myst√®re, l’insolite, le cocasse et lesordide. Manifestant un respect total √† l’√©gard de Sigmund Freud, les surr√©alistes insistent sur l’importance du r√™ve, avec ses rencontres absurdes, ses changements de formes et ses combinaisons paradoxales. Comme Magritte, Jane Graverai repr√©sente ses r√™ves avec un illu¬≠sionnisme photographique. Le coup de pinceau m√©ticuleux et soucieux du d√©tail donne une vraisemblance au “surr√©el”.

 

Ren√© est n√© en 1898 √† Lessines. De son enfance, Magritte retiendra le | suicide de sa m√®re. On la retrouvera morte quelques jours plus tard le visage couvert de sa robe de nuit. Cette¬† ¬†mort¬† a¬†¬† profond√©ment¬† marqu√© Magritte, et l’image du visage recouvert d’un drap est d’ailleurs pr√©sente dans beaucoup de ses tableaux. On y per√ßoit r√©guli√®rement de nombreux signes de d√©pression et de m√©lanco¬≠lie, sorte de projection du mal de vivre de la m√®re vers son fils.

Magritte √©tudie la peinture √† l’Acad√©mie des Beaux Arts de Bruxelles. Il s’int√©resse au cubis¬≠me et au futurisme mais ne s’y attache gu√®re. Sa d√©couverte de l’Ňďuvre de Giorgio De Chirico est par contre une v√©ritable r√©v√©lation. En 1927, proche des surr√©alistes belges, il part rencontrer les membres parisiens du courant, et notamment Andr√© Breton. Il rencontre Eluard, Miro et Dali. Magritte garde de meilleurs contacts avec les artistes surr√©alistes belges qu’avec les parisiens. Apr√®s son s√©jour en France, Magritte ne bouge plus de Belgique, ce qui ne l’emp√™che pas de conna√ģtre un succ√®s international. Son oeuvre est en effet beaucoup plus r√©volutionnaire qu’il n’y para√ģt : l’image n’est pas la r√©alit√©, c’est une illusion, un simula¬≠cre inutile… ” Ceci n’est pas une pipe “.Voil√† en tout cas le message qu’il veut faire passer dans ses toiles, sur le mode de l’ironie. Il meurt en 1967 apr√®s avoir peint plus de mille tableaux. En 1935, Magritte peint cette gouache, o√Ļ l’on reconna√ģt bordant le chemin, plusieurs √©l√©ments caract√©ristiques de son Ňďuvre : le trombone de l’Histoire centrale et l’Inondation, le lion du Moi du Pays, le torse de femme d√©j√† peint dans La Goutte d’eau et Quand l’heure sonnera. Deux ans plus tard, Magritte s’en inspire pour r√©aliser un tableau de plus grand format pour le collec¬≠tionneur anglais Edward James. Magritte r√©alise trois grandes toiles intitul√©es Au Seuil de la Libert√©, Le Mod√®le rouge et La Jeunesse illustr√©e. Pendant plus de 35 ans, Edward James accumu¬≠le des chefs-d’Ňďuvre de l’art contemporain dans ses diff√©rentes r√©sidences de Londres, d’Italie et ensuite, apr√®s 1940, aux Etats-Unis.

 

D√®s l’√Ęge de 23 ans, originaire d’Antheit, pr√®s de Huy, Paul Delvaux s’inscrit √† l’Acad√©mie des Beaux-Arts de Bruxelles, d’abord dans la section architecture, ensuite aux cours de peinture d√©corative de Constant Montald. Il con√ßoit alors ses premi√®res toiles post-impressionniste et peint quelques gares, th√®me qu’il reprendra vivement plus tard. Dans les ann√©es 30, la peinture expressionniste, et les personnalit√©s de Permeke ou de Gustave De Smet, influence le jeune artiste. En 1934, sa carri√®re prend son tournant d√©fini¬≠tif. A l’exposition Minotaure de Bruxelles, il d√©couvre les tableaux de Chirico, Dali, Magritte et entrevoit la vision d’un monde fond√© sur le myst√®re. Sa voie lui appara√ģt d√©sormais trac√©e : le surr√©alisme. Paul Delvaux n’adh√®re jamais officiellement au groupe des surr√©alistes, mais ceux-ci l’invitent r√©guli√®rement aux expositions qu’ils organisent en 1938 √† Londres et Paris, et en 1940 √† Mexico. A cette √©poque, il r√©alise ses plus grands chefs-d’Ňďuvre. En 1944, le Palais des Beaux-Arts de Bruxelles lui consacre d√©j√† une r√©trospective.

A partir de 1946, le style et la composition de ses toiles prennent un aspect plus d√©coratif. Puis, il subit l’influence de Picasso. Durant les ann√©es cinquante, Paul Delvaux cr√©e de grands panneaux, consacr√©s √† des cruci¬≠fixions et des mises au tombeau, mettant en sc√®ne des squelettes, comme celui conserv√© au Mus√©e de l’Art wallon de Li√®ge. Apr√®s, ses nombreuses toiles et dessins sont

inspir√©s par des souvenirs d’enfances, des gares de faubourg, de trains, d’√©clairages de fin de jour.

Il s’installe d√©finitivement √† Koksijde o√Ļ est cr√©√©e en 1979 la Fondation Paul Delvaux, apr√®s avoir re√ßu de nombreux hommages √† Paris, Rotterdam, Tokyo, Kyoto ou Sao Paulo. Il s’√©¬≠teint en 1994 dans sa belle propri√©t√© de la C√īte belge, aujourd’hui magnifique mus√©e consacr√© √† son Ňďuvre.

 

N√© en 1909 √† Saint-Josse-ten-Noode, Louis Van Lint fait ses √©tudes √† l’Acad√©mie de sa commune natale. A partir des ann√©es 30, il occupe l’avant-sc√®ne de la vie artistique belge. En 1939, avec Anne Bonnet et Gaston Bertrand, il fonde La Route libre, puis en 1 94 1 le groupe Apport offrant une chance aux jeunes artistes. En 1946, il fonde la Jeune Peinture belge et se consacre d√©finitivement √† l’abstraction. L’art abstrait montre des formes qui ne repr√©¬≠sentent plus les objets r√©els du monde ext√©¬≠rieur. Le fauvisme, l’expressionnisme et le cubis¬≠me fr√īlent l’abstraction sans franchir la fronti√®¬≠re. L’art abstrait marque une rupture dans l’his¬≠toire de l’art. En ne repr√©sentant plus le monde ext√©rieur, l’abstraction rompt avec le pass√©. L’art abstrait conna√ģt diverses formes, du lyrique au g√©om√©trique.

Feu de for√™t est caract√©ristique des composi¬≠tions de Van Lint durant les ann√©es 50. Sur un fond vif, la composition se structure autour de lignes noires d√©limitant et traversant des taches de couleurs. Dans l’art non figuratif, le cubisme, le fauvisme et une forme d’abstraction se m√™lent. Les artistes adoptent le style des vitraux, des √©maux cloisonn√©s et des tapisseries m√©di√©vales. Toutes les Ňďuvres perdent leur aspect figuratif pour devenir une expression de l’espace.

 

Pierre Alechinsky na√ģt √† Bruxelles en 1927. Il suit les cours de l’Ecole nationale¬† sup√©rieure¬†¬† d’Architecture et des Arts d√©coratifs de La Cambre √† Bruxelles, o√Ļ il apprend l’illustration, les techniques de l’imprimerie et la photographie. Rapidement, il d√©couvre l’Ňďuvre de Michaux, Dubuffet et des surr√©alistes. En 1949, il fait la connaissance du po√®te Christian Dotremont qui a fond√©, avec Karel Appel et Asger Jorn, le mouvement Cobra (Copenhague, Bruxelles, Amsterdam) auquel il adh√®re. Il par¬≠ticipe √† la premi√®re Exposition internationale Cobra au Stedelijk Museum d’Amsterdam. 1952 constitue une ann√©e charni√®re car Alechinsky entre en correspondance avec le calligraphie Shiryu Morita de Kyoto. Il fait aussi la connais¬≠sance du peintre chinois Wallace Ting qui joue¬≠ra un grand r√īle dans le d√©veloppement de son oeuvre. En 1955, il s√©journe au Japon et appro¬≠fondit sa connaissance de la calligraphie japonai¬≠se. En 1963, Alechinsky installe son atelier √† Bougival, aux environs de Paris. A ce moment, il est d√©j√† reconnu internationalement. Pendant les ann√©es 70, les expositions se multiplient aux Pays-Bas, au Br√©sil, aux Etats-Unis, au Canada, en Suisse, en Isra√ęl et en France.

Alechinsky consacre sa carri√®re au noir, √† la cal¬≠ligraphie et au contraste. Dans ses oeuvres se m√™lent et se s√©parent l’√©criture et le dessin, les remarques marginales et le spectacle central, l’humour et le po√©tique, l’imaginaire verbal et la verve plastique. Il travaille sur le support au moyen d’un long pinceau oriental. Il garde ainsi une distance propice √† l’√©quilibre de ce qui, volontairement, va structurer et habiter la page. Professeur de peinture √† l’Ecole nationale sup√©¬≠rieure des Beaux-Arts de Paris d√®s 1983, il expose ses travaux √† Mexico, Montr√©al, New York, Saint-Paul-de-Vence, Madrid, Hanovre, P√©kin, Tunis, Caracas et Tapei. En 1998, Alechinsky r√©alise pour l’entr√©e du nouveau Th√©√Ętre de Belgique un mural en lave √©maill√©e. Aujourd’hui, il travaille toujours dans son atelier de Bougival.

 

G√©rard Mercator na√ģt √† Rupelmonde \ le 5 mars 1512 sous le nom de Gerhard Kremer.¬† Math√©maticien et g√©ographe, il √©tu-die √† l’Universit√© en 1530 sous la direction de l’astronome Frisius qui l’initie √† la construction et √† la repr√©sentation du globe. En 1538, il fait para√ģtre sa premi√®re carte du monde apr√®s celle de la Terre Sainte. Il se taille une fameuse r√©putation de cartographe, g√©o¬≠graphe et astronome, mais on lui doit aussi l’√©¬≠criture cursive de la nouvelle cartographie. Suspect√© de sympathies luth√©riennes, et empri¬≠sonn√©, il s’expatrie en 1552 √† Duisbourg, en Rh√©nanie, r√©gion natale de ses parents. D√®s cet instant, il travaille √† l’√©laboration d’une projec¬≠tion de la Terre qui l’am√®ne √† publier les 18 feuillets qui reprennent sa th√©orie et fournis¬≠sent enfin aux navigateurs une r√©elle descrip¬≠tion des contours des terres. Renon√ßant aux repr√©sentations cartographiques en vigueur et s’inspirant du mod√®le de la Gr√®ce antique, il se nourrit abondamment des r√©cits de voyages et des d√©couvertes de l’√©poque pour r√©aliser en 1569 cette c√©l√®bre “carte mondiale” en projec¬≠tion cylindrique, qui est le globe terrestre encore utilis√© de nos jours. On doit aussi √† Mercator l’invention du mot “Atlas” comme intitul√© du recueil de ses cartes.

 

La Compagnie d’Ostende sur la route des Indes

Cette entreprise commerciale est fond√©e aux Pays-Bas autrichiens, par I octroi du¬† 19 d√©cembre¬† 1722 de /¬†¬† l’Empereur Charles VI conf√©rant √† l’organisme, pour un terme de trente ans, le monopole de commerce avec l’Afrique et les Indes occidentales et orientales. La Compagnie est une r√©ussite remarquable sur le plan commercial, et Ostende est le port d’atta¬≠che de ses bateaux.

Pour la premi√®re fois, en 1724, trois navires de la Compagnie appareillent √† Ostende et font route vers les lointaines Indes et la Chine. Apr√®s de multiples m√©saventures, ils reviennent au pays, charg√©s d’un assortiment d’√©pices, de parfums, porcelaines, soies, cotonnades, th√©, caf√©, tous produits tr√®s appr√©ci√©s en Europe et dont Ostende devint rapidement le march√© mondial…

Hommage doit √™tre rendu √† nos valeureux capi¬≠taines qui, bravant temp√™tes et pirates, ram√®¬≠nent √† bon port leur pr√©cieux chargement. La Compagnie d’Ostende n’a h√©las, qu’une exis¬≠tence √©ph√©m√®re. L’Angleterre, les Provinces-Unies et plus tard aussi la France exercent une pression de plus en plus forte sur son h√©g√©monie commerciale. Pour sauvegarder la paix et garantir la succession au tr√īne de sa fille Marie-Th√©r√®se, Charles VI est contraint par les puis¬≠sances coloniales, en 1727, de suspendre l’oc¬≠troi pour une dur√©e de sept ans et de l’abroger finalement en 1732. Cette d√©cision signifie la fin de la jeune et si prometteuse Compagnie.

 

Pour Adrien de Gerlache, le 16 ao√Ľt 1897 marque une d√©livrance apr√®s trois difficiles ann√©es de pr√©para-y tion de son voyage en Antarctique, son bateau, la Belgica, quitte le port d’Anvers. Le navire est surcharg√© et le pont d√©passe √† peine de 50 cm les flots. La Belgica p√©n√®tre les eaux antarctiques le 20 janvier 1 898, et s’aventure dans la baie de Hughes le 23 janvier 1898. Adrien de Gerlache multiplie les escales pour √©tudes scientifiques (p√™ches, √©chantillons…). Toutefois, elles ont apport√© un s√©rieux retard √† l’exp√©dition et l’√©t√© austral est d√©j√† bien entam√©. Le 30 janvier a lieu le premier d√©barquement : de Gerlache, Cook, Racovitza et Arctowski √©quip√©s de deux tra√ģneaux charg√©s de vivres quittent le bateau pour 15 jours. La progression est difficile. Les nombreuses cre¬≠vasses obligent souvent √† rebrousser chemin et ils ne peuvent faire que de rares et courtes ob¬≠servations m√©t√©orologiques. Pendant ce temps, la Belgica navigue dans le d√©troit situ√© plus √† l’Ouest et s’arr√™te dans la baie Andword. Des observations y sont effectu√©es, et d’int√©ressants √©chantillons zoologiques et botaniques sont pr√©lev√©s. Des terres jadis inexplor√©es ont √©ga¬≠lement des appellations intimement li√©es √† la Belgique : Solvay, Li√®ge, Anvers… En f√©vrier 1898, bien que la saison soit d√©j√† avanc√©e, Adrien de Gerlache trouve la p√©riode favorable pour tenter de forcer vers le Sud, dans l’espoir de parcourir des eaux encore inexplor√©es. Contournant la pointe m√©ridionale de l’√ģle d’Anvers, la Belgica se fraye un chemin et franchit le cercle polaire antarctique le 13 f√©vrier 1898. Dix jours plus tard, il parvient √† l’√ģle Alexandre, derni√®re √ģle avant la banquise. La Belgica emprunte d’√©troits passages sur une banquise constitu√©e de glaces disloqu√©es. Le 28 f√©vrier 1898, elle tente d’√©chapper aux glaces et de regagner le large, mais se trouve bloqu√©e, avant d’√™tre d√©finitivement emprisonn√©e par les glaces le 2 mars 1898. Pour l’√©quipage, il faut d√©sormais se pr√©parer √† se laisser d√©river et √† hiverner. Le 17 mars 1898, la nuit polaire s’ins¬≠talle et la temp√©rature diminue. Les explora¬≠teurs belges deviennent les premiers hommes √† hiverner sur la banquise Antarctique. Le 2l juillet 1898, le soleil est de retour, mais la tem¬≠p√©rature descend quand m√™me √† – 37¬į. La ban¬≠quise est encore √©paisse de deux m√®tres. D√®s le 12 janvier 1899, l’espoir rena√ģt et les hommes, √©quip√©s de scies, de pioches et de poudre explosive, se relaient jour et nuit pendant un mois pour d√©couper un chenal long de 650 m√®tres. Le 14 mars 1899, le navire parvient √† rejoindre le large.¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

En 1957, l’Ann√©e G√©ophysique Internationale n√©cessite l’installation d’un r√©seau de bases scientifiques sur le continent antarctique. A l’image de son p√®re Adrien, Gaston de Gerlache rel√®ve le d√©fi en organisant une seconde exp√©dition antarctique belge destin√©e √† √©difier la Station Roi Baudouin. L’exp√©dition quitte le port d’Anvers le 12 novembre 1957. Gaston de Gerlache affr√®te deux navires nor¬≠v√©giens pour transporter hommes et mat√©riel sur place et venir les rechercher : le Polarhav et le Polarsirkel, un phoquier qui a d√©j√† conduit une exp√©dition norv√©gienne dans l’Antarctique un an plus t√īt. Sur ces deux bateaux sont char¬≠g√©s 440 tonnes de mat√©riel enferm√© dans 2350 caisses, 850 f√Ľts de carburant, trois v√©hicules chenilles, un avion et un h√©licopt√®re. A c√īt√© de ce d√©ploiement technologique, 17 hommes, des scientifiques pour la plupart, composent l’exp√©¬≠dition.Tous ont accept√© de passer quinze mois sur le continent antarctique enferm√©s dans des baraquements exigus, avec la perspective peu rassurante d’une nuit polaire. Apr√®s plusieurs mois p√©nibles de navigation, le 26 d√©cembre 1957, le commandant donne l’or¬≠dre de stopper les machines en Terre de la Reine Maud. Ils commencent √† reconna√ģtre √† pied cette partie du continent que personne n’a encore foul√©e jusque l√†. Gaston de Gerlache ordonne le d√©chargement du mat√©riel et com¬≠mence √† installer la Base Roi Baudouin. Quelques jours plus tard, les observations scientifiques commencent. Les compagnons de Gerlache ouvrent les caisses, d√©ballent les outils, montent les cloisons qui vont d√©limiter les laboratoires, assemblent les instruments de mesure et plantent les premi√®res antennes. Un mois apr√®s leur d√©barquement, l’enregistrement automatique des premi√®res mesures de la radioactivit√© de l’air, et les premi√®res mesures d’√©lectricit√© atmosph√©rique et du rayonnement solaire peuvent avoir lieu. Dans les autres sta¬≠tions antarctiques de l’Ann√©e G√©ophysique Internationale, l’installation a pris en moyenne 7 mois ; √† la base belge, huit semaines apr√®s l’arri¬≠v√©e des hommes sur le site, les instruments scientifiques enregistrent d√©j√†. La Base Roi Baudouin recueille des observa¬≠tions scientifiques essentielles. Jacques Loodts et de Gerlache ne ferment pas l’oeil de la nuit lorsque les aurores australes se produisent. Henri Vandevelde, sp√©cialiste en ionosph√®re et radiocommunications, veille sur son sondeur ionosph√©rique pour mesurer la hauteur, la den¬≠sit√© et les variations des diff√©rentes couches ionosph√©riques de l’atmosph√®re. Luc Cabes, un ing√©nieur de 50 ans, sp√©cialiste en g√©omagn√©tis¬≠me, observe les temp√™tes magn√©tiques. Edgard Picciotto mesure la radioactivit√© de l’air et s’oc¬≠cupe du programme de glaciologie. De 1972 √† 1988, la troisi√®me g√©n√©ration des de Gerlache reprend le flambeau et accomplit √† son tour une s√©rie d’approches du milieu polai¬≠re, au Nord et au Sud, r√©alisant entre autres une exp√©rience sur la r√©sistance de l’homme √† des temp√©ratures et √† des conditions de vie extr√™¬≠mes.¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

Né à Ath en 1626, Antoine Hennepin  prendra le nom de Père Louis à la fin de son noviciat aux Récollets de Béthune.

Suite √† la restitution par les Anglais de la colonie de Qu√©bec aux Fran√ßais, il embarque en mai 1675 pour le Canada o√Ļ il re√ßoit l’ordre de se mettre √† la disposition de Cavelier de La Salle qui se pr√©pare √† explorer le Mississipi √† des fins commerciales. Leur p√©riple d√©marre √† Qu√©bec par la remon¬≠t√©e du Saint Laurent en direction du lac Ontario et se poursuit, durant toute une ann√©e, par la travers√©e des Grands Lacs en passant par les chutes du Niagara, pour finalement aboutir aux confins du Lac Michigan. Sur ordre de La Salle, le P√®re Louis et deux compagnons sont envoy√©s vers le Haut Mississipi o√Ļ ils seront faits prisonniers par les Sioux. D√©livr√© quelques mois plus tard, le P√®re Louis regagne la France en 1681 sans avoir revu La Salle dont il supportait mal l’autorit√©. En 1683, Hennepin d√©dicace √† Louis XIV sa Description de la Louisiane… qui conna√ģt un vif succ√®s malgr√© les exc√®s de vanit√© et de men¬≠songes qui entachent ses descriptions et qui lui valent de se faire expulser. Pour se venger de La Salle et de la France, il r√©dige alors √† Utrecht Nouvelle d√©couverte… d√©di√© au roi d’Angleterre o√Ļ il conte un exploit impossible : la descente du Mississipi jusqu’au Golfe du Mexique. L’imagination fertile de Hennepin lui sera d√©l√©¬≠t√®re. Il meurt exil√© dans un couvent romain au d√©but du XVIIIe si√®cle.

Ses livres d’aventures et ses cartes doivent √™tre approch√©s avec une √Ęme d’enfant. C’est alors qu’ils deviennent merveilleux.

 

Savez-vous … que le premier chemin de fer du Br√©sil fut l’Ňďuvre en 1857 du major belge Vleminck ?

 

La baie de New York est visit√©e en 1525 par G. da Verrazzano, puis en 1609 par H. Hudson qui remonte ¬†la rivi√®re portant aujourd’hui son nom. En 1614, les Hollandais cons¬≠truisent un fort sur l’√ģle de Manhattan. En 1625, ils √©tablissent la capitale d’une colonie appel√©e la Nieuwe Amsterdam. Parmi les fondateurs de cette capitale, figurent des Wallons. En 1624, Nieuw Nerder/ond, sous le commandement de Cornelis Jacobz May, faisait route vers le Nouveau Monde, ayant √† son bord une trentai¬≠ne de familles protestantes, pour la plupart des Wallons des Pays-Bas m√©ridionaux r√©fugi√©s √† Leyde pour fuir les pers√©cutions religieuses. En 1626, Peter Minuit ach√®te aux Indiens la totalit√© de l’√ģle pour le compte de la Compagnie hol¬≠landaise des Indes occidentales. Mais, en 1664, les Anglais s’emparent de la colonie qu’ils nom¬≠ment New York. En 1674, les Hollandais perdent d√©finitivement la colonie. New York devient un centre anticolonialiste et √©clectique. Cette ville est la capitale des Etats-Unis jusqu’en 1797. La colonie que certains Belges ont connue √† l’√©¬≠poque de sa fondation √©volue tr√®s vite au cours du XIX’ si√®cle pour devenir la cit√© que nous connaissons aujourd’hui.

 

Savez-vous … que le p√®re j√©suite Ferdinand Verbiest, missionnaire en Chine au XVIIe si√®cle, fonda l’obser¬≠vatoire de P√©kin et fit fabriquer plus de 400 canons pour l’em¬≠pereur Kang-Hi dont il √©tait le secr√©taire ?

 

N√© √† Bruxelles en 1877, Jean Capart consacre toute sa vie √† l’arch√©ologie et l’√©tude de l’art √©gyptien. Il est l’auteur d’un nombre exceptionnel de publications. Orientaliste de formation, il est nomm√© en 1900 conserva¬≠teur de la section √©gyptienne des Mus√©es royaux d’Art et d’Histoire. En 1925, il devient le conservateur en chef de ce mus√©e dont il r√©us¬≠sit en quelques ann√©es √† en faire l’une des plus repr√©sentatives collections d’Europe. Ayant l’honneur d’accompagner en 1923 la Reine Elisabeth en Egypte, Jean Capart manifes¬≠te la volont√© de cr√©er une institution ayant pour but de stimuler en Belgique les √©tudes √©gyptologiques. Le 18 f√©vrier 1923, jour o√Ļ Sa majest√© la Reine Elisabeth est entr√©e dans le tombeau de Toutankhamon, elle demande aux personnalit√©s belges et √©gyptiennes manifestant le d√©sir de lui offrir un souvenir durable de son voyage, de constituer un fonds dont les revenus annuels permettraient de compl√©ter la biblio¬≠th√®que √©gyptologique des Mus√©es royaux d’art et d’histoire √† Bruxelles. Gr√Ęce √† la g√©n√©rosit√© des Belges d’Egypte et avec cet appui de la Reine, Jean Capart cr√©e la Fondation Egypte-logique Reine Elisabeth.

La Fondation poss√®de une des plus belles biblio¬≠th√®ques du monde entier, dispose d’une admi¬≠rable collection de documents photographiques et de clich√©s de projection et participe aux fouilles belges dans la Vall√©e du Nil. Elle accorde √©galement des subsides de voyage, organise des conf√©rences et des expositions et √©dite la Chronique d’Egypte et de multiples ouvrages scientifiques. Jean Capart jette encore les bases des fouilles d’EIkab, poursuivies pendant de nombreuses ann√©es, avant de s’√©teindre √† Bruxelles en 1947.

 

Le 4 novembre 1997, Alain Hubert et Dixie Dansercoer quittent l’empla-I c√©ment des anciennes Bases roi f Baudouin pour traverser l’Antarctique et rejoindre la base am√©ricaine scientifique de Me Murdo situ√©e de l’autre c√īt√© du continent. Quarante ans apr√®s le raid historique sign√© par l’anglais Vivian Fuchs, les deux Belges se lancent √† la conqu√™te du sixi√®me continent. Un trajet de plus de 4000 kilom√®tres, accomplis √† pieds, √† skis et sans le moindre ravitaillement ext√©rieur. Du point de vue scientifique, le voyage est parfaitement √©tu¬≠di√© au d√©tail pr√®s. De grands tra√ģneaux tract√©s par les explorateurs √† l’aide d’immenses voiles emportent provisions et mat√©riel. Le 10 f√©vrier 1998, √† 23h50 apr√®s 99 jours de progression ponctu√©s d’avatars, d’espoirs, de d√©courage¬≠ment et d’enthousiasme, les deux hommes arri¬≠vent √† la base am√©ricaine de Me Murdo et signent un exploit humain. Ce voyage s’est √©ga¬≠lement r√©v√©l√© une collaboration √† la recherche scientifique. Alain Hubert et Dixie Dansercoer r√©pondent en effet √† deux sollicitations pr√©ci¬≠ses: effectuer des observations des caract√©ris¬≠tiques physiques de la neige de surface, creuser des puits dans la calotte glaci√®re, r√©aliser des photographies macro des grains de neige et faire des pr√©l√®vements de neige et les ramener congel√©s en France.

Avec le climatologue Andr√© Berger et le glaciologue Hugo Decleir, Alain Hubert est aujourd’¬≠hui le fondateur de Polaris, la Fondation Polaire internationale. Ses objectifs sont d’informer le grand public sur l’importance de la recherche polaire, d’√©duquer et de fournir des conseils et informations sur les moyens de s’attaquer aux causes et de s’adapter aux changements climatiques.

 

N√© le 10 f√©vrier¬† 1910 √† Dinant et d√©c√©d√©¬†¬† le¬†¬† 30¬†¬† janvier¬†¬†¬† 1969¬†¬† √† Louvain,¬† Georges¬†¬† Pire,¬† devenu Fr√®re Dominique a Ňďuvr√© au soulagement de la mis√®re et de la pauv¬≠ret√©. Il voulait √™tre ” la voix des hommes sans voix “. En septembre 1928, il entre au couvent de la Sarte √† Huy. Il est ordonn√© pr√™tre √† Rome en 1934 avant de poursuivre un doctorat en th√©ologie. D√®s 1938, il cr√©e √† Huy un Service d’Entraide Familiale pour aider des familles en difficult√©. En 1949, il d√©couvre la mis√®re des r√©fugi√©s de l’Est de l’Europe. Il fonde l’Aide aux Personnes D√©plac√©es : 18.000 parrainages – 4 homes pour r√©fugi√©s √Ęg√©s et 7 Villages Europ√©ens.Apr√®s le prix Nobel,en I960,il cr√©e √† Huy l’Universit√© de Paix o√Ļ il enseigne le dia¬≠logue fraternel √† des jeunes du monde entier. En 1961, il d√©couvre au Pakistan le probl√®me du sous-d√©veloppement et met au point le pro¬≠gramme ” Iles de Paix “. La premi√®re voit le jour en 1962 au Bangla Desh. Ces Ňďuvres lui survivent. Les maisons d’accueil des Services d’Entraide Familiale visent √† la r√©insertion d’adultes. L’aide aux Personnes D√©plac√©es s’adresse aux demandeurs d’asile. L’Action D√©veloppement-Parrainages Mondiaux soutient des projets √©ducatifs dans le Tiers-Monde. Les Iles de Paix se multiplient. L’Universit√© de Paix est devenue un centre de r√©flexion et de formation en gestion positive des conflits.

 

Juriste de formation, fervent d√©fenseur de la paix et des droits indivi¬≠duels, Henri La Fontaine est n√© √† Bruxelles le 22 avril 1854. A la fin de ses √©tudes de droit √† l’Universit√© de Bruxelles, il int√®gre la Cour d’Appel de Bruxelles o√Ļ il exerce le m√©tier d’avocat. Membre du Parti Ouvrier Belge, il est √©lu s√©na¬≠teur en 1895 et occupe les fonctions de conseiller communal √† Bruxelles ( 1904-1908) et de vice-pr√©sident du S√©nat (1930-1936). Il enseigne √©galement le droit international √† l’Universit√© de Bruxelles et √† l’Institut des Hautes Etudes de Paris. Inspir√© par les th√®ses du pacifiste anglais Hodgson Pratt, il fonde en 1889 la Soci√©t√© Belge pour l’Arbitrage et la Paix dont il deviendra secr√©taire g√©n√©ral. Son enga¬≠gement, il le concr√©tise encore par la suite en participant √† la cr√©ation du Bureau International de la Paix √† Berne (1891) dont il assumera plus tard la pr√©sidence. En 1892, il fonde √©galement avec sa sŇďur L√©onie la Ligue Belge du Droit des Femmes.

Son combat en faveur du règlement pacifique des conflits se voit récompensé en 1913 par le Prix Nobel de la Paix.

A la fin de la guerre, il poursuivra son oeuvre en pr√©sidant le Bureau International de la Paix et l’Association Belge pour la Soci√©t√© des Nations. Il r√©oriente ensuite son action vers la d√©fense des droits de l’Homme et meurt le 14 mai 1943 √† 89 ans.

 

N√© en 1840, Joseph de Veuster – le futur P√®re Damien – grandit dans | I une famille nombreuse. f L’atmosph√®re familiale, impr√©gn√©e ^ ‚ÄĒ * de valeurs √©vang√©liques, le marque profond√©ment. Tr√®s vite, trois √©l√©ments-cl√©s rythment sa vie spirituelle : la confiance en la Providence, le souci constant de pr√©parer sur terre son salut √©ternel et sa grande d√©votion √† la Vierge Marie. A 18 ans, Joseph choisit de se consacrer √† Dieu. Il entre dans la Congr√©gation des Sacr√©s-CŇďurs. Il se sent attir√© par la vie missionnaire. Apr√®s avoir prononc√© ses vŇďux, il est envoy√© √† Paris. Le 19 mars 1864, il d√©barque √† Honolulu et est ordonn√© pr√™tre le 21 mai sui¬≠vant. Devenu ” P√®re Damien “, il commence sa vie de ” pr√™tre-missionnaire “. Il dort avec les Hawa√Įens et partage leurs repas. Sa mission est tr√®s dure. Il est r√©guli√®rement isol√© de ses confr√®res et souffre de ne pouvoir se confesser et compter sur aucun soutien humain et spiri¬≠tuel. Il visite malades et mourants, enseigne le cat√©chisme, construit des chapelles et des √©gli¬≠ses… En 1866, afin de freiner la propagation de la l√®pre, le gouvernement d√©cide de d√©porter les personnes atteintes de ce mal incurable (entre 600 et 1000) √† Molokai, une √ģle voisine. Le 10 mai 1873, Damien √Ęg√© de 33 ans part pour cette √ģle. Il partage tout avec les l√©preux : nourriture, maison, temps, pri√®re, travail… Il veut sauver leurs corps et leurs √Ęmes. In√©vitablement, Damien contracte la terrible maladie. Contre toutes attentes, il redouble d’ardeur √† la t√Ęche, son seul but √©tant de faire le plus de bien possible aux autres et de plaire √† Dieu tout-puissant. Il meurt le 15 avril 1889 dans une pauvret√© totale. Son corps est ramen√© √† Louvain en 1936. A Bruxelles, le 4 juin 1995, il a √©t√© b√©atifi√© par le pape Jean-Paul II.

 

SŇďur¬† Emmanuelle¬†¬† nous¬†¬† √©tonnera toujours par sa vitalit√©, sa grandeur d’√Ęme, son ouverture d’esprit, son humour, sa tol√©rance et sa joie de vivre. Nous sommes si fiers d’√™tre Belges gr√Ęce √† cette nonag√©naire ! Et oui, comme elle dit elle-m√™me, SŇďur Emmanuelle est ” Belgo-fran√ßaise “. Sa foi in√©branlable en tout homme a r√©sist√© √† toutes les √©preuves. Elle a connu la mis√®re, la faim, la mort et la souf¬≠france mais ne s’est jamais d√©courag√©e et n’a jamais cess√© de croire en la vie. En 1932, elle part pour Istanbul o√Ļ elle restera pendant pr√®s de 28 ans.Toutefois, elle quitte la ville turque de 1959 √† 1964 pour la Tunisie o√Ļ elle porte secours aux victimes de la guerre d’Alg√©rie. En 1965, elle d√©couvre l’Egypte qui l’impressionne beaucoup. Six ans plus tard, elle d√©cide de s’√©ta¬≠blir avec les chiffonniers du Caire dans le bidon¬≠ville d’Azbet-el-Nakhl. En 1982, elle s’installe dans le bidonville “Mokattam”. Cette petite dame aux yeux bleus, au teint basan√©, √† l’allure discr√®te et forte √† la fois parvient √† s’int√©grer parfaitement dans un pays islamis√©. Elle est un cas unique : apr√®s 5 ans de d√©vouement cons¬≠tant aux pauvres du Caire, elle obtient la natio¬≠nalit√© √©gyptienne gr√Ęce √† l’√©pouse du pr√©sident Moubarak ! Avec mes omis des bidonvilles, j’ai connu la vraie joie, d√©clare-t-elle, loin de la fugacit√© des pl/aisirs mat√©riels. A. 85 ans, elle prend une retraite bien m√©rit√©e dans le midi de la France. Elle publie de nombreux livres qui respirent sa foi et sa soif de vivre. Mais son action ne s’arr√™¬≠te pas en si bon chemin. Elle fonde l’association ” Les Amis de Soeur Emmanuelle ” qui aident plus de 50000 enfants dans le monde. M√©diatis√©e, elle pla√ģt beaucoup par son franc-parler. Elle pr√īne une transcendance de Dieu imm√©diate. Elle a ouvert ou continue d’ouvrir les coeurs au-del√† des pr√©jug√©s et des convic¬≠tions : juifs, musulmans, chr√©tiens, ath√©es…

 

De nombreux belges ont jou√©¬† des r√īles significatifs dans les pays lointains. En creusant un peu l’histoire des Etats-Unis, on rencontre des compatriotes moins connus, comme Victor-Eug√®ne-Auguste Janssens qui a jou√© un r√īle dans l’histoire de la Californie, ou un cer¬≠tain Hardcoop qui a pay√© de sa vie sa participa¬≠tion au sort malencontreux de la caravane de Donner dans le Nevada. Mais dans l’histoire de l’Am√©rique du Nord, il y a surtout le parcours du missionnaire Pierre-Jean de Smet. Aux Etats-Unis, Peter-John est aujourd’hui encore un “Belge c√©l√®bre”. Jeune homme il est parti en 1821 pour l’Am√©rique du Nord et il y est devenu le pionnier de l’Ňďuvre missionnaire chez les Indiens des Montagnes Rocheuses. Jusqu’√† sa mort en 1873, il est intervenu plu¬≠sieurs fois entre le gouvernement am√©ricain et les Indiens. De plus, il a donn√©, tant aupr√®s des catholiques que des protestants, une impression positive. Mais De Smet a surtout pris sur lui la protection de la population autochtone de l’Am√©rique du Nord. Il a √©t√© le bienvenu dans toutes les tribus parce que celles-ci ont vite compris qu’il √©tait r√©ellement √† leurs c√īt√©s. De Smet a vu la conqu√™te de l’Ouest. Ce simple jeune homme de Termonde a √©t√© le premier Europ√©en √† p√©n√©trer dans de nombreuses r√©gions du nord-ouest de l’Am√©rique. A cette occasion, il dresse de nombreuses cartes de territoires encore inconnus. Il n’y est jamais all√© comme explorateur ou conqu√©rant, mais comme missionnaire pour convertir les Indiens, et plus encore, comme √™tre humain pr√©occup√© du sort de la population autochtone menac√©e. Il a ainsi rencontr√© de nombreux personnages historiques. Il a parl√© avec le pr√©sident Lincoln, voyag√© avec le chasseur de peaux Thomas Fitzpatrick et dormi dans le tipi du terrible Sitting Bull. A cette occasion, Pierre-Jean de Smet re√ßoit de multiples cadeaux dont de nom¬≠breuses tenues indiennes.¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

L√©opold II souhaite depuis longtemps doter la Belgique d’une colonie. En 1860, alors qu’il est encore duc de / Brabant, il offre √† Fr√®re-Orban la pierre dite d’Ath√®nes qui porte ces mots c√©l√®bres : I/ faut √† la Belgique une colonie. La possession de colonies est tr√®s souvent consi¬≠d√©r√©e comme un renforcement politique, mili¬≠taire et √©conomique. Les Etats europ√©ens ent¬≠rent v√©ritablement en rivalit√© dans la conqu√™te de nouveaux territoires en dehors de l’Europe. Le roi L√©opold II souhaite avant tout enrichir la Belgique. Mais tr√®s vite, il songe √† cr√©er une entit√© politique. Stanley lui permet de r√©aliser ses vis√©es expansionnistes. Il relie Banana et le Stanley Pool o√Ļ est fond√© L√©opoldville. Entre 1882 et 1883, des voies de communications sont √©tablies entre Stanley Pool et les Stanley Falls. De nombreux trait√©s sont conclus avec des chefs indig√®nes afin d’obtenir la cession de leurs droits souverains. Le syst√®me colonial belge repose sur trois piliers : l’administration coloniale, les missions catholiques et les gran¬≠des entreprises coloniales. Sur le terrain, l’admi¬≠nistrateur colonial remplit √† la fois les fonctions de juge de police, de collecteur d’imp√īts et d’expert sanitaire mais il est aussi responsable de l’ex√©cution du programme des cultures obligatoires, de l’entretien du r√©seau routier… L’enseignement est confi√© aux missions catho¬≠liques. La priorit√© est mise sur l’enseignement primaire pour tous avant de d√©velopper l’ensei¬≠gnement secondaire et universitaire. Le d√©ve¬≠loppement √©conomique de la colonie rel√®ve essentiellement des grandes entreprises implant√©es. Deux tiers des exportations concernent l’exploitation mini√®re (cuivre, dia¬≠mant, or) et le tiers restant l’agriculture (huile, coton).

 

Ing√©nieur en arts et manufactures, du g√©nie civil et des mines, Jean Jadot a construit de nombreuses voies de¬†¬† chemin¬†¬† de¬† fer¬† √†¬† travers le monde. A 23 ans, il est nomm√© ing√©¬≠nieur en chef des Chemins de fer vicinaux de la province du Luxembourg. D√®s 1894, il dirige la construction d’une centrale √©lectrique en Egypte, des installations des tramways du Caire et des chemins de fer de la Basse-Egypte. De 1898 √† 1906, il r√©alise la voie ferr√©e Hankow-P√©kin (200 kilom√®tres). Ensuite, il prend la t√™te du d√©partement de l’industrie de la Soci√©t√© G√©n√©rale. Tr√®s vite, l’Union mini√®re, la Compagnie du chemin de fer du Bas-Congo au Katanga et la Soci√©t√© internationale foresti√®re et mini√®re sont constitu√©es. Jean Jadot r√©alise alors le Chemin de fer du Bas-Congo au Katanga. Mais il ne se contente pas d’y cons¬≠truire des voies ferr√©es, il fonde aussi des h√īpi¬≠taux, des cit√©s, des services m√©dicaux et des √©coles destin√©es aux autochtones. En 1912, il est nomm√© vice-gouveneur puis gouverneur de la Soci√©t√© G√©n√©rale. L’agglom√©ration de Likasi-Panda porte le nom de Jadotville. Il est docteur honoris causa des Universit√©s de Louvain et de Bruxelles. Au cours de sa vie et de ses r√©alisa¬≠tions, Jean Jadot a manifest√© un souci constant du bien-√™tre et du progr√®s de la population indig√®ne et s’est toujours pr√©occup√© de subor¬≠donner l’int√©r√™t priv√© √† ce que ce grand ing√©nieur appelait ” la cause supr√™me des int√©r√™ts et de l’avenir de la collectivit√© “.

 

Savez-vous …que, dans les derni√®res d√©cennies du XX’ si√®cle, les Belges ont construit des r√©seaux de m√©tro √† Manille, √† Singapour, √† Tunis… ?

 

N√© vraisemblablement √† Baisy, pr√®s de Genappe en¬†¬† 1061, Godefroid de Bouillon, duc de Basse-Lorraine, marquis¬†¬† d’Anvers¬†¬† puis¬†¬† duc¬†¬† de Bouillon, a √©t√© tr√®s longtemps consi¬≠d√©r√© comme le type m√™me du parfait chevalier chr√©tien, crois√© mod√®le, inspirateur, chef et h√©ros de la premi√®re croisade. Il doit cette r√©putation usurp√©e aux chroniqueurs Albert d’Aix et Guibert de Nogent, qui ont confondu en l’occurrence, biographie et pan√©gyrique. Godefroid de Bouillon appara√ģt aujourd’hui comme un personnage brave, loyal, tr√®s pieux certes, mais de caract√®re souvent h√©sitant et sanguinaire. Fils d’Eustache II, comte de Boulogne, petit-fils par la lign√©e maternelle de Godefroid II de Basse-Lorraine √† qui il succ√®de, ce noble sert fid√®lement son suzerain l’empe¬≠reur d’Allemagne tant contre les Saxons qu’en Italie. Le pape Urbain II n’ayant pas la possibilit√© de pr√™cher sur les terres d’Empire, des moines de l’ordre de Cluny incitent Godefroid √† se croiser. Suivi de chevaliers flamands, braban¬≠√ßons, wallons, lorrains et rh√©nans, le duc de Bouillon traverse le sud de l’Allemagne en ao√Ľt 1096, la Hongrie, les Balkans, conna√ģt quelques difficult√©s avec les Byzantins au d√©but de 1097 et parvient en Anatolie, o√Ļ Nic√©e finit par capi¬≠tuler en juin 1097. Deux ans plus tard, le 15 juillet 1099, Godefroid assiste vainqueur √† la prise de J√©rusalem par ses troupes.

Suite au d√©sistement de Raymond de Toulouse, Godefroid de Bouillon est d√©sign√© le 22 juillet 1099 pour exercer l’autorit√© supr√™me. Mais l’√©lu refuse le titre de roi et se contente de celui d’avou√© du Saint-S√©pulcre c’est-√†-dire ” d√©fen¬≠seur “. Godefroid estime en effet que les Lieux Saints appartiennent √† l’√Čglise et qu’ils consti¬≠tuent une seigneurie eccl√©siastique dont les crois√©s ne sont que les d√©fenseurs la√Įques. En d√©cembre 1099, Daimbert de Pis√©, l√©gat pontifi¬≠cal, se fait √©lire patriarche de J√©rusalem et exige de Godefroid serment de vassalit√©. Par la suite, Daimbert aspire √† une pleine souverainet√© sur J√©rusalem et Jaffa.

Godefroid meurt le 18 juillet 1100 √† J√©rusalem. Il est enterr√© dans le Saint-S√©pulcre. Les fran¬≠ciscains gardent aujourd’hui pr√©cieusement l’√©-p√©e ” l√©gendaire ” de Godefroid de Bouillon, ainsi que des √©perons et une croix pectorale. Elle est photographi√©e pour la premi√®re fois en 1854 par Auguste Salzmann. Pendant plus de neuf si√®cles, l’√©p√©e n’a jamais quitt√© J√©rusalem et le Saint-S√©pulcre.

 

L ‘√©p√©e conserv√©e au Mus√©e ducal de Bouillon, expos√©e ici, est un rare exemplaire d’√©p√©e en fer dont la forme¬†¬† s’apparente¬†¬† aux¬†¬† mod√®les rencontr√©s aux alentours du XII* si√®¬≠cle. Les √©l√©ments constitutifs originaux de l’ar¬≠me ainsi que son excellent √©tat de conservation constituent un champ d’observation pr√©cieux sur une typologie embl√©matique de la p√©riode m√©di√©vale. La lame, au dessin parfait, est l√©g√®re¬≠ment recourb√©e, poss√®de deux tranchants, pr√©¬≠sente une large goutti√®re longitudinale creus√©e sur les deux-tiers. Une pointe taill√©e en ogive indique certainement que cette arme √©tait utili¬≠s√©e pour les coups d’estocs et non pour la taille. Mais l’int√©r√™t de cette √©p√©e r√©side avant tout dans son pommeau dont la forme n’est pas sans rappeler le pommeau dit en ” Noix du Br√©sil ” tr√®s caract√©ristique de l’√©p√©e du sacre des rois de France dite “de Charlemagne” ( 1175-1200), conserv√©e au Louvre dans le Tr√©sor Royal de la Galerie d’Apollon. Ce pom¬≠meau plat est indissociable des √©p√©es √† quillons droits particuli√®rement r√©currents √† la fin du XIIe si√®cle. De facture tr√®s simple, ce mod√®le d’√©p√©e sera souvent et longtemps imit√© mais rarement il atteindra la m√™me puret√© de ligne.

 

Si le Moyen Age a mis en contact notre pays avec les objets issus du monde islamique par le d√©placement des p√®lerins et des crois√©s, la connaissance des arts de l’Islam en Occident remonte seulement au d√©but du XXe si√®cle, et doit beaucoup aux investigations men√©es par des hommes de science dans le cadre de grandes campagnes de fouilles. Ainsi Nischapour, en Iran oriental, a livr√© un riche mat√©riel arch√©ologique dont l’√©tude a permis de mesurer l’influence de cette r√©gion sur les arts de l’Islam dans ses d√©veloppements ult√©¬≠rieurs; rien qu’√† ce point de vue, le plat expos√© constitue donc un t√©moignage important. Bien qu’il s’agisse d’objets utilitaires et pratiques, parfois rustiquement trait√©s √† l’image de ce plat, la c√©ramique s’est √©tonnamment affirm√©e comme un art majeur dans le monde islamique. On ne s’√©tonnera pas d’apprendre que les cou¬≠ches les plus prosp√®res de la soci√©t√© musulmane, soucieuses d’agr√©menter tous les aspects de la vie quotidienne de plaisir et de bien-√™tre, ont largement contribu√© √† l’essor de cet art du feu. Tout simplement d√©sireuses de vivre au milieu de choses belles, appr√©ciant le raffinement, sans

pour autant pouvoir se permettre des mat√©¬≠riaux de luxe, elles ont exerc√© une incroyable forme de m√©c√©nat afin de d√©velopper l’esprit cr√©atif des potiers. En un mot, la culture musul¬≠mane a suscit√© d√®s le Xe si√®cle un savoir-vivre exceptionnel dont la civilisation occidentale b√©n√©ficiera quelques centaines d’ann√©es plus tard √† la faveur d’√©changes commerciaux.

 

Le premier astronaute belge

Le 24 mars 1992, le premier astronaute belge, Dirk FRIMOUT, s’envole pour l’espace √† bord de la navette spatiale am√©ricaine “Atlantis”, inclu au sein d’un √©quipage de 7 personnes. Ce vol provoque un v√©ritable engouement √† travers toute la Belgique et Dirk Frimout devient un h√©ros national. Fils de pilo¬≠te, il est n√© le 21 mars 1941 √† Poperinge, est mari√© √† Laurence De Nijs et le couple a 2 enfants. L’objectif de la mission STS-45 “Atlan-tis” est de r√©aliser une s√©rie d’exp√©riences scientifiques dans le cadre du programme ATLAS (Atmospheric Laboratory for Applica¬≠tions and Science) consacr√©es √† l’√©tude de l’at¬≠mosph√®re terrestre et plus pr√©cis√©ment de l’in¬≠teraction entre le Soleil et la Terre. Gr√Ęce √† une bonne gestion de l’√©nergie √©lectrique, le vol fut prolong√© de 24 heures et Atlantis rejoint la Floride le 2 avril 1992 au terme d’une mission de 8 jours, 22 heures et 10 minutes. A l’isue de son vol, Dirk Frimout cr√©e l’Euro Space Foundation, dont le but est de promou¬≠voir l’espace en Belgique en organisant notam¬≠ment les fameuses Classes de l’Espace √† l’Euro Space Center de Transinne (Province du Luxembourg).¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

Un Belge à bord de la Station Spatiale Internationale

C’est √† bord d’un vaisseau russe “Soyouz”, la capsule exp√©rimentaleTMA l.que le second astronaute belge, Frank De Winne, part √† son tour pour l’espace, le 30 octobre 2002.

Membre du Corps des Astronautes Européens, et déjà sélectionné par la Begique avec 4 autres candidats en 1991, Frank De Winne est colonel de la Force Aérienne.

Deux jours apr√®s son d√©part du cosmodrome de Ba√Įkonour, il rejoint la Station¬†¬† Spatiale Internationale (ISS) afin de r√©aliser un riche programme scientifique mis au¬† point par la Belgique.

Le vol est en effet entièrement financé par les Services de la Politique Scientifique.

De plus, Frank De Winne accumule quelques grandes premi√®res √† l’occasion de sa mission, baptis√©e ” Odissea ” : il est le premier Belge √† visiter l’ISS, le premier √† travailler tant dans les segments russes que am√©ricains de la Station, et le¬†¬† premier¬†¬† Europ√©en √† occuper la place d’Ing√©nieur de Vol dans un vaisseau Soyouz de nouvelle g√©n√©ration.

Le retour sur Terre, de nuit, intervient le 10 novembre    2002    dans    les    steppes    du Kazakhstan.

 

Un “Belge” sur la lune…

Lors de la mission Apollo 15, en 1971, l’astronaute¬†¬† David¬† Scott d√©pose sur la Lune une petite statuette en aluminium de 8,5 cm de hauteur, r√©alis√©e par le sculpteur belge Paul Van Hoeydonck.

Baptis√©e “Fallen Astronaut”, elle est la seule oeuvre d’art d√©pos√©e sur la surface lunaire, √† c√īt√© d’une plaque reprenant les noms des astronautes-martyrs de la conqu√™te spatiale. Un autre artiste belge envoie r√©guli√®rement ses oeuvres dans l’espace :Tania, l’h√©ro√Įne du dessi¬≠nateur belge de bande dessin√©e Pierre-Em¬≠manuel Paulis a d√©j√† vol√© √† 3 reprises notam¬≠ment avec Frank De Winne. Il est le premier dessinateur √† avoir expos√© √† bord d’ISS.

 

 

Des Belges simulent l’arriv√©e sur Mars

Dans le but de promouvoir l’id√©e d’un futur voyage habit√© vers Mars, la “Mars Society” am√©ricaine a install√© deux modules spatiaux dans des endroits isol√©s du globe : l’un sur l’√ģle de Devon dans le Grand Nord Canadien (la FMARS : Flashline Mars Artic Research Station), et l’autre dans le d√©sert de l’Utah aux USA (la MDRS : Mars Research D√©sert Station).A leurs bords, des √©quipages de 6 personnes se relaient afin de pr√©parer les proc√©dures relatives √† cette future grande aven¬≠ture et pour y r√©aliser des exp√©riences scienti¬≠fiques dans les conditions r√©elles d’un s√©jour sur la plan√®te rouge. Les sorties extra-v√©hicu-laires se font en scaphandre spatial et la vie √† bord s’organise comme dans une v√©ritable mis¬≠sion. Trois Belges ont √©t√© s√©lectionn√©s jusqu’√† pr√©sent pour participer √† ces exp√©riences : le Dr Vladimir PLETSER, Pierre-Emmanuel PAULIS et Edwin LOOSVELDT.

 

Durant son r√®gne, Charlemagne s’illustre en mati√®re d’administration et de legislation.il √©tablit entre autres des commissaires royaux, les missi dominici, ayant pour fonction de par¬≠courir les provinces pour expliquer les l√©gisla¬≠tions royales. L’agriculture prend √©galement un nouvel essor. Le d√©frichement de nouvelles ter¬≠res s’intensifie et les techniques agricoles pro¬≠gressent. Charlemagne est √©galement associ√© √† un renouveau culturel, intellectuel, moral et reli¬≠gieux : la renaissance carolingienne. Son projet culturel s’inscrit dans une volont√© de faire revi¬≠vre les temps fastes de l’Empire romain. Il char¬≠ge les savants de r√©nover les manuscrits de dif¬≠f√©rents textes issus de l’Antiquit√© grecque qui ont √©t√© alt√©r√©s par l’intervention de nombreux copistes. Il cr√©e pour ces copistes l’√©criture Caroline laquelle est √† l’origine de notre typo¬≠graphie moderne. Il √©tablit aussi des √©coles sup√©rieures dans les monast√®res o√Ļ on ensei¬≠gne la grammaire, la rh√©torique, la dialectique, l’arithm√©tique, la g√©om√©trie, l’astronomie, le chant et la musique.

Chef-d’Ňďuvre du d√©partement des Objets d’art du Mus√©e du Louvre, la statuette √©questre dite “de Charlemagne” appartient √† cette cat√©gorie d’oeuvres, √† la fois rep√®res et symboles, qui jalonnent l’histoire autant que l’histoire de l’art. Portrait suppos√© de l’empereur Charlemagne, cette oeuvre fait la liaison entre le monde antique et le monde m√©di√©val. Cette sculpture √©questre est un des rares exemples connus de l’art du bronze carolingien. L’artiste a renou√© dans ce cas avec la tradition de la fonte antique et cr√©√© son personnage pour l’adapter √† une oeuvre ant√©rieure. Le cheval date vraisemblable¬≠ment du Bas-Empire. Le sculpteur a compos√© une statue √©questre, type de repr√©sentation officielle qui n’est pas habituelle pour les empe¬≠reurs carolingiens, mais qui s’inscrit davantage dans ce courant de retour d√©lib√©r√© aux sources antiques, caract√©ristique de la renaissance caro¬≠lingienne. Cette statue √©questre du Louvre, qui s’inspire de statues romaines comme celle de MarcAur√®le √† Rome, offre une image du souve¬≠rain carolingien, comme “un nouveau C√©sar et un nouveau Constantin”.

 

Charlemagne est n√© en 747, vraisemblablement dans le Pays de Li√®ge, de l’union de P√©pin III le Bref et de Bertrade. Marqu√© par une s√©rie de victoires militaires, le souverain sou¬≠met rapidement les Lombards et devient ma√ģt¬≠re du nord de l’Italie en 774. Apr√®s avoir cr√©√© le royaume d’Aquitaine, il pousse ses conqu√™tes jusqu’√† la Bavi√®re et rattache la Saxe √† l’√Čtat franc. Il √©tend sa domination jusqu’aux portes de Rome. Charlemagne contr√īle apr√®s la per¬≠c√©e arabe en Espagne mais, au retour de cette campagne, son arri√®re-garde command√©e par Roland est pi√©tin√©e par les Gascons dans la val¬≠l√©e de Roncevaux.Trente-deux ann√©es de guer¬≠res et de conqu√™tes permettent √† Charlemagne d’√©difier un formidable empire. Dans l’√©glise duVatican.√† Rome, le jour de No√ęl de l’an 800, il re√ßoit du pape L√©on III la couron¬≠ne imp√©riale. Cette cons√©cration confirme sa r√©elle puissance et prouve qu’il est soutenu par le Saint-Si√®ge dans ses ambitions de domination universelle.

Charlemagne meurt en 814. Le 28 janvier lors de sa mise au tombeau dans la chapelle palatine d’Aix, son corps est envelopp√© dans une magni¬≠fique soierie orientale du Ville si√®cle. Cette soie est le tissu figuratif le plus ancien et impor¬≠tant de l’√©poque byzantine. Le pr√©cieux tissu color√© en pourpre montre sur un fond de cou¬≠leur bleu fonc√© une sc√®ne dans une ar√®ne de l’antiquit√© tardive. On per√ßoit un quadrige pr√©¬≠sent√© de face. Les r√™nes des chevaux richement harnach√©s passent par les bras du meneur aux cheveux boucl√©s et portant une cotte de mailles. Deux esclaves en tunique accourent avec une couronne de lauriers. Deux jeunes gar√ßons versent des pi√®ces aux pieds des che¬≠vaux pour symboliser la puissance de l’empire. Au XIXe si√®cle, un conservateur malveillant coupe le suaire de Charlemagne en deux par¬≠ties √©gales. Plus d’un si√®cle plus tard, les deux moiti√©s sont conserv√©es, d’une part, √† Aix-la-Chapelle et, d’autre part, √† Paris.

 

Apr√®s une sombre p√©riode domin√©e par la Querelle des Investitures, l’abbaye de Saint-Trond conna√ģt un renouveau spirituel et artistique, favoris√© notamment par l’introduc¬≠tion des coutumes clunisiennes et par l’action des abb√©s qui se succ√©deront au Xlle si√®cle. C’est alors, et aux si√®cles suivants, que le scrip-torium de l’abbaye produira ses plus beaux manuscrits.

Cette bible servait √† la c√©l√©bration des offices liturgiques. Elle comprend deux tomes : le pre¬≠mier fut ex√©cut√© sous l’abbatiat de Raoul de Saint-Trond (1107-1118), et le second, vers I I67,sous l’abbatiat deW√©ricVan Stapel (1155-1180). Le second volume, qui est expos√© ici, contient une partie de l’Ancien Testament et la totalit√© du Nouveau Testament. La r√®gle de saint Beno√ģt pr√©voit que le moine b√©n√©dictin consac¬≠re une grande partie de son temps √† la trans¬≠cription. Les relations entre les abbayes d’un m√™me Ordre sont fr√©quentes, et plus particu¬≠li√®rement encore entre les abbayes qui sont proches. Les moines voyagent, les manuscrits aussi. Ces √©changes ont donn√© naissance √† un style b√©n√©dictin en mati√®re d’ornementation des manuscrits.Ainsi, les sp√©cialistes ont pu √©ta¬≠blir que les copistes de la B/b/e de Saint-Trond avaient eu pour mod√®le la B/b/e de Saint-Hubert (Bruxelles, Biblioth√®que royale, ms. Il 1639 et Namur, Mus√©e arch√©ologique, Fonds de la Ville, ms.4),soit que celle-ci leur avait √©t√© pr√™t√©e, soit qu’ils avaient en leur possession un exemplaire copi√© sur elle.

 

C ‘est le joyau de la biblioth√®que du S√©minaire de¬† Li√®ge. On y lit le texte complet de la Bible en latin, dans trois grands volumes (46 x 32,5 cm), comptant respectivement 288, 267 et 163 folios de parchemin √©pais ; sur chaque page, le texte se r√©partit en deux colon¬≠nes de 38 lignes.

Le manuscrit est dat√© avec pr√©cision, son colophon se traduit : “En l’an du Seigneur 1248, ce livre a √©t√© transcrit en l’honneur du Seigneur, de la bienheureuse Marie, de saint Sulpice et de tous les saints dans la maison des fr√®res de l’or¬≠dre du Val des Ecoliers √† L√©au, au temps du prieur Jonathan”. L’ordre des chanoines r√©gu¬≠liers du Val-des-Ecoliers, fond√© dans le dioc√®se de Langres au d√©but du XIIIe si√®cle, se r√©pandit en suivant le cours de la Meuse. En 1231, les chanoines fondent un monast√®re √† Li√®ge (Outre-Meuse); de l√†, ils essaimeront vers L√©au (Zoutleeuw, dans le Brabant flamand) en 1236. La clart√© et l’√©quilibre de la mise en page sont une des caract√©ristiques marquantes de cette Bible. La d√©coration, o√Ļ l’influence fran√ßaise est manifeste, se signale par sa qualit√© constante et son abondance mais aussi par une certaine ori¬≠ginalit√© dans l’interpr√©tation iconographique de plusieurs th√®mes. On constate que les person¬≠nages sont tous b√Ętis sur le m√™me type : une stature mince et √©lanc√©e (l’√©troitesse des √©pau¬≠les faisant parfois para√ģtre la t√™te d’une grosseur l√©g√®rement disproportionn√©e), le dessin de l’oeil – une pupille ench√Ęss√©e entre deux pau¬≠pi√®res aux lignes divergentes – est propre au ma√ģtre de L√©au, de m√™me que celui des arbres, totalement irr√©aliste : forme √©chevel√©e faite de fines lignes blanches rayonnantes dont on ne retrouve trace dans aucun autre manuscrit. On y recense 42 lettrines histori√©es et un grand nombre d’initiales orn√©es de filigranes et de rinceaux contenus dans des cadres d’or. Ce principal t√©moin de l’enluminure dans le dio¬≠c√®se de Li√®ge au milieu du XIIIe si√®cle est actuellement en d√©p√īt au Mus√©e d’Art Religieux et d’Art Mosan √† Li√®ge.

 

Savez-vous … … que Pell√©as et M√©lisande de Maeterlinck donna naissance en 1902 √† l’op√©ra en S actes de Claude Debussy programm√© r√©guli√®rement sur les plus grandes sc√®nes du monde?

 

L’évangéliaire de Saint-Gérard de Brogne

Le manuscrit est achev√© en 1534, √† l’abbaye de Saint-G√©rard de Brogne, sous l’abbatiat de Guillaume Caulier (1516-1550). Ses armes figurent d’ailleurs dans la bor¬≠dure du folio 5. L’on ne peut affirmer qu’il s’a¬≠gisse d’une production locale car l’on ne dispo¬≠se pas d’√©l√©ments de comparaison. Dans l’atten¬≠te de connaissances plus pr√©cises, les auteurs proposent de le situer tr√®s largement dans les anciens Pays-Bas m√©ridionaux. Nous sommes encore en pr√©sence d’un voca¬≠bulaire “ganto-brugeois” mais on per√ßoit d√©j√† l’apport de l’ornementation Renaissance. Le r√©pertoire du style d√©coratif tardo-m√©di√©val est toujours pr√©sent, tel ce m√©lange d’acanthes tr√®s r√©alistes, de motifs v√©g√©taux et de petits ani¬≠maux : oiseaux, escargots, insectes. La Renaissance fait son apparition avec un vocabu¬≠laire propre : balustres et vasques termin√©s par des acanthes retombant en accolade en √©pou¬≠sant les formes de la lettrine. Des lettrines sont orn√©es de miniatures : Adoration des Mages, Bapt√™me du Christ, Puits de Samarie, Paysage, Judas faisant march√©.

 

Le style nouveau n’est pas le fruit d’une lente et patiente √©volution mais il s’agit d’√©l√©ments qua¬≠lifi√©s d’ “exotiques” plaqu√©s v√©ritablement sur une structure plus ancienne dite “ganto-bru-geoise”. Les motifs se d√©tachent du fond du manuscrit par l’artifice traditionnel de l’ombre port√©e. L’association des deux styles se r√©v√®le √™tre une r√©elle r√©ussite.

 

Le fondateur de l’officine plantinienne, Christophe Plantin est n√© vraisemblablement en 1520 dans la r√©gion de Tours. Il entre en apprentissage √† Caen chez l’imprimeur Robert Mac√© pour apprendre le m√©tier d’impri¬≠meur et de relieur. Apr√®s avoir exerc√© quelque temps la profession de libraire √† Paris, il vient s’√©tablir en 1549 √† Anvers, qui est √† cette √©poque, apr√®s la capitale de la France, la ville la plus florissante d’Europe. Il y d√©bute comme artisan du cuir : confection de reliures, coffrets, cassettes, √©crins, √©tuis… A partir de 1555, il abandonne son m√©tier de relieur et devient imprimeur. Jusqu’en 1562, il ne publie qu’un nombre relativement restreint d’ouvrages, les progr√®s de cette premi√®re √©poque √©tant assez modestes.

En 1563, il constitue √† Anvers une soci√©t√© d’√©di¬≠tion avec plusieurs riches bourgeois : Corneille et Charles Van Bomberghe, Jacques de Schotti, un banquier et Goropius Becanus, un m√©decin. Plantin est nomm√© directeur-g√©rant de l’asso¬≠ciation, et pendant cinq ans, il publie 260 ouvra¬≠ges, des auteurs classiques, bibles en h√©breu, ouvrages liturgiques.

Gr√Ęce au cardinal Granvelle et √† Gabriel de Cayas, secr√©taire de Philippe II, il entreprend √† partir de 1567 son principal ouvrage, la c√©l√®bre Bible polyglotte.

Apr√®s la publication de cette Bible, Plantin est honor√© du titre d’architypographe du roi, et obtient le monopole de l’impression des livres liturgiques pour l’Espagne et les pays d√©pendant de la monarchie.

Lorsqu’il revient √† Anvers en 1585, n’ayant pas eu de fils, Plantin favorise consid√©rablement son gendre Jean Moretus, l’imprimerie et la bou¬≠tique d’Anvers. Christophe Plantin meurt √† Anvers le premier juillet 1589, il est inhum√© dans la cath√©drale Notre-Dame. Sa r√©putation s’est r√©pandue dans toute l’Europe. Il a √©dit√© cinquante ouvrages par an et le total d√©passe 1500 √©ditions.

Apr√®s la mort de Christophe Plantin, Jean Moretus continue l’exploitation de l’imprimerie plantinienne. Il suit les traces et respecte les traditions de son pr√©d√©cesseur, ses impressions sont aussi soign√©es que celles de Plantin. De 1610 jusqu’en 1641, Balthasar Moretus est le plus c√©l√®bre de la dynastie plantinienne. Il donne une impulsion nouvelle √† l’officine.

 

Gr√Ęce au Bon Usage dont la premi√®re 1 √©dition para√ģt en 1936, Maurice I Grevisse va devenir le grammairien le plus c√©l√®bre de la franco-phonie, celui dont Andr√© Gide fera l’√©loge dans “La Revue Litt√©raire” de f√©vrier 1947. R√©dig√© d’abord pour des √©l√®ves auxquels il veut enseigner un fran√ßais correct √† √©gale dis¬≠tance du laxisme et du purisme, cet ouvrage monumental constitu√© de milliers d’exemples fait autorit√© aupr√®s des philologues et des auteurs de tous les pays francophones. D’autres linguistes belges comme Andr√© Goosse qui continue √† mettre √† jour Le Bon Usage et Joseph Hanse qui publie en 1949 son premier Dictionnaire des difficult√©s grammaticales et lexico-logiques sont eux aussi consid√©r√©s √† l’√©chelon international comme les ¬ę ma√ģtres de la langue fran√ßaise ¬Ľ. On n’oubliera pas non plus Johan Hendrik van Dale, flamand n√© √† Sluis, qui au XIXe si√®cle donna son nom au “Dikke Van Dale”, le plus important dictionnaire du n√©er¬≠landais, langue que Jacob Van Maerlant fut un des premiers √† pratiquer au Xllle si√®cle. Bien s√Ľr, notre pays a ses particularit√©s linguistiques, mais n’est-ce pas les r√©gionalismes, les archa√Įs¬≠mes, les belgicismes qui ont fait le succ√®s d’oeu¬≠vres aussi diverses que les po√®mes de Guido Gezelle, les romans d’Arthur Masson, La l√©gende d’Ulenspiegel de Charles De Coster ou …Le Mariage de Mademoiselle Beulemans ?

 

Savez-vous … que le premier livre de Jef Geeraerts Je ne suis qu’un n√®gre (1962) devint un best-seller aux Etats-Unis?

 

L‚ÄôOiseau bleu, f√©erie en 6 actes et 12 tableaux cr√©√©e √† Moscou en 1908,¬† est avec Pell√©as et M√©lisande ( 1892) l’Ňďuvre la plus populaire de Maurice Maeterlinck. Elle sera √† l’ori¬≠gine de bien des adaptations, notamment un film de Georges Cukor en 1976 avec Ava Gardner, Elisabeth Taylor et Jane Fonda. Apr√®s une p√©riode o√Ļ dominent pessimisme et angois¬≠se face aux forces inconnues du destin, Maeterlinck d√©livre ici un message universel d’espoir et de confiance en la vie par le biais du r√™ve, celui des deux enfants d’un pauvre b√Ľche¬≠ron partis √† la recherche de l’Oiseau bleu, sym¬≠bole du bonheur. Po√®te, dramaturge, philosophe et m√™me entomologiste (La Vie des abeilles 1901), il est n√© √† Gand comme tant d’√©crivains c√©l√®bres (Jean Ray, Suzanne Lilar, Karel van de Woestijne …) et a connu un succ√®s mondial, de Londres √† Moscou et de Paris √† New-York: il est le seul Belge √† avoir obtenu le Prix Nobel de lit¬≠t√©rature (191 l).Avec d’autres flamands franco¬≠phones comme Charles Van Lerberghe (La chanson d’Eve 1904), Emile Verhaeren (Les vi//es tentaculaires 1895), Max Elskamp (Dominical 1892) et Georges Rodenbach (Bruges-la-morte 1892), il incarne le symbolisme belge, tout en myst√®re et en suggestion, dont l’impact fut essentiel pour la litt√©rature de langue fran√ßaise. Au d√©but du XXe si√®cle, des po√®tes wallons tels Henri Michaux .Achille Chav√©e, Norge… prendront le relais et donneront comme les peint¬≠res Graverol, Mesens, Magritte ou Delvaux une dimension internationale √† un autre courant particuli√®rement repr√©sentatif de l’art belge, le surr√©alisme.

 

Stupeur et tremb/ements est d√©j√† le 8ee roman d’Am√©lie Nothomb et a √©t√© couronn√© par le Grand Prix de l’Acad√©mie fran√ßaise. Fille d’ambassadeur, Am√©lie Nothomb a v√©cu une partie de son enfance au Japon, dont elle aura √† jamais la nostalgie.Avec l’autod√©rision qui la caract√©rise, elle retrace ici l’ann√©e qu’elle a pass√©e au sein d’une entreprise nipponne. Depuis Hygi√®ne de l’assassin (1992) qui a marqu√© son entr√©e fracassante dans le monde des let¬≠tres, elle tient la cadence d’un livre par an, du Sabotage amoureux (1993) √† Biographie de la faim (2004). Originalit√©, humour, anticonformis¬≠me, acuit√© de l’analyse… expliquent le succ√®s de ses oeuvres qui battent des records de vente et sont r√©guli√®rement r√©compens√©es. De nom¬≠breux autres romans belges ont √©t√© honor√©s par les prix litt√©raires les plus prestigieux. Faux passeports de Charles Plisnier (Concourt 1937), L√©on Morin pr√™tre de B√©atrice Beck (Concourt 1952), Saint Germain ou la n√©gociation de Francis Walder (Concourt 1958), Creezy de F√©licien Marceau (Concourt 1969), L’herbe √† br√Ľler de Conrad Detrez (Renaudot 1978), La D√©mence du boxeur de Fran√ßois Weyergans (Renaudot 1992), Tempo di Roma d’Alexis Curvers (Sainte-Beuve 1957), Les Eblouissements de Pierre Mertens (M√©dicis 1987), Orlanda de Jacqueline Harpman (M√©dicis 1996), Le Souffle de Dominique Rolin (Femina 1952), L’Empire c√©leste de Fran√ßoise Mallet-Joris (Femina 1958) … Quant au Prix Rossel, institu√© par le journal Le Soir en 1938 et consid√©r√© comme le “Concourt belge”, il a notamment r√©compens√© Henry Bauchau, Fran√ßois Emmanuel, Thomas Gunzig …et Pierre Mertens dont l’univers litt√©¬≠raire (Les Bons offices 1974, Terre d’asile 1978 …) se fonde sur la question de l’engagement tant social que politique. Au th√©√Ętre, Lo Ville √† voile (1967) de Paul Willems obtiendra le Prix Mazotto tandis que des pi√®ces comme Le Cocu magnifique ( \ 920) de Fernand Crommelynck ou L’Ňďuf (1956) de F√©licien Marceau triompheront sur les sc√®nes parisiennes.

 

Le Lion de Flandre est le livre le plus lu de la litt√©rature flamande et incarne v√©ritablement la prise de conscience¬† flamande.¬† Cette¬†¬† √©pop√©e populaire narre la victoire remport√©e par les communes de Flandre sur l’arm√©e du roi de France √† la fameuse “bataille des √©perons d’or”.Auteur de nombreux romans historiques, Hendrik Conscience, l’√©crivain “qui a appris √† lire √† son peuple”, a inspir√© les revendications flamandes, mais il faudra attendre le mouve¬≠ment d√©clench√© par la revue “Van Nu en Straks” en 1893 pour que la litt√©rature flamande puisse s’affirmer de fa√ßon coh√©rente. Guido Gezelle (1830-1899), Paul van Ostaijen (1896-1928) et Karel van de Woestijne (1878-1929), par leur virtuosit√© et leur style novateur, montreront la voie √† une nouvelle g√©n√©ration de po√®tes talen¬≠tueux au XXe si√®cle parmi lesquels Eddy Van Vliet, Paul Snoeck, L√©onard Nolens, Maurice Gilliams…

 

Le¬† roman¬†¬† historique¬†¬† La¬†¬† l√©gende d’Ulenspiegel de Charles De Coster | est consid√©r√© comme une Ňďuvre y essentielle de la litt√©rature mondiale au m√™me titre que Don Quichotte de Cervantes. Traduit en une trentaine de lan¬≠gues, il sera maintes fois adapt√© au th√©√Ętre, √† l’o¬≠p√©ra, √† l’√©cran et m√™me sous forme de com√©die musicale et de bandes dessin√©es. Ce r√©cit √©pique et populaire qui se d√©roule √† Damme au I6√®me si√®cle a pour toile de fond la r√©sistance de la Flandre √† la tyrannie sectaire de Philippe II d’Espagne. Epris de justice et de libert√©, le per¬≠sonnage de Thyl Eulenspiegel, dont le nom a donn√© le mot espi√®gle √† la langue fran√ßaise, sym¬≠bolisera √† jamais pour tous les peuples oppri¬≠m√©s l’esp√©rance par l’affranchissement. L’int√©r√™t prononc√© de De Coster pour notre pays inau¬≠gure une veine r√©gionaliste qui dominera le roman belge de 1880 √† 1930 et de tr√®s nomb¬≠reux auteurs, en fran√ßais comme en flamand, peindront le monde paysan avec une certaine pr√©dilection pour la Campine. Citons Camille Lemonnier (Un M√Ęle 1881 ), Georges Eekhoud (Kees Doorik 1882), Marie Gevers (La Comtesse des digues 1931 ), F√©lix Timmermans (Pallieter 1916), Stijn Streuvels (De Woschoard 1907), Ernest Claes (De W/tte 1920), Herman Teirlinck, Cyriel Buysse.JeanTousseul… Ces “romans de terroir” seront source d’inspiration pour de nombreux cin√©astes, et les films belges tir√©s de ces oeuvres conna√ģtront un grand succ√®s public et critique dans les ann√©es 70. On se souvien¬≠dra de Paix sur les champs (1970) de Jacques

Boigelot (d’apr√®s Marie Gevers), Rolande met de bl√©s (1972) de Roland Verhavert (d’apr√®s Herman Teirlinck), De W/tte van Sichem (1980) de Robbe De Hert (d’apr√®s Ernest Claes), Mira (1971) de Fons Rademakers (d’apr√®s Stijn Streuvels), Pallieter ( \ 975) de Roland Verhavert (d’apr√®s F√©lixTimmermans) … Quant √† la po√©¬≠sie populaire de Maurice Car√™me (1899-1978) ou au roman L’Oeuvre au noir de Marguerite Yourcenar (1903-1987), ce sont encore deux illustrations parmi tant d’autres d’une litt√©ratu¬≠re profond√©ment attach√©e √† son sol.¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

Le ‚ÄėChagrin des Belges marque le d√©but de la renomm√©e internationale d’Hugo Claus et est souvent class√© comme le roman du si√®cle en langue n√©erlandaise. Cette saga, en gran¬≠de partie autobiographique, √©voque l’√©ducation sentimentale et intellectuelle d’un adolescent avec comme toile de fond la situation politique tendue avant, pendant et apr√®s la seconde guer¬≠re mondiale. Hugo Claus est l’auteur le plus c√©l√®bre, le plus traduit, le plus productif et le plus polyvalent de la litt√©ratu¬≠re n√©erlandophone du XXe si√®cle.Virtuose de la langue, il √Į a publi√© plus de cent Ňďuvres et est √† la fois romancier (L’Etonnement 1962), po√®te (Po√®mes d’Oostaker 1955), nouvelliste, auteur drama¬≠tique (Vendredi, jour de libert√© 1969), essayiste, traducteur, sc√©¬≠nariste et cin√©aste (Les ennemis 1967)! Il a √©galement peint et a fait partie du mouvement COBRA aux c√īt√©s d’Alechinsky et Bury. Il sera nomin√© plusieurs fois pour le Prix Nobel de litt√©ra¬≠ture et son oeuvre qui, plac√©e sous le signe de l’aspiration √† la libert√©, malm√®ne l’ordre de la morale bourgeoise sera maintes et maintes fois r√©compens√©e, notamment par le Prix Constantijn Huygens (1979) et par le Prix des Lettres N√©erlandaises ( 1986), la plus haute dis¬≠tinction litt√©raire. Le po√®te Maurice Gilliams obtiendra lui aussi ces deux prix en 1969 et en 1980. Le Prix Constantijn Huygens sera encore attribu√© √† Wilhem Elsschot (1951), Louis-Paul Boon ( 1996) et L√©onard Nolens ( 1997) tandis que le Prix des Lettres N√©erlandaises couron¬≠nera Herman Teirlinck (1956), Stijn Streuvels (1962), G√©rard Walschap (1968), Marnix Gijsen (1974) et Christine d’Haen (1991).

 

La Route de la chapelle est avec Et√© √† Ter-Muren (1956) le chef d’Ňďuvre de Louis-Paul Boon.Tout en √©tant sur le plan technique un audacieux roman d’un roman”, ce dyptique monumental d√©crit la naissance et la mont√©e du socialisme en Flandre en peignant la vie quoti¬≠dienne dans la fameuse Kapellenkensbaan. L’auteur y utilise d’ailleurs un langage proche du dialecte populaire d’Alost, sa ville natale. Militant politique, journaliste dans la presse communiste et socialiste, Louis-Paul Boon est un √©crivain socialement tr√®s engag√© et d√©fen¬≠seur de la classe ouvri√®re. Il n’a de cesse de d√©noncer l’absurdit√© et la b√™tise des hommes. Ainsi dans Ma petite guerre (1946), chronique de la Flandre sous l’Occupation, il souligne la folie des conflits arm√©s. Dans Pieter Daens (1971), popularis√© par le film de Stijn Coninx (1992), il d√©crit la lutte acharn√©e du mouve¬≠ment chr√©tien-d√©mocrate d’Alost contre la mis√®re et l’injustice √† la fin du I9√®me si√®cle. Laur√©at de nombreux prix, il fut candidat au Prix Nobel de litt√©rature. Si G√©rard Walschap (1898-1989) et Willem Elsschot( 1882-1960) restent les ma√ģtres du roman traditionnel, Louis-Paul Boon a fait de la litt√©rature un art totalement libre et novateur, permettant l’√©clo-sion d’une nouvelle g√©n√©ration d’√©crivains dont Tom Lanoye (AHes moet weg ,Ten oorlog …) est un des plus brillants repr√©sentants.¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

Savez-vous … que Le Chagrin des Belges d’ Hugo Claus a √©t√© adapt√© par le r√©alisateur suisse Claude Goretta pour une mini-s√©rie t√©l√©vis√©e avec au g√©n√©rique Marianne Basler et Ann Petersen?

 

Pietr-le-Letton est le roman o√Ļ appara√ģt pour la premi√®re fois le c√©l√®bre commissaire Maigret qui assurera la gloire de l’√©crivain li√©geois Georges Simenon. Celui-ci est en effet consid√©r√© comme l’auteur francophone le plus prolifique (pr√®s de 1000 contes, 155 nou¬≠velles, 200 romans populaires, 192 romans dont 75 “Maigret”). La parution de son oeuvre dans la prestigieuse “Biblioth√®que de la Pl√©iade” en 2003 fera passer l’auteur belge du r√īle d’√©cri¬≠vain populaire √† celui d’auteur consacr√©. Le cr√©ateur de Maigret qui avait longtemps souf¬≠fert de ne pas √™tre suffisamment reconnu par ses pairs faisait ainsi son entr√©e dans le Panth√©on des lettres aux c√īt√©s de Voltaire, Cervantes ou Shakespeare. Avant lui, un seul √©crivain d’origine belge, Marguerite Yourcenar, avait eu droit √† cet honneur. Mais le ph√©nom√®¬≠ne Simenon va bien au-del√† de ces deux volu¬≠mes de “La Pl√©iade”. Auteur le plus adapt√© au cin√©ma et √† la t√©l√©vision, traduit en plus de 60 langues, p√®re de 9000 personnages, l’√©crivain li√©geois – celui que Gide appelait un “Balzac sans les longueurs”- a produit une oeuvre titanesque et demeurera √† jamais un g√©ant de la litt√©ratu¬≠re. Si les “Maigret” sont plus des romans d’at¬≠mosph√®re et de moeurs que de v√©ritables romans √† √©nigme, ils appartiennent pourtant au genre policier dans lequel excellent d’autres auteurs belges comme Stanislas-Andr√© Steeman (L’assassin habite au 2l 1939), Andr√©-Paul Duchateau (De 5 √† 7 avec la mort 1974), Pascale Fonteneau (Etats de lame 1993) , Bob Mendes (De Kracht van het vuur 1996) ou Jef Geeraerts (De Zaak Alzheimer 985) consid√©r√© comme le ma√ģtre du “roman criminel” de la litt√©rature fla¬≠mande.

 

C ‘est le 16 d√©cembre 1953 que para√ģt aux Editions Marabout¬† dans¬† la c√©l√®bre¬†¬†¬† collection “Marabout Junior”¬† la¬† premi√®re aventure de Bob Morane, ex-commandant d’avia¬≠tion et bourlingueur au grand cŇďur: La vall√©e infernale. Ce sera le d√©but d’une v√©ritable “suc-cess story” de plus de 30 millions d’exemplai¬≠res qui peu √† peu s’orientera vers le thriller, la science-fiction et le fantastique. Plus de 180 romans chez divers √©diteurs conduiront Bob Morane et son ami Bill Ballantine aux quatre coins du monde pour traquer le mal sous tou¬≠tes ses formes. Des t√©l√©films, des disques, des jeux vid√©o, des dessins anim√©s et de nombreux albums dessin√©s par Attanasio (L’oiseau de feu 1959), Forton.Vance et Coria entretiendront le mythe. Ce sont des Belges, l’imprimeur Andr√© G√©rard et le responsable scout Jean-Jacques Schellens, qui introduisent le livre de poche dans l’√©dition fran√ßaise. Les Editions Marabout naissent √†Verviers en 1949 et le succ√®s de ces livres populaires et bon march√© √† couverture solide et attrayante ne se fait pas attendre gr√Ęce √† des campagnes publicitaires astucieuses et des innovations constantes: Marabout Junior, Marabout Mademoiselle (“Sylvie h√ītesse de l’air”), Marabout G√©ant (classiques de la litt√©ra¬≠ture), Marabout Flash (ouvrages pratiques en tout petit format), Marabout Universit√© (ouvra¬≠ges encyclop√©diques) … Marabout conna√ģtra un √Ęge d’or dans les ann√©es 60 (7 millions de volu¬≠mes par an!) avant d’√™tre progressivement aval√© par Hachette et de se sp√©cialiser dans les gui¬≠des, les livres pratiques et l’informatique. Autre ph√©nom√®ne de l’√©dition belge pour la jeunesse: “Martine” dont les 53 albums dessin√©s par Marcel Marlier ont √©t√© publi√©s √† plus de 50 millions d’exemplaires et traduits dans une trentaine de pays.

 

Malpertuis¬†¬†¬† dans¬†¬†¬† lequel¬†¬† Jean¬†¬†¬† Ray¬† transpose¬†¬†¬† les ¬†¬†¬†grands¬†¬†¬† mythes antiques est consid√©r√© comme un classique du genre fantastique et fera en 1972 l’objet d’une adaptation cin√©matographique de Harry Kumel avec de prestigieux acteurs comme Orson Welles, Susan Hampshire, Mathieu Carri√®re … Auteur prolifique, Jean Ray (qui a aussi √©crit sous le pseudonyme de John Flanders) a publi√© la plu¬≠part de ses nouvelles et romans avant 1943 (Les Contes du Whisky, La Cit√© de l’indicible Peur, Le Grand Nocturne …), mais il devra attendre leur r√©√©dition dans la c√©l√®bre collection Marabout √† Verviers dans les ann√©es ’60 pour conna√ģtre un v√©ritable succ√®s et √™tre encens√© par la critique. Ecrivain de l’√©pouvante, conteur √† l’imagination d√©brid√©e, cr√©ateur du c√©l√®bre d√©tective Harry Dickson, il s’impose, √† l’√©gal d’ Edgar Allan Poe, comme “un ma√ģtre du fantastique”. Il illustre ainsi une constante de l’art belge qui se carac¬≠t√©rise par un certain go√Ľt pour le fantastique, qui impr√®gne notre peinture (de Bruegel √† Ensor), notre cin√©ma (Andr√© Delvaux, Harry Kumel, Raoul Servais …), notre bande dessin√©e (Jacobs, Com√®s, Servais, Schuiten, Dufaux …) et notre litt√©rature. A c√īt√© de Jean Ray, on peut citer Thomas Owen (La cave aux crapauds 1945), Marcel Thiry (Nouvelles du grand possible 1958), Franz Hellens (Les R√©alit√©s fantastiques 1923), Johan Daisne (De trein der traagheid 1948) et Michel de Ghelderode dont les pi√®ces √Ępres et tourment√©es (Escurial 1927, La Balade du Grand Macabre 1934,…) conna√ģtront une notori√©t√© internationale.

 

 

Savez-vous … que le roman Fromage (1933) deWilhem Elsschot a re√ßu r√©cemment un accueil enthousiaste aux Etats-Unis et a √©t√© une des meilleures vente de l’ann√©e 2004 en Allemagne?

 

Comme il √©tait de coutume au XIe si√®cle, l’ouvrage commence par le I prologue de saint J√©r√īme et sa f d√©dicace au pape Damase, l’argumentaire d’Eus√®be de C√©sar√©e et ses canons des Ecritures. Suivent les quatre √©vangi¬≠les avec leur introduction et des dessins rehaus¬≠s√©s en pleine page repr√©sentant les √©vang√©listes en train de r√©diger leur oeuvre. Ces dessins, parfois accompagn√©s de grandes lettrines, ont √©t√© retouch√©s √† plusieurs reprises. Mais l’int√©r√™t majeur de ce manuscrit est ailleurs : c’est sur lui en effet que les comtes de Namur pr√™taient serment. Le texte du serment, en latin et en fran√ßais a √©t√© ajout√© en t√™te du livre, qui contient aussi la copie d’un acte de Charles Quint du 2 d√©cembre 1515 ; il y rap¬≠pelle sa visite √† Namur 10 jours auparavant, parle de la messe √† laquelle il a assist√© √† Saint-Aubain et octroie √† la coll√©giale une somme destin√©e √† l’achat d’ornements liturgiques.

 

C’est sans doute Fr√©d√©ric de Lorraine, premier doyen du Chapitre, le futur pape Etienne IX, qui l’a apport√© de Mayence lors de la fondation de la coll√©giale.

Le manuscrit a √©t√© rachet√© en 1843 par le cha¬≠noine de Hauregard (1785-1855) qui l’a l√©gu√© par testament √† la cath√©drale. Il est raisonnable de penser que, passionn√© par tout ce qui avait appartenu √† la cath√©drale √† laquelle il avait consacr√© un ouvrage, il l’ait rachet√© lors d’une vente de biens noirs. Le livre avait perdu sa reliure, probablement une riche orf√®vrerie, remplac√©e par un cartonnage romantique m√©diocre. C’est pourquoi en 2004, une restau¬≠ratrice, Marie Charles, a cr√©√© une reliure de conservation en parchemin.

 

Sur base d’une √©tude minutieuse des chartes produites par le scriptorium de l’abbaye d’Averbode au XIIe¬†¬† si√®cle,¬† Wolfgang¬†¬† Petke¬†¬† a¬† d√©montr√© que cet √©vang√©liaire et un certain nombre de documents diplomatiques ex√©cut√©s √† l’abbaye entre 1136 et 1163 pr√©sen¬≠taient la m√™me √©criture. Il a pu ainsi √©tablir que la transcription du manuscrit avait √©t√© effectu√©e par le scribe de l’abbaye aux environs de 1145-I 148. Les inscriptions autour des miniatures et dans les phylact√®res, qui sont de la m√™me main que le texte, r√©v√®lent que le miniaturiste et le copiste ont travaill√© ensemble. La copie du manuscrit et sa d√©coration sont donc stricte¬≠ment contemporaines.

Du point de vue iconographique, des liens √©troits unissent \’Evang√©liaire d’Averbode √† deux manuscrits provenant, eux aussi, d’une abbaye norbertine : la Bible de Floreffe (British Library, ms. Add. 17.737-38, c. Il 50-II 70) et l’Evang√©liaire de Floreffe (Bruxelles, Biblio¬≠th√®que royale, ms. 10527, c.l 150-1 170). Le Fragment de Psautier de Berlin (Berlin, Staat-liche Museen, Stiftung Preussischer Kultur-besitz, Kupferstichkabinett, ms. 78 A 6), le Feuillet 41 3 du Victoria and Albert Mus√©um de Londres et le Feuillet Wittert 2613 de l’Univer¬≠sit√© de Li√®ge sont √©galement proches de ce groupe.

L’Evang√©liaire d’Averbode est un des chefs d’oeu¬≠vre de la miniature mosane du Xlle si√®cle. Il illustre √† merveille la symbiose qui existe √† l’√©poque entre l’art de l’orf√®vrerie et l’art de la miniature. Comme Jacques Stiennon l’a juste¬≠ment exprim√© : “le rendu m√©tallique des drape¬≠ries, la ciselure des ombres soigneusement tra¬≠vaill√©es, la convention stylis√©e du sol donnent aux √©l√©ments figuratifs l’apparence de reliefs de m√©tal sertis dans des fonds d ‘√©maux cha¬≠toyants, √† la fa√ßon d’une ch√Ęsse ou d’un reliquaire”.¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬† ¬†

 

L’exeptionnelle croix de Solières

Depaquier, historien de l’abbaye de Soli√®res, rapporte qu’ apr√®s la s√©cularisation de l’abbaye en 1796, ce reliquaire fut confi√© par les derni√®res moniales r√©fugi√©es √† Huy, √† l’abb√© Michel, cur√© de la paroisse Saint-Remy, qui le restitua √† l’√©glise succursale de Soli√®res √©rig√©e en 1859. L’objet devait d√©j√† figu¬≠rer aux expositions de Malines en 1864 et de Li√®ge en 1881.

La croix, de type potence, est √† double face et munie d’une fiche de fer. Elle est enti√®rement couverte de lames de laiton ou de cuivre. Sur l’avers, chacune des terminaisons quadrangulai-res est creus√©e d’une logette aux reliques que prot√®ge un cabochon de cristal de roche √† c√īte m√©diane, entour√© de t√™tes de clous et de cupu¬≠les circulaires. Il en est de m√™me √† la crois√©e qui abrite un fragment de la vraie Croix. Des authentiques identifient les reliques : outre cette derni√®re, il en est des saints Floribert et Remy, des saintes Anne et Ursule, de saint S√©bastien, de saint Vital et de la verge de Mo√Įse. Les montants et les bras de la croix sont cou¬≠verts de lames de laiton grav√©es de rinceaux que peuplent des animaux fantastiques; deux rubans de besants trait√©s au vernis brun les entourent.

Au revers, l’√©l√©ment original de la crois√©e a √©t√© renouvel√© √† la fin du XIXe si√®cle : on y voit aujourd’hui une simple croix grav√©e dans le cui¬≠vre. Outre l’absence de cabochons, les termi¬≠naisons de la croix se distinguent √©galement de l’avers par la pr√©sence de plaques grav√©es figurant les symboles des √©vang√©listes inscrits parmi des rinceaux au vernis brun. La tranche est couverte de lames estamp√©es de quatre-feuilles.

Typologiquement, la croix de Soli√®res proc√®de d’un mod√®le de la premi√®re moiti√© du XIe si√®¬≠cle, telle la croix de Heriman. Elle peut √™tre √©troitement compar√©e par le dispositif de ses cabochons √† une croix mosane √©maill√©e appar¬≠tenant aux Mus√©es royaux d’Art et d’Histoire (vers 1160) ainsi qu’√† la croix d’Ogy rattach√©e √† la m√™me production. Un examen attentif per¬≠met cependant de voir ici l’int√©gration d’√©l√©¬≠ments plus anciens. Les plaques grav√©es de rin¬≠ceaux poss√®dent en effet un r√©pertoire v√©g√©tal et zoomorphe que l’on peut situer, par ses liens directs avec la tradition ottonienne, √† la fin du XIe ou au d√©but du XII” si√®cle. Le reste des d√©cors leur est post√©rieur de plus d’un demi-si√®cle.

Les frises de besants au vernis brun soulignant les bords externes des √©l√©ments de la croix apparaissent √† plusieurs reprises dans l’Art mosan. Ces bordures constituant les zones d’encadrement, les plaques grav√©es paraissent y √™tre ench√Ęss√©es; la juxtaposition de ces deux techniques s’observe √©galement dans la d√©cora¬≠tion des quadrilat√®res flanquant les extr√©mit√©s de la croix sur le revers. L’association de la gravure et du vernis brun sur un m√™me support n’est pas exceptionnelle dans l’orf√®vrerie mosa¬≠ne: elle se rencontre √©galement, dans un contexte assez proche mais plus tardif, au revers de la stauroth√®que de Tongres. La mise en page sugg√®re ici une certaine profondeur de champ en pla√ßant le m√©daillon grav√© (int√©¬≠gralement dor√© √† l’origi¬≠ne) au plan le plus rap¬≠proch√©. Quant aux feuillages des rinceaux, ils sont ceux du r√©per¬≠toire mosan dans les vernis bruns des ann√©es I 160-1175.

L’ordonnance relative¬≠ment sage de ces motifs, comme les types de feuillages rencontr√©s et domin√©s par l’acan¬≠the profil√©e √† trois folio¬≠les, permettent l’attribu¬≠tion de cette oeuvre √† un atelier proche de celui dont sont issus certains vernis bruns des ch√Ęsses de saints Domitien et Mengold de Huy et du pignon de l’ancienne ch√Ęsse de saint Ode d’Amay ( British Mus√©um). Il convient en outre de souligner l’√©troite ressemblance entre les symboles des √©vang√©listes de la croix de Soli√®res et ceux de la stauroth√®que mosane de Nantes. La frise de quatre-feuilles de la tranche autorise √©galement des rapprochements avec celle-ci. Enfin, cette croix-reliquaire – croix processionnelle ou d’autel – peut √™tre consid√©r√©e comme un “unicum” dans l’orf√®vrerie rh√©no-mosane pour l’usage d’une d√©coration au vernis brun sur ses deux faces.

 

D√®s le IIIe si√®cle de notre √®re, dans l’art chr√©tien primitif, on voit Marie 2 tr√īnant et tenant l’enfant J√©sus f (catacombe de Priscille). Dix si√®cles plus tard, le th√®me de la Sedes Sapientiae est toujours √† l’honneur. Dans toute l’Europe, on conna√ģt des images mariales.Au XIe si√®cle et pendant une partie du XIIe, elles pr√©¬≠sentent un aspect “rustique” et ont un air de famille.Au cours du XIIe si√®cle finissant et pen¬≠dant le XIIIe si√®cle, les Majest√©s deviennent bel¬≠les et le resteront en accentuant leur materni¬≠t√©. Voici un raccourci p√©rilleux de l’√©volution des mod√®les.

La Madone romane d’Auffe est l’Ňďuvre d’un sculpteur r√©gional qui semble avoir interpr√©t√© un mod√®le li√©geois non sans une certaine gau¬≠cherie perceptible dans le sourire grima√ßant la Vierge. Elle est assise sur un bloc de bois mou¬≠lur√© sur les faces lat√©rales. La Vierge est v√™tue, d’une robe resserr√©e √† la taille, et d’un manteau dont les plis ondoyants rythment la partie inf√©¬≠rieure du corps. Un cabochon en cristal de roche devait orner l’encolure. Elle est chauss√©e de souliers pointus dont on ne voit que les extr√©mit√©s. Dans la main droite, elle pr√©sente une sph√®re ou une pomme √† l’Enfant Dieu. De l’autre main, la Vierge soutient l’enfant debout sur le genou gauche. Tr√®s hi√©ratique, l’enfant J√©sus est v√™tu d’un long habit, apparent√© √† une robe. Il n’esquisse aucune expression particuli√®¬≠re.

 

Le phylact√®re de Saint-Martin¬†: une des ¬ę¬†sept merveilles¬†¬Ľ de Belgique

Le reliquaire de saint Martin est le¬† plus somptuaire des phylact√®res du Tr√©sor d’Oignies, vu ses dimensions importantes et sa riche d√©coration. Il est fix√© sur une pointe en fer forg√© car il devait surmonter une hampe. Le phylact√®re devenait ainsi instrument liturgique ou flabellum. La face est couverte de filigranes en argent dor√© caract√©ris√©s par des spirales ruban√©es entre lesquelles s’int√®grent de petites perles et de la verroterie de couleurs. Deux rang√©es de cristal de roche, s√©par√©es par une bande en argent estamp√©e de feuillages, sont soigneusement dispos√©es dans le cercle central et dans les lobes. Ils recouvrent des authen¬≠tiques en parchemin. A la jonction des lobes est fix√©e, chaque fois, une plaquette pointue d√©co¬≠r√©e d’une palmette estamp√©e. Une plaque hexa¬≠gonale, aux contours stri√©s, grav√©e et cisel√©e de rinceaux de feuillages sur un fond guilloch√© occupe le centre du phylact√®re

 

Les magnifiques enluminures du psautier dit de Lambert le Bègue

Le psautier-livre d’heures contient un calendrier, une table pascale, des ¬ß po√®mes et des Ave en ancien fran√ßais, des psaumes, des cantiques et des litanies, les heures de la Vierge et l’office des morts √† l’usage de Li√®ge. A l’√Ęge gothique, la majorit√© des manuscrits mosans de pi√©t√© priv√©e sont des psautiers. On ne compte pas moins de trente-huit exemplai¬≠res recens√©s √† ce jour dans les grandes biblio¬≠th√®ques du monde entier. Une tradition attri¬≠bue la paternit√© d’un groupe d’une douzaine de psautiers – dont notre manuscrit – produits dans le dioc√®se de Li√®ge, √† Lambert le B√®gue, un pr√©dicateur li√©geois du dernier tiers du XIIe si√®¬≠cle. Cette th√®se est bas√©e sur le fait que l’un des plus anciens manuscrits de cette famille, le British Library.Add. Ms. 2l 114, fol. 7v (c. 1255-1265), contient une miniature repr√©sentant Lambert. On y lit aussi qu’il est l’initiateur du mouvement b√©guinal et le fondateur du b√©gui¬≠nage de Saint-Christophe √† Li√®ge, et qu’il est l’auteur de la table pascale. Judith Oliver a contest√© cette th√®se en d√©montrant notam¬≠ment que ce texte √©tait une interpolation qui ne figurait pas dans les autres manuscrits du groupe. En revanche, il est √©vident que la pro¬≠duction de ces psautiers doit √™tre mise en rela¬≠tion avec les communaut√©s de b√©guines, car nombreux sont ceux qui furent ex√©cut√©s √† leur intention ou qui portent une marque d’appar¬≠tenance √† une b√©guine.

L’influence de la spiritualit√© des Ordres men¬≠diants se marque dans le contenu et dans l’illustration. Ainsi, dans notre manuscrit, saint Fran√ßois, saint Dominique et Pierre Martyr sont repr√©sent√©s. Ils figurent dans le calendrier et les litanies, o√Ļ on retrouve aussi sainte Elisabeth de Hongrie.

A noter √©galement, au fol. I Iv, une repr√©senta¬≠tion du martyre de sainte Julienne de Cornillon, initiatrice de la fondation de la F√™te-Dieu √† Li√®ge en 1264, qui atteste l’importance de cet √©v√©nement

 

 

La Belgique dispose d’un riche patrimoine de meu¬≠bles gothiques souvent issus du 15e si√®cle ou du d√©but du 16e si√®cle. Suite aux progr√®s tech¬≠niques en √©b√©nisterie, les imposants assembla¬≠ges de ferrures seront finalement abandonn√©s au profit d’un simple embo√ģtement des pan¬≠neaux. Bref, les meubles deviennent plus l√©gers et vont s’orner de panneaux d√©coratifs sculp¬≠t√©s.

C’est aussi √† cette √©poque qu’appara√ģt le motif ‘parchemin’. L’H√īpital Notre-Dame √† la Ros√© h√©berge une magnifique collection de bancs-coffres aux panneaux parchemin√©s. Ces bancs-coffres massifs formaient souvent l’essentiel du mobilier d√©coratif et utilitaire du Moyen Age. Le meuble se compose d’une structure assez sim¬≠ple: le coffre sert de si√®ge et est compl√©t√© par

deux accotoirs pleins et un dossier droit. Son utilisation: on y rangeait le linge ainsi que la vais­selle.

 

La Sainte Rolende entre le Moyen Age et la Renaissance

La statue repr√©sente une princesse en marche. La t√™te est coiff√©e d’une couronne pos√©e sur un bonnet dont s’√©chappent de longs cheveux ondul√©s. Le visage est jeune et d√©li¬≠cat, avec un grand front d√©gag√© et un mignon petit pli sous le menton. Un sourire s’esquisse par un l√©ger pincement des l√®vres. Sur son cor¬≠sage √©chancr√© en carr√© ouvert sur une guimpe transparente, elle porte un manteau qui laisse le bassin d√©gag√©. Debout, elle tient un b√Ęton dans la main droite. La base est constitu√©e d’un mince socle polygonal chanfrein√©. Retrouv√©e en 1901 dans les combles de l’an¬≠cienne √©glise de Buzet, elle provient sans doute du premier jub√© de l’abbatiale de Floreffe √©difi√© sous l’abb√© Martini (1516-1548). Cette iconographie assez rare fait penser √† sainte Rolende, v√©n√©r√©e √† Gerpinnes et dans l’Entre-Sambre et Meuse; elle serait la fille du roi des Lombard Didier et la seconde √©pouse de Charlemagne, r√©pudi√©e en 774 et morte d’√©¬≠puisement √†Villers-Poterie. Son culte fut recon¬≠nu officiellement en I 103 par le prince-√©v√™que Otbert.

En la comparant √† d’autres sculptures de la m√™me √©poque, on y reconna√ģt l’oeuvre d’un ma√ģtre namurois √† qui on doit aussi la Sainte-Catherine d’Onoz et celle d’Andenne, ainsi qu’une partie de la statuaire du jub√© de Walcourt.

 

Un superbe ¬ę¬†verre √† serpents¬†¬Ľ

Prouesse et virtuosit√© sont mises √† l’honneur dans ce superbe verre, la¬†pi√®ce ma√ģtresse d’une des plus belles sections de nos collections (verres de Venise et fa√ßon de Venise). La coupe se dresse sur une jambe en forme de serpentin incrust√© de filigranes torses rouges et blancs et agr√©ment√© d’ailerons travaill√©s √† la pince ; les deux ailettes sup√©rieures semblent repr√©senter une t√™te d’animal stylis√©. Ce verre est probablement une cr√©ation inspi¬≠r√©e des verres v√©nitiens. En fait, malgr√© les menaces de peines tr√®s s√©v√®res, des artisans de Murano √©migrent avec tout leur savoir-faire ainsi que les secrets de fabrication et les proc√©¬≠d√©s techniques verriers. Ils r√©alisent des verres √† la fa√ßon de l’√ģle ou adaptent le d√©cor v√©nitien √† des formes locales, √† moindre co√Ľt que les produits d’importation. On sait, d’apr√®s les archives de manufactures li√©geoises et bruxel¬≠loises, que la verrerie Bonhomme produisait ce type de pi√®ce, mais il √©tait aussi r√©alis√© en Hollande, en Allemagne ou en Flandre. Les arti¬≠sans verriers √©taient g√©n√©ralement pay√©s √† rai¬≠son d’un patagon (= 4 florins) par 24 pi√®ces “bien faites”, sachant que ces magnifiques “ver¬≠res √† serpent” √©taient difficiles √† r√©aliser.

 

Les Majoliques : témoins de la Renaissance au Nord

Au XVIe si√®cle, l’essor √©conomique d’Anvers exerce un grand pouvoir d’attraction sur de nombreux artistes et artisans. Au d√©but du si√®cle, Guido di Savino, un potier ori¬≠ginaire de Casteldurante en Italie, s’y installe et lance la production de majolique. Il s’agit d’une technique c√©ramique d’origine islamique, qui associe les lignes et les couleurs sur fond opaque d’√©mail √©tam√© blanc; elle conna√ģt un grand succ√®s dans le bassin m√©diterran√©en. La production de majolique √† Anvers illustre la perc√©e du style renaissance au nord. Dans le courant du XVIe si√®cle, la production de majo¬≠lique conna√ģtra un essor important √† Anvers; c’est √† partir de la m√©tropole d’alors que tant les produits que la technologie se propageront dans tout le nord-ouest de l’Europe. En de nombreux endroits de la ville d’Anvers, des fouilles arch√©ologiques ont fait d√©couvrir des objets en majolique. Les lieux de produc¬≠tion, surtout, sont d’une haute importance et plusieurs d’entre eux ont fait aussi l’objet de fouilles arch√©ologiques. Tant dans la Steenhouwersvest que la Kammenstraat, la Bogaardestraat ou encore l’Aalmoezenierstraat et la Schoytestraat, on a retrouv√© des vestiges de la production de majolique: des produits semi-finis, des malfa√ßons, des accessoires du four et, dans deux cas, des vestiges du four de potier proprement dit.

La production de majolique se compose √† la fois de fa√Įences et de vaisselle. Les fa√Įences indivi¬≠duelles sont d√©cor√©es de motifs ornementaux, floraux et figuratifs ou constituent des tableaux figuratifs plus imposants. Dans la vaisselle, les assiettes et plats pr√©dominent, √† c√īt√© de pots de pommade typiques de formats divers, de bols et de pichets. Au d√©but du XVIe si√®cle, la majolique √©tait un produit de luxe exclusif, sur¬≠tout l’apanage de la noblesse et du haut-clerg√©. Pass√© le milieu du si√®cle, on retrouve la majo¬≠lique aupr√®s de davantage de couches de la population et la qualit√© se d√©t√©riore, au profit de la quantit√©.

 

Un exemple typique du mobilier anversois

Le¬† cabinet, pos√©¬† sur¬† un¬† pi√©tement¬† vide¬† √†¬† 6¬† jambes, comporte 121 tiroirs encadrant un caisson √©vid√© en forme de petit th√©√Ętre au d√©cor complexe (jeu de miroirs, colonnet-tes torses et dor√©es, pavement en perspective polychrome). Les petites plaques d’√©caill√©s de tortue, √©voquant le commerce li√© aux Grandes D√©couvertes, sont raviv√©es de rouge gr√Ęce √† l’application d’une feuille m√©tallique. Ce type de meuble, fabriqu√© en grande quantit√©, a √©t√© lar¬≠gement diffus√© dans toute l’Europe occidentale, faisant le bonheur d’une client√®le fortun√©e appr√©ciant ces meubles √† tiroirs et √† double fond, destin√©s au rangement de secrets, bijoux, pierres pr√©cieuses, etc. Ce meuble est entr√© dans les collections des MAAD en 1865 gr√Ęce √† la g√©n√©rosit√© du baron Albert d’Otreppe de Bouvette, 1er pr√©sident de l’Institut Arch√©ologique li√©geois. Ce cabinet qui avait subi les dommages du temps (d√©collements, fentes, lacunes) vient de b√©n√©ficier, gr√Ęce √† cette expo¬≠sition, d’une restauration confi√©e √† l’atelier bruxellois de Christian Copet.

 

Le rayonnement du meuble liégeois

Le corps inf√©rieur est compos√© d’une tablette coulissante destin√©e √† l’√©criture. Les cinq pieds, pos√©s sur des bases tourn√©es et couronn√©s par des chapiteaux, sont octogonaux et reli√©s entre eux par une entretoise en X de forme chantourn√©e. Le corps sup√©rieur est un cabinet √† tiroirs encadrant une logette en retrait. Ce meuble, expos√© au Mus√©e d’Ansembourg, class√© Patrimoine exceptionnel, a b√©n√©fici√©, en 2000, d’une restauration attenti¬≠ve et bien document√©e, confi√©e √† M. Pierre BER¬≠NARD, √©b√©niste-restaurateur et historien de l’Art (financ√©e par la Ville de Li√®ge et la Communaut√© fran√ßaise). Les formes simples, le souci de sym√©trie et le d√©cor des placages, le rapproche d’un autre meuble exceptionnel : le bureau sign√© en 1755 parJ.-P.HEUVELMAN.Ce bureau, vraisemblablement r√©alis√© pour les 6 d√©put√©s de l’Etat-Tiers, a √©t√© restaur√© en 2001 par l’√©b√©niste-restaurateur Denis BRUYERE, gr√Ęce √† une souscription publique, compl√©t√©e par la Ville de Li√®ge.

 

Un piano réalisé à Spa

Cet instrument pour le moins original date de l’√Ęge d’or de la production de pianos √† Bruxelles, qui commence avec la cr√©ation du Royaume. Il r√©sulte du savoir-faire de deux artistes: le facteur de piano d’origine polonaise F√©lix Jastrzebski (1805-1874) et le peintre spadois Hubert Hans, actif entre 1847 et 1880.

Lors de son installation √† Bruxelles en 1831, F√©lix Jastrzebski travaille pour la manufacture de pianos de Herman Lichtenthal. Une dizaine d’ann√©es plus tard, il s’installe √† son compte et ce piano est probablement l’une des ses pre¬≠mi√®res r√©alisations personnelles puisque l’ins¬≠trument porte deux m√©dailles “1er prix Bruxelles 1841 ” et “Prize Medal Londres 1851 “. Le piano est compos√© d’une m√©canique √† ba√Įon¬≠nettes plac√©e dans un meuble de style Napol√©on III. La caisse de l’instrument est enti√®¬≠rement recouverte d’un placage d’√©rable mou¬≠chet√© teint√©. Deux consoles soutiennent le pla¬≠teau du clavier et pr√©sentent une d√©coration sculpt√©e assez massive qui contraste avec les parties m√©talliques (poign√©es, p√©dales et chan¬≠deliers) de facture plus d√©licate. On sait peu de choses concernant Hubert Hans. Sp√©cialis√© dans les repr√©sentations flora¬≠les, le peintre prouva sa maestria dans cette somptueuse d√©coration qui compte une trentaine de vari√©t√©s de fleurs et d’essences r√©gio¬≠nales. Cette ornementation a √©t√© r√©alis√©e tardi¬≠vement car lors de la pr√©sentation de cette pi√®ce √† l’Exposition universelle de Londres, Albin Body regrettait ” que le facteur ne l’e√Ľt pas fait orner de peintures “.

 

Un intérieur Art Nouveau

La signature de Serrurier-Bovy se retrouve sur les cl√©s ; le ch√™ne est incrust√© de lys stylis√©s, r√©f√©rence au monde v√©g√©tal, source d’inspiration premi√®re de l’Art nouveau. Eb√©niste et architecte, Gustave Serrurier, √©poux de Maria Bovy, ouvre, en 1884, un magasin de mobilier diffusant des objets japonisants et sign√©s Liberty. En 1894, il participe √† la premi√®¬≠re exposition de la Libre Esth√©tique. Ses meu¬≠bles et ses d√©corations connaissent rapidement un grand succ√®s : il poss√®de plusieurs magasins √† Li√®ge, Bruxelles, Paris, La Haye et Nice. Sensible aux th√®ses d√©fendues par Jules Destr√©e au sein de la section du Parti ouvrier belge, Serrurier con√ßoit plusieurs am√©nagements de maisons ouvri√®res et cr√©e l’un des I ers mobi¬≠liers de s√©rie √† monter soi-m√™me (Mobilier Silex, 1905). Une collection m√©connue, repr√©¬≠sentative de son √©volution stylistique, sera pro¬≠chainement valoris√©e dans le cadre du Grand Curtius, √† c√īt√© du Studio Eug√®ne Ysaye, violo¬≠niste li√©geois.

 

Victor Horta naquit √† Gand, le 6 janvier¬†¬† 1861. Longtemps, Horta est consid√©r√©, en Belgique, comme le cr√©ateur d’un style appel√© Nouille, tumultueux et surcharg√©. Apr√®s la destruction de l’h√ītel Aubecq en 1950 et le d√©mant√®lement de la Maison du Peuple en 1965, de nombreux ma√ģtres s’indignent de ce vandalisme et reviennent sur leur jugement. L’ouverture du Mus√©e Horta en 1969 permet au grand public de venir admirer l’int√©rieur de la maison priv√©e du ma√ģtre. Tout le monde contemple alors l’√©quilibre des volumes, la mat√©rialisation du plan libre, les diverses inter¬≠p√©n√©trations et les variations de niveaux en perspectives montantes et descendantes. On appr√©cie les nombreux d√©tails artistiques et artisanaux, parfaitement int√©gr√©s. Dans toute son oeuvre, Horta veut lib√©rer l’ar¬≠chitecture de l’h√©ritage n√©oclassique et n√©ogo¬≠thique, en cherchant √† repenser l’acte de cr√©a¬≠tion. Il parvient √† insuffler un esprit nouveau et le go√Ľt d’utiliser des mat√©riaux de son temps. Dans toutes ses compositions, Horta joue avec les lignes droites et courbes, les mariant sans jamais perdre de vue les imp√©ratifs de la cons¬≠truction. Il a parfaitement compris ce que la courbe peut apporter : attrait, f√©minit√©, person¬≠nalit√© et dynamique. Sa ligne “en coup de fouet” offre une infinie diversit√© d’expressions, de nuances et de subtilit√©s. Il comprend surtout avant tout le monde qu’il faut en user avec une retenue et une mod√©ration extr√™me. Victor Horta multiplie les domaines d’activit√© comme la sculpture, les fresques, les sgraffites, les peintures, les meubles, les ferronneries, les tapis, les lampes, les syst√®mes de chauffage et de ventilation, et tous les ornements. Tout doit concourir √† la coh√©rence de l’ouvrage. S’il est vrai que l’on peut parler de l’architectu¬≠re d’une musique en √©voquant sa structure et son √©quilibre, Horta nous montre qu’il existe √©galement une musique de l’architecture, qui na√ģt de l’harmonie des formes, des mati√®res et des couleurs.

 

L’appellation ” Design ” date de la moiti√© du 20e si√®cle et est assez compliqu√©e √† expliquer. Il est encore mal compris et nous n’avons pas le recul n√©cessaire pour le d√©finir. Mais on peut n√©anmoins d√©gager des notions intrins√®ques √† ce concept. Le design est industriel (fabrication industrielle) et peut √™tre d√©coratif (mobilier…), et/ou technique (voiture, train…). En Belgique, les projets tels que Design Vlaanderen, Designed in Brussels et son parcours design et le site internet Design addict… s’activent √† la promo¬≠tion des designers en Belgique et √† l’√©tranger. Apr√®s la domination du plastique dans les ann√©es 60 et du textile dans les ann√©es 70, les ann√©es 80 am√®nent les designers √† concevoir des fournitures plus fonctionnelles et ainsi li√©es √† la vie de tous les jours. Ils sont par ailleurs reconnus en tant que designers et participent ainsi √† l’explosion du design international des ann√©es 80 et 90.

En Flandre, la figure de proue design Mode in Belgium est sans aucun doute Maarten Van Severen (1956) qui poursuit une tr√®s belle car¬≠ri√®re internationale. Ses premi√®res r√©alisations datent de la moiti√© des ann√©es 80.Van Severen est d√©crit comme √©tant “un designer sans com¬≠promis qui refuse de se laisser manipuler par la machine ou par la technologie”. C’est aussi un cr√©ateur qui investigue constamment de nou¬≠velles possibilit√©s.La chaiseVan Severen peut √™tre ais√©ment identifi√©e par un connaisseur en design et ceci est bien une marque de passage √† la post√©rit√© pour ce talentueux amoureux des formes.

Si de nos jours le design en Belgique se porte bien, la Flandre y est sans doute pour quelque chose avec des noms tels que : Philippe Neerman (Citadis tramway Lyon), Eric Symons en Maxime Szyf (Samsonite).Vic Cautereels en Bob Daenen (Tupperware), Patrick Hoet (lunet¬≠tes), Axel Enthoven (Opel), Stephan Winteroy, JanVan Lierde (Kreon).Weyers en Borms… En Wallonie, on s’enthousiasme pour des desi¬≠gners tr√®s prometteurs comme Damien Gernay, Magali Vernier, Delphine Mainil, Manon Legros ou confirm√©s comme Henriette Michaux.

En mati√®re de design, Bruxelles regorge de nombreux talents tels que Danny Venlet, Xavier Lust, Alain Berteau, Pol Quadens et Charles Kaisin (1972)…

Ce dernier travaille sur le recyclage et aime insuffler une seconde vie aux objets. Son travail est bas√© sur le concept de l’extension que l’on retrouve dans son banc modulable blanc et √©ti-rable en structure de nid d’abeille. Sa derni√®re trouvaille, les sacs Pingolingo (mat√©riau l√©ger et imperm√©able pouvant √™tre destin√© √† de nomb¬≠reux usages), ont un succ√®s important notam¬≠ment au Japon.

 

La maroquinerie Delvaux, qui fête cette année ses 175 ans est devenue au fil des années synonyme de savoir-faire et de tradition.

Fort de cette r√©putation, Delvaux a d√©cid√© de capitaliser sur l’√©l√©gance et de l’agr√©menter de cr√©ativit√© contemporaine. Chaque objet est fabriqu√© de fa√ßon artisanale, dans la tradition du fait main dans les ateliers Delvaux de Bruxelles Son mod√®le le plus c√©l√®b¬≠re, le Brillant, n√© en 1958 lors de l’Exposition Universelle, est¬†¬†¬† encore¬† aujourd’hui un incontournable.

Aujourd’hui les collections comprennent √©gale¬≠ment de la petite maroquinerie, des serviettes, des foulards, √©charpes,gants,… Delvaux compte de nombreux magasins en Belgique, mais est √©galement pr√©sent en Allemagne, aux USA et au Japon.

 

Depuis toujours, les habitudes vestimentaires sont le reflet des comportements¬†¬† sociaux. A¬† chaque √©poque correspondent ses caract√©ristiques, m√™me si la mode, au fil des si√®cles, accorde d’abord ses privil√®ges aux classes¬†¬† sup√©rieures, qui¬† affirment¬† leur¬† rang social √† travers le recours aux √©toffes les plus pr√©cieuses et aux accessoires¬† les plus clin¬≠quants.

Evoquer la mode ” Made in Belgium ” passe donc tout d’abord par une r√©trospective sous forme de d√©fil√©, par un premier regard dans le r√©troviseur.

Par son environnement, et sa r√©f√©rence sp√©ci¬≠fique, chaque costume s’identifie ici √† une √©poque particuli√®re.

C’est pourtant √† l’√©poque moderne, dans l’√©bullition des Golden Sixties, que la mode se d√©mo¬≠cratise v√©ritablement, rompant d√©finitivement avec ses traditions de conformisme et d’aust√©¬≠rit√© par une profonde remise en question des crit√®res les plus r√©barbatifs. On assiste √† l’√©¬≠mancipation de la couleur et des formes. La mode se fait accessible, elle s’all√®ge aussi, et t√©moigne de l’imagination d√©bordante et s√©dui¬≠sante des cr√©ateurs les plus dynamiques comme les plus insolites.

La Belgique n’√©chappe pas √† la contagion cr√©ati¬≠ve, et la mode ” made in Belgium ” figure d√©¬≠sormais au nombre des fleurons qui s’expor¬≠tent sur le plan international. Par leur motiva¬≠tion, leur sens de la diff√©rence esth√©tique et leur g√©n√©reuse cr√©ativit√©, nos stylistes, coutu¬≠riers et accessoiristes de renom sont parvenus √† briser le monopole s√©culaire de l’axe Paris-Londres-Milan en imposant sans demi-mesure leurs cr√©ations sur tous les continents.

 

Au temps des  pionniers

Consid√©r√©e comme la fondatrice de la mode belge, l’Anversoise Ann Salens d√©bute √† la fin des ann√©es ’60 avec une petite boutique au style particulier. Ses robes exclusives sont connues largement en dehors des fronti√®res et sont por¬≠t√©es par des noms fameux de l’√©poque comme Juliette Gr√©co, Fran√ßoise Dorl√©ac, la princesse Paola ou la chanteuse Ann Christy. Mais la notori√©t√© de la mode ” made in Belgium ” demeure encore assez confuse √† cette √©poque, en dehors de quelques grosses pointu¬≠res de niveau international.

 

Les stars et le cinéma

L’instauration du concours de La Canette d’Or en 1982 dope v√©ritablement le secteur et les jeunes cr√©ateurs dont les ressources peuvent s’exprimer magistralement dans un esprit com¬≠p√©titif.

Imm√©diatement, l’Acad√©mie Royale d’Anvers se taille la part du lion et donne le ton dans les ann√©es ’80 √† l’essor d’une g√©n√©ration excep¬≠tionnelle.

C’est l’explosion de la “Bande des Six” qui se distingue au British Designer Show de Londres en 1987 et qui regroupe dans une m√™me d√©marche de valorisation individuelle : Ann Demeulemeester, Dirk Bikkenbergs, Dirk Van Saene, Dries Van Noten, Walter Van Beirendonck et Marina Yee. En t√™te d’affiche, Ann Demeulemeester, n√©e en 1954, dont les v√™tements aux silhouettes √©pu¬≠r√©es sont propos√©s dans 200 boutiques r√©par¬≠ties dans le monde entier. De son c√īt√©, Dries Van Noten, n√© en 1958, roi de la superposition et de l’exotisme, est pr√©sent dans 25 pays. Il √©coule ses v√™tements dans 500 points de vente √† raison de quelque 100.000 pi√®ces par saison. Walter Van Beirendonck, n√© en 1957, est cette l√©gende vivante dont l’excentricit√© s’affirme dans un univers loufoque et color√©. On lui doit les tenues de sc√®ne du chanteur Bono en 1992 et les costumes de ” Not Strictly Rubens “, une cr√©ation du Ballet des Flandres 2003.

 

Les fringues de Bruce Springsteen

On le constate : les cr√©ateurs anversois s’impo¬≠sent donc aussi dans le milieu du cin√©ma et du show business, par l’interm√©diaire encore de Martin Margiela, proche de la Bande des Six √† ses d√©buts. Pape du d√©constructionnisme et du “work in progress” bas√© sur la r√©cup√©ration int√©grale, il se fait notamment remarquer au grand √©cran en cr√©ant les costumes du film “The Pilow Book” de Peter Greenaway. Depuis 1998, il exerce comme styliste du pr√™t-√†-porter f√©minin de la maison Herm√®s. Et des stars telles que Bruce Springsteen, George Michael et Paul Me Cartney portent des fringues anversoises. C’est donc la cons√©cration pour l’Acad√©mie d’Anvers, dont la directrice, Linda Coppa re√ßoit les honneurs du “Time” en 2003. Le c√©l√®bre magazine hisse en effet son √©cole au rang des incontournables de la mode internationale. Anvers devient gr√Ęce √† sa directrice la capitale de la mode alternative en Europe.

 

L’Ecole de la Cambre

Elle voit le jour en 1986 pour stimuler la cr√©a¬≠tion stylistique du c√īt√© francophone. Sa direc¬≠trice, Fran√ßoise Fairon, lui apporte une renom¬≠m√©e qui n’est pas usurp√©e. Elle n’est pas en reste avec une notori√©t√© ascendante √©galement. L’un de ses plus dignes repr√©sentants, Olivier Theyskens a cr√©√© la robe port√©e par Madonna lors de la remise des Oscars. Mais la mode francophone s’exprime aussi √† travers le talent de V√©ronique Leroy. Cette sty¬≠liste li√©geoise remporte la Canette d’Or en 1989 avant de s’√©manciper d√©finitivement sur la sc√®ne internationale. Elle se revendique kitsch et trouve sa source d’inspiration principale dans la caissi√®re des grandes surfaces. Elle habille aussi Axelle Red.

Depuis quelques ann√©es, les √©tudiants en termi¬≠nale de La Cambre se distinguent aussi avec une infaillible r√©gularit√© au Festival International des arts de la mode, qui se tient √† Hy√®res, sur la C√īte d’Azur.

Mais dans son ensemble, sur les podiums pari¬≠siens, comme lors de Festival √† Trieste ou ailleurs, les stylistes de la capitale, comme ceux du Nord et du Sud du pays, trustent chaque ann√©e davantage de distinctions. La reconnais¬≠sance internationale n’est pas loin.

 

Un modèle à suivre

Peu de temps auparavant pourtant, Olivier Strelli r√©colte d√©j√† des lauriers √† Paris o√Ļ il se fait remarquer d√®s 1979. Son d√©fil√© de 1985 s’intitule “Une Belge √† Paris” et rencontre un immense succ√®s. Strelli, n√© en 1946, s’inspire des coloris africains et devient le porte-drapeau de la Belgique de la mode avec 500 points de vente qui assurent partout le succ√®s de sa grif¬≠fe.

En 1989 et 1999, il cr√©e √† deux reprises l’uni¬≠forme des h√ītesses de la Sabena. En 2004, il habille les membres de l’√©quipe nationale de foot fran√ßaise hors du terrain. Il est pr√©sent dans les habitudes vestimentaires de la Reine Paola, du Prince Philippe et de la princesse Mathilde, mais aussi costumier du c√©l√®bre Mick Jagger, leader des Rolling Stones pour la tour¬≠n√©e mondiale ” Bridge to Babylon ” en 1997. Sa r√©ussite est un exemple et son influence sur les jeunes cr√©ateurs en Belgique sera pr√©pond√©rante. Plus pr√®s de nous, citons encore G√©rald Watelet, n√©e en 1963, qui habille la reine Paola et Edouard Vermeulen, de la maison Natan, devenu incontournable depuis qu’il a habill√© la princesse Mathilde lors de son mariage avec le Prince Philippe.

 

De la naissance au mariage

Mais dans le domaine des tenues de c√©r√©monie et des robes de mari√©e, tout comme dans le secteur du v√™tement pour enfants, la Belgique compte √©galement des cr√©ateurs et des collec¬≠tions connues du monde entier.Avec des noms et des appellations telles que Natan, G√©rald Watelet, Nina Meert, Johanne Riss, Mieke Cosyn, Linea Raffaeli, Mer du Nord ou Oni Onik, c’est ici encore tout un savoir-faire “haut de gamme” qui popularise les cr√©ations stylis¬≠tiques de la Belgique.

 

Les accessoires de prestige

Depuis 1829, la maroquinerie Delvaux et son produit phare, le sac pour dame et notamment le Brillant cr√©√© en 1958 pour l’Expo Universelle, est pr√©sent sur tous les continents. Dans le domaine de l’accessoire de prestige, les Belges sont donc √©galement en premi√®re ligne. Les accessoires Olivier Strelli, chaussures, par¬≠fums, lunettes et linge de maison, envahissent √©galement le march√© de la mode. Tout comme les c√©l√®bres chaussures Ambiorix, fond√©es √†Verviers puis install√©es √†Tongres, qui sont appr√©ci√©es √† Tokyo comme √† Londres, √† Paris comme aux USA.

 

Coup de chapeau

Figure de proue d’une g√©n√©ration innovante et fertile, Elvis Pompilio (1961) d√©veloppe sa pre¬≠mi√®re collection de chapeaux en 1987.11 appor¬≠te un sacr√© coup de jeune aux styles fig√©s ou inertes et rencontre un succ√®s imm√©diat et… d√©coiffant. Il accole son nom aux plus grands cr√©ateurs de pr√™t-√†-porter en Belgique, comme Ann de Meulemeester ou V√©ronique Leroy, ou pour la haute couture, rien moins que chez Chanel. Ses chapeaux sont vendus de New York √† Tokyo, et Joan Collins ou Yannick Noah sont des fid√®les clients. Mais n’oublions pas un autre tr√®s grand modiste belge : Christophe Coppens.

 

La touche finale

Et comment terminer sans √©voquer le succ√®s d’un top model c√©l√®bre de chez nous. Ingrid Seynhaeve, n√©e en 1977, fait la ” une ” de maga¬≠zines tels que Vogue, Elle, Harper’s Bazaar ou encore Sports Illustrated. Les marques Ralph Lauren, Christian Dior, Anne Klein, Bleumarine, Nivea et Biotherme se l’arrachent. Au moment pr√©cis o√Ļ le jeune styliste hassel-tois Stijn Helsen se distingue en dessinant le costume de Spider Man 2, qui sort √† l’√©cran en juillet 2004.

 

Etienne Lenoir na√ģt √† Mussy-la-Ville, pr√®s deVirton, en I822.A 16 ans, il se trouve √† Paris o√Ļ il travaille comme gar√ßon de caf√©,¬† ¬†puis comme ouvrier dans une √©maillerie et suit des cours du soir. En 1847, il invente un proc√©d√© de production d’√©mail blanc, puis am√©¬≠liore la m√©thode d’√©lectrolyse des rev√™tements m√©talliques, appel√©e galvanoplastie. Devenu ing√©nieur, II d√©pose de nombreux bre¬≠vets : freinage √©lectrique des wagons de chemin de fer, p√©trin m√©canique, signalisation des voies ferr√©es.¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

Son grand projet de r√©aliser un moteur √† com¬≠bustion interne aboutit en 1860 en rassemblant toutes les connaissances en la mati√®re. Il d√©po¬≠se alors le brevet de ¬ę moteurs √† gaz et √† air dilat√©s ¬Ľ dont le principe est celui du moteur √† explosion √† deux temps. Les commandes affluent.

Le moteur √† gaz de Lenoir fonctionne d’abord dans la petite industrie avant de trouver sans tarder son application r√©volutionnaire. En 1861, le premier bateau √† moteur navigue sur la Seine. En 1863, la premi√®re automobile Lenoir, avec un moteur √† gaz, circule sur une distance de 18 km en 3 heures entre Paris et Joinville.

 

Mais Etienne Lenoir fait encore homologuer des brevets pour l’√©tamage du verre, le tannage du verre, la t√©l√©graphie de copie. Il adopte la nationalit√© fran√ßaise et meurt en 1900 √† La Varenne Saint Hilaire.

 

Le pilote¬† Camille¬†¬† Jenatzy¬†¬† n√©¬†¬† √† Schaerbeek en 1868, est le premier I √† franchir la barre des 100 km/h au volant d’une voiture. Il s’agit de ” La Jamais¬†¬† Contente¬†¬† “, v√©hicule¬† √©lec¬≠trique de sa fabrication. C’est le 30 avril 1899, √† Arch√®res, dans la ligne droite du parc am√©nag√© par l’architecte de la ville de Paris, qu’il pulv√©ri¬≠se le record du comte Gaston de Chasseloup-Laubat avec 92,3 km/h.

Jenatzy atteint la vitesse de 105,88 km./h au volant de cette torpille √©lectrique, au profil des¬≠sin√© par Mheins et Ausher. La voiture ressemble √† un obus haut perch√© sur de petites roues. La ” Jamais Contente ” est construite en partinium, un alliage d’aluminium, de tungst√®ne et de magn√©sium lamin√©. Elle est mont√©e sur un ch√Ęs¬≠sis construit par la Compagnie des transports automobiles Camille Jenatzy. Elle est carross√©e par Rothschild et √©quip√©e de deux moteurs √©lectriques Poslet-Vinay aliment√©s par des accu¬≠mulateurs Fulmen. Ainsi par√©e, elle est faite pour la course, discipline dans laquelle Camille Jenatzy glane aussi de nombreux lauriers en comp√©tition. Vainqueur de la Coupe Gordon-Bennett en 1903 sur Mercedes, il se fait √©gale¬≠ment remarquer dans des √©preuves d’enduran¬≠ce sur les hauteurs de Spa. Pilote de r√©putation mondiale, surnomm√© “le diable rouge”, il meurt tragiquement en 1913 d’un accident de chasse.

 

Savez-vous …que c’est la Belgique qui a fourni l’uranium de la bombe d’Hiroshima ?

 

Physicien autodidacte,¬† Z√©nobe Gramme na√ģt √† Jehay-Bodegn√©e en 1826. D√®s son enfance, il est tr√®s¬† attir√© par la menuiserie. Il suit les¬† cours d’une petite √©cole industrielle. Artisan menuisier il s’installe √† Paris en¬† 1856 comme¬†¬†¬† √©b√©niste-modeleur¬†¬†¬† √†¬†¬†¬† la¬†¬†¬† soci√©t√© “l’Alliance”¬†¬† sp√©cialis√©e¬†¬† dans¬†¬† la¬† construction d’appareils √©lectriques.

En 1867, il prend un brevet pour plusieurs dispositifs destin√©s √† perfectionner les machines √† courant alternatif. En 1868, il construit la pre¬≠mi√®re dynamo √† courant continu, point de d√©part de l’industrie √©lectrique moderne. En 1870, il d√©pose le brevet qui contient la th√©orie de la “machine magn√©to-√©lectrique produisant des courants continus”.

L’exploitation de son invention passe par la cr√©ation de la Soci√©t√© des machines magn√©to-√©lec¬≠triques Gramme qu’il fonde en 1871 avec son ami Hyppolite Fontaine. Son premier mod√®le est alors pr√©sent√© √† la s√©ance de l’Acad√©mie des sciences.

 

Savez-vous …que les ¬ę ralentis ¬Ľ de la der¬≠ni√®re coupe du monde de foot¬≠ball √©taient une technique belge.

 

A l’exposition de la lumi√®re √©lectrique en 1881 √† Paris la machine de Gramme sera la reine. Cette invention, aux cons√©quences d√©cisives dans l’exploitation de l’√©lectricit√©, lui vaut une renomm√©e mondiale.

En 1888, il obtient √† l’Acad√©mie des sciences le prix Volta de 50 000 francs institu√© par Louis-Napol√©on, que Ruhmkorff et Graham Bell avaient eu avant lui. Il est fait officier de la l√©gion d’honneur avant de s’√©teindre en 1901 √† Bois Colombes pr√®s de Paris.

 

A l’exposition de la lumi√®re √©lectrique en 1881 √† Paris la machine de Gramme sera la reine. Cette invention, aux cons√©quences d√©cisives dans l’exploitation de l’√©lectricit√©, lui vaut une renomm√©e mondiale.

En 1888, il obtient √† l’Acad√©mie des sciences le prix Volta de 50 000 francs institu√© par Louis-Napol√©on, que Ruhmkorff et Graham Bell avaient eu avant lui. Il est fait officier de la l√©gion d’honneur avant de s’√©teindre en 1901 √† Bois Colombes pr√®s de Paris.

 

Cet ouvrage¬† de¬†¬† r√©f√©rence¬† sort¬† en 1555 de l’imprimerie de Plantin Moretus √† Anvers et consacre la science d’Andr√© V√©sale, n√© √† Bruxelles le 30 septembre 1514 et fils de l’apothicaire de la Cour. Apr√®s une for¬≠mation humaniste acquise √† Louvain il assimile √† Paris √† l’√Ęge de 18 ans, l’enseignement de Gallien. D’embl√©e, il constate les distorsions qui existent entre l’anatomie des animaux qu’il a soigneusement √©tudi√©e, et les cadavres humains qu’il parvient √† diss√©quer personnellement. Il re√ßoit ensuite le titre de Docteur et d√©mons¬≠trateur de chirurgie √† l’Universit√© de Padoue o√Ļ il r√©alise une premi√®re anatomie le 5 d√©cembre 1537. Il affine ses connaissances √† Bologne o√Ļ son exploration m√©thodique du corps humain lui permet de rectifier toutes les erreurs de l’enseignement traditionnel. Il jouit alors d’une renomm√©e exceptionnelle et r√©alise en quelques ann√©es cette Ňďuvre fondamentale c√©l√®bre sous le nom de “De Humani Corporis Fabrica” qu’il publie d’abord √† Baie en 1543 et lui vaut de devenir le m√©decin personnel de l’Empereur Charles-Quint. Dans la tourmente de l’Inquisition qui stigmati¬≠se ses th√©ories, il √©chappe de peu √† la mort.

 

Condamn√© √† un p√®lerinage de repentir en Terre Sainte, Andr√© V√©sale meurt dans des conditions mal √©lucid√©es √† l’√ģle de Zante en septembre 1564.

 

 

La Belgique, deuxième puissance économique du monde au XIXe siècle

Le livre La¬† Belgique industrielle est un formidable t√©moin de la r√©volution qui traverse notre pays du d√©but du XIXe si√®cle. Les nombreuses lithographies pr√©sent√©es dans cet ouvrage illustrent diff√©rents centres industriels qui se sont d√©velopp√©s surtout √† partir de l’in¬≠d√©pendance de la Belgique. En 1830, la situation √©conomique de la Belgique est difficile. Toutefois, nous commen√ßons √† percevoir une certaine activit√© √©conomique et une passion d’entreprendre. Entre 1833 et 1848, nous ob¬≠servons l’expansion de la forme juridique des soci√©t√©s anonymes en tant que forme √©labor√©e de la gestion du capital. Entre 1833 et 1838, nous comptons 151 s.a. Les Belges, du nord principalement, se sentent encore tr√®s proches des Pays-Bas car ils repr√©sentent la possibilit√© d’ouverture vers le monde. En 1835, un √©v√©ne¬≠ment tr√®s important se produit : l’ouverture de la premi√®re ligne de chemin de fer entre Bruxelles et Anvers. Le chemin de fer permet de mettre en place un commerce de transit. En outre, il mobilise tout un ensemble de secteurs qui profitent de cette initiative : charbon, m√©tal¬≠lurgie et sid√©rurgie. De nombreuses lignes de chemin de fer sont cr√©√©es. Le secteur bancaire est lui aussi en pleine expansion. La Soci√©t√© G√©n√©rale et l’√©ph√©m√®re Banque de Belgique ont une activit√© d√©bordante. Mais cette phase de d√©veloppement intense est interrompue par une crise en 1847-1848. Plusieurs facteurs peu¬≠vent l’expliquer. D’une part, les Anglais propo¬≠sent des produits liniers √† tr√®s bas prix et les producteurs belges ne peuvent pas suivre. D’autre part, la crise de la pomme de terre -suite √† de mauvaises conditions atmosph√©riques et √† des maladies – conduit √† la famine. Cette situation augmente l’exode rural. La main d’Ňďu-vre pour l’industrie est donc de plus en plus nombreuse. Les ann√©es qui suivent cette crise voient le triomphe du lib√©ralisme.

 

La balance musculaire que Th√©odore Schwann utilisa lors de ses √©tudes ! sur la force et la contraction des muscles, ne symbolise qu’une infime partie des travaux de cet √©minent anatomo-physiologiste.

Th√©odore Schwann est n√© √† Neuss am Rhein, en Allemagne, en 1810. Il √©tudia les sciences naturelles et la m√©decine √† l’Universit√© de Bonn, puis √† l’Universit√© de Berlin o√Ļ il soutint sa th√®se de doctorat en 1834. Il fut nomm√© en 1839 professeur d’anatomie √† l’Universit√© de Louvain puis exer√ßa √† l’Universit√© de Li√®ge de 1848 √† sa mort.

Schwann toucha √† divers domaines tout au long de sa vie : il √©tudia le fonctionnement du mus¬≠cle, d√©couvrit la pepsine, se pencha sur les ph√©¬≠nom√®nes de fermentation alcoolique et de putr√©faction et donna son nom √† la gaine qui entoure les cellules nerveuses. Il inventa aussi un appareil respiratoire pour les mineurs, cons¬≠titu√© d’une bonbonne d’oxyg√®ne comprim√© et d’une caisse d’absorption √† chaux hydrat√©e.

Mais ce qui marqua le plus sa carri√®re fut l’ob¬≠servation microscopique de la cellule. Il fut le premier √† √©tablir une corr√©lation entre l’organi¬≠sation des cellules v√©g√©tales et animales, et √† comprendre que tous les √™tres vivants √©taient constitu√©s d’une m√™me unit√© de base. Schwann meurt √† Cologne en 1882.

 

Ne √† Leuven e 21 aout 1813, Jean-Servais Stas obtient en 1834 le dipl√īme de docteur en sciences / m√©dicales mais ne pratiquera jamais la m√©decine par la suite, se tournant rapidement vers la chimie. Stas part en 1837 pour Paris, o√Ļ il est admis au sein du labo¬≠ratoire de J. B. A. Dumas.Ensemble, Dumas et Stas red√©terminent le poids atomique du car¬≠bone et obtiennent un multiple quasi exact du poids atomique de l’hydrog√®ne. Les deux cher¬≠cheurs y voient une confirmation de l’hypoth√®¬≠se (1815) de Prout selon laquelle tous les ato¬≠mes sont compos√©s d’un √©l√©ment primitif, l’hy-drog√®ne.En 1840, Jean-Servais Stas est nomm√© professeur de chimie √† l’Ecole Royale Militaire de Bruxelles. Il construit un laboratoire de chi¬≠mie √† son domicile, o√Ļ ses mesures sur de nom¬≠breux √©l√©ments finissent par l’inciter √† r√©futer la th√©orie de Prout, tout en croyant encore √† une certaine unit√© de la mati√®re. Suite √† l’empoison¬≠nement du Comte HippolyteVisart de Bocarm√© √† la nicotine en 1850, Stas met √©galement au point une m√©thode de d√©tection des alcalo√Įdes v√©g√©taux, qui, modifi√©e par F. J. Otto, est bien connue sous le nom de m√©thode de Stas-Otto. Il reste √† l’Ecole Royale Militaire plus d’un quart de si√®cle mais est oblig√© de d√©missionner en 1865 suite √† une maladie du larynx qui affecte son √©locution. Il est alors ma√ģtre de la Monnaie de 1865 √† 1872 et membre du Comit√© international des poids et mesures de 1877 √† 1879. Il passe ainsi le reste de sa vie √† Bruxelles, o√Ļ il meurt le 3 d√©cembre 1891.

 

 

Savez-vous ... que notre pays compta jus¬≠qu’√† 130 soci√©t√©s diff√©rentes de¬† production de motos ?

 

Le ph√©nakistiscope, l’un des anc√™tres du cin√©ma, est constitu√© d’un simple¬† disque¬† perc√©¬† de fentes sur¬† lequel les diff√©rentes √©tapes d’un mouvement sont d√©compos√©es. Pour reconstituer le mouvement, la personne doit √™tre en face d’un miroir et positionner ses yeux au niveau des fentes. Si elle fait ensuite tourner le carton, les fentes en mouvements ne laissent appara√ģtre¬†¬† l’image¬† qu’un tr√®s cours instant. L’oeil ne voit donc que des images fixes, qui semblent s’animer quand le carton tourne suffi¬≠samment vite.

L’inventeur du ph√©nakistiscope, Joseph-Antoine-Ferdinand Plateau, est n√© √† Bruxelles le 14 octobre 180L

A l’Ath√©n√©e de Bruxelles, il eut le privil√®ge de compter parmi ses profes¬≠seurs le c√©l√®bre math√©maticien Adolphe Quetelet, avec qui il garda d’√©troits contacts. En optique, sa branche de pr√©dilection, il r√©alisa maintes exp√©riences sur la physiologie de la vision. C’est lui qui le premier √©non√ßa une th√©o¬≠rie sur la persistance r√©tinienne (1829), suite √† quoi il inventa le ph√©nakistiscope. Son souci exp√©rimental et son d√©vouement total √† la cause de la science l’am√®nent √† une exp√©rience limite : en 1928, il se br√Ľle la r√©tine en fixant le soleil de midi. Il deviendra d√©finitivement aveugle 14 ans plus tard. Avec l’aide de divers collaborateurs, Plateau poursuivit n√©anmoins ses recherches, notam¬≠ment sur les ph√©nom√®nes de capillarit√©,et mou¬≠rut le 15 septembre 1883.

 

 

L’ordinateur¬†¬† Burrough¬†¬† E¬†¬† 191¬†¬† de l’Universit√© de Louvain rappelle I l’envergure du chanoine Georges f Lema√ģtre, n√© √† Charleroi en juillet 1894 et qui obtient en 1920 son doc¬≠torat en sciences physiques et math√©matiques. Entr√© au s√©minaire de Malines, il est ordonn√© pr√™tre en 1923. Apr√®s des √©tudes √† Cambridge, et un stage √† l’Observatoire d’Harvard aux Etats-Unis sous le parrainage d’Albert Einstein en personne, cet astrophysicien de renom est nomm√© professeur √† l’Universit√© de Louvain en 1927. C’est alors qu’il publie sa c√©l√®bre th√©orie d’un univers en expansion au d√©part d’une explosion primitive, connue sous le nom de “big bang”. Une th√©orie audacieuse que confirme aussit√īt l’astronome am√©ricain Hubbles apr√®s exploration des galaxies √† l’aide de t√©lescopes g√©ants.

Par la suite, le satellite am√©ricain Cobe effectue en 1990 des observations qui confirment cette th√©orie cosmogonique √©mise en 1931. Devenu Pr√©sident de l’Acad√©mie Pontificale en I960 jusqu’√† sa mort en 1966, Georges Lema√ģtre est aussi membre de plusieurs univer¬≠sit√©s et acad√©mies √©trang√®res.

 

Pour √©tayer ses th√©ories, le chanoine Lema√ģtre s’appuie sur un environnement informatique dont l’impressionnant gabarit fait aujourd’hui sourire les habitu√©s du mat√©riel compact. N’emp√™che, la contribution √† la science des recherches de Lema√ģtre est un √©l√©ment fonda¬≠mental toujours incontest√© √† l’heure actuelle.

 

 

Savez-vous … que des boulons fabriqu√©s √† Huy ont servi √† la construction de la statue de Libert√© √† New York?

 

Le microscope √©lectronique Siemens Elmiskop a √©t√© offert √† plusieurs ! chercheurs en 1957 par le FNRS en vue de permettre l’√©tude bio-chimique et morphologique des organites intracellulaires au sein de l’Universit√© Catholique de Louvain.

Il symbolise le bouleversement apport√© au milieu du XXe si√®cle √† la microscopie par cette technique qui permet alors des grossissements jusqu’√† 30000 fois la taille de l’objet examin√©. Ce type d’instrument engendrera de nombreu¬≠ses avanc√©es capitales dans l’√©tude des consti¬≠tuants de la cellule, qui rapporteront √† deux scientifiques belges, Christian de Duve et Albert Claude (accompagn√©s du Roumain Georges Palade) le Prix Nobel de M√©decine et Physiologie en 1974.

N√© le 23 ao√Ľt 1899, Albert Claude montra la localisation mitochondriale des enzymes et des cytochromes responsables des d√©shydrog√©nations et des transports d’hydrog√®ne de la respi¬≠ration cellulaire. Il fut le premier √† isoler (1933) et photographier un virus canc√©rig√®ne. Il mou¬≠rut √† Bruxelles le 22 mai 1983. N√© pendant la Premi√®re Guerre mondiale pr√®s de Londres, o√Ļ ses parents se sont r√©fugi√©s, Christian de Duve a perfectionn√© les tech¬≠niques de centrifugation et de s√©paration des organites cellulaires, ce qui lui permit de mettre en √©vidence l’existence des lysosomes et des peroxysomes. Il dirige √† pr√©sent l’Institut de Pathologie Cellulaire qui porte son nom.

 

Vers 1850, les techniques et le mat√©riel employ√© dans le secteur agricole sont, dans bien des cas, h√©rit√©s d’un¬† pass√© lointain. Les¬† nouveaux moyens de la construction issus de la r√©volution industrielle permettent alors de r√©aliser un mat√©riel plus sophistiqu√©, faisant un plus large usage du m√©tal. Dans ce contexte, des ant√©c√©dents familiaux am√®nent la famille M√©lotte √† s’int√©resser au mat√©riel agri¬≠cole et √† fonder une soci√©t√© qui va conna√ģtre un avenir florissant.

En 1852, Guillaume M√©lotte fonde la fabrique M√©lotte et produit entre autres des charrues et des batteuses. Il conna√ģt un franc succ√®s, princi¬≠palement gr√Ęce aux nombreuses innovations qu’il apporte dans ce domaine. A sa mort en 1878, ce sont ses fils Alfred et Jules qui poursuivent les activit√©s et apport√®¬≠rent de nouvelles innovations. Le cadet, Jules, passionn√© de m√©canique et de physique, r√©alise ses premi√®res inventions d√®s 1878 et entreprend d’am√©liorer une √©cr√©meuse centrifuge qui l’a impressionn√© lors d’une expo¬≠sition agricole. Il parvient ainsi √† cr√©er une machine plus rapide, produisant une cr√®me plus riche et n√©cessitant moins d’√©nergie.

L’√©cr√©meuse M√©lotte est n√©e. Elle va conna√ģtre, au fil des am√©liorations, un succ√®s sans cesse croissant qui fait la renomm√©e des M√©lotte. Quand Jules meurt en !9l9,Alfred se retrouve seul √† la t√™te de la soci√©t√© et poursuit l’Ňďuvre de son fr√®re, avant de mourir √† son tour en 1943.

La société Mélotte est encore de nos jours très active dans le secteur agricole.

 

L‘industrie motocycliste belge compte √† son actif de prestigieux fleu-I rons qui¬† s’illustrent √† travers le monde dans des comp√©titions sur la piste de moto cross ou en circuit. Les constructeurs sont nombreux, mais la dispari¬≠tion de Minerva √† Anvers ampute le secteur d’un¬†¬† producteur¬†¬† de¬†¬† renom. Du¬†¬† c√īt√©¬† des Flandres, seuls les scooters de Flandria gardent la cote de popularit√©.

En sens inverse, la Wallonie concentre l’essen¬≠tiel de sa production entre trois firmes impor¬≠tantes bas√©es √† Herstal, dans le bassin li√©geois : FN, Sarol√©a et Gillet. Ces trois constructeurs profiteront de l’engouement des premiers cong√©s pay√©s en 1936 pour accro√ģtre une pro¬≠duction tr√®s renomm√©e. L’usine Sarol√©a √† Herstal fabrique ses deux roues en 1898 et conna√ģt une prosp√©rit√© crois¬≠sante tout comme Gillet, fond√©e en 1919. Le rapprochement entre ces deux constructeurs intervient en I960. Les ¬ędemoiselles de Herstal¬Ľ ainsi que les surnomment les sp√©cialis¬≠tes, sont pr√©sentes partout sur les routes d’Europe et s’illustrent brillamment en comp√©¬≠tition.

Sur ce chapitre, 1953 est une ann√©e faste pour les pilotes belges qui occupent, sur motos bel¬≠ges aussi, les trois premi√®res places du Championnat du Monde de motocross cat√©go¬≠rie 500 ce. Avec dans l’ordre du palmar√®s Auguste Mingels, sur FN, Ren√© Baeten sur Sarol√©a, et Victor Leloup sur FN.

 

La Belgique occupe la premi√®re place j % mondiale dans le secteur de l‚Äôindustrie automobile jusqu’en 1914.

Le d√©mant√®lement de ses industries et le protectionnisme en vigueur apr√®s la premi√®re guerre mondiale sera pourtant fatal √† de nombreux constructeurs belges. Fleuron de l’industrie de luxe, Minerva survit au choc avec ses voitures de prestige que s’arrachent les stars de Hollywood. Le premier mod√®le sort en 1899 et le concepteur Sylvain de Jong, s’adjoint les capitaux n√©cessaires au d√©veloppement de sa production. En 1903 na√ģt la soci√©t√© Minerva Motors, bas√©e √† Anvers. D’embl√©e, l’usine occupe 550 ouvriers et pro¬≠duit 30 voitures, 6000 voiturettes et pr√®s de 6.000 motos et moteurs. C’est au Salon de Londres en 1908 que sort le mod√®le sans soupapes qui fait aussit√īt fureur. En 1912, l’usine occupe 3000 ouvriers. Apr√®s la guerre, les activit√©s reprennent, et c’est en 1922 que sort le prestigieux bouchon de radiateur “t√™te de Minerve” cr√©√© par l’artiste Pieter de Soete.

 

Savez-vous …que la Belgique est le plus grand producteur de briques pour le choix le plus vaste¬†?

 

A c√īt√© de la production des marques FN ou Imperia dans le bassin li√©geois, o√Ļ la production √©chappe aussi momentan√©ment au marasme ambiant, Minerva se dirige vers l’automobile de prestige que convoitent tous les amateurs de belles m√©caniques et de carrosseries accro¬≠cheuses.

 

Acad√©micien, astronome, m√©t√©orologiste, et statisticien gantois, Adolphe Quetelet est √† l’origine de la fondation de l’Observatoire royal de Bruxelles, approuv√©e en 1826 et r√©alis√©e en 1832. D’embl√©e, Adolphe Quetelet initie des observations r√©guli√®res de la temp√©rature, l’humidit√©, l’√©tat du ciel et la pression atmosph√©rique. Mais c’est aussi en sta¬≠tisticien de renom qu’il publie √† Paris son ouvra¬≠ge principal dans ce domaine, sous le titre ¬ęSur l’homme et le d√©veloppement de ses facult√©s ou Essai de physique sociale¬Ľ. En adaptant les proc√©d√©s de la statistique aux ph√©nom√®nes humains, Quelelet fait Ňďuvre de pionnier. On lui doit dans cette sp√©cialit√© la supervision du recensement de la population de la ville de Bruxelles en 1842, et les recensements g√©n√©¬≠raux de la population du Royaume d√®s 1846. Partisan de la collaboration internationale, il provoque en 1853 la r√©union √† Bruxelles du Premier Congr√®s International de statistique, pour √©tablir une entente au sujet des m√©thodes et des d√©finitions. Il pr√©side la m√™me ann√©e la premi√®re conf√©rence maritime internationale pour l’adoption d’un syst√®me uniforme d’obser¬≠vations m√©t√©orologiques √† la mer. Par la multi¬≠plicit√© de ses fonctions et ses innombrables publications, il exerce une influence consid√©rabl√©¬†¬† sur¬†¬† le¬†¬† d√©veloppement¬† des¬†¬† sciences¬†¬† en Belgique et √† l’√©tranger.

 

N√© en Grande Bretagne en 1790, John Cockerill d√©couvre,d√®s son enfance, la Wallonie o√Ļ son p√®re poss√®-f de des ateliers de construction de machines √† carder et √† filer la laine. Plus tard, il cr√©e la premi√®re entreprise sid√©rur¬≠gique int√©gr√©e europ√©enne √† Seraing, o√Ļ il s’ins¬≠talle en 1817 en devenant propri√©taire du ch√ʬ≠teau. A l’√©poque, les fabriques de fer sont peu productives et le roi Guillaume des Pays-Bas le charge du d√©veloppement de la sid√©rurgie dans le bassin de la Meuse. La premi√®re r√©volution industrielle de Cockerill est le remplacement du haut fourneau √† charbon de bois par un haut fourneau √† coke.

John Cockerill, √©galement pr√©curseur en mat√©¬≠riel de chemin de fer, participe au d√©veloppe¬≠ment ferroviaire belge dans les ann√©es 1830. Ainsi, d√®s 1835, la premi√®re locomotive cons¬≠truite en Belgique, appel√©e ¬ę Le Belge ¬Ľ, est mise en service sur la toute premi√®re ligne continentale : Bruxelles-Malines. Le d√©veloppement de l’industrie se poursuit par la mise sur pied d’un v√©ritable complexe indus¬≠triel ind√©pendant en 1838, id√©alement situ√© pr√®s des charbonnages et d’un port. Malheureusement, une crise financi√®re survient et Cockerill ne parvient plus √† trouver les capi¬≠taux indispensables au maintien de son indus¬≠trie. Il meurt de la fi√®vre typho√Įde en 1840 lors¬†d’un voyage d’affaires √† Varsovie. Ses succes¬≠seurs, Eug√®ne Sadoine puis Adolphe Greiner, laisseront tous deux leur nom √† des quais de la Meuse.

De nos jours, l’empire cr√©√© par John Cockerill appartient au groupe Arcelor.

 

Bien que l’on dise des Belges qu’ils ont une brique dans le ventre, il ne fait | aucun doute qu’ils poss√®dent √©galement un bloc de b√©ton dans la t√™te. Cette phrase ne fait pas allusion √† l’opini√Ętret√© de nos compatriotes mais bien au succ√®s que conna√ģt le secteur de la construc¬≠tion belge √† l’√©tranger.

Savez-vous par exemple que la soci√©t√© qui a effectu√© tous les calculs n√©cessaires √† la r√©alisa¬≠tion du viaduc de Millau n’est autre que le bureau d’√©tudes Greisch de Li√®ge, bien connu des Li√©geois pour la r√©alisation du pont auto¬≠routier de la liaison E40-E25 ‘. Ils ont notamment mis au point la technique du ¬ę lan√ßage ¬Ľ (consistant √† pousser au dessus du vide, √† l’aide de v√©rins hydrauliques, le tablier du pont pr√©alablement assembl√© sur la terre ferme), soit un des √©l√©ments les plus d√©licats de la construction.

Besix, une soci√©t√© bruxelloise presque centenai¬≠re, a quant √† elle particip√© √† de nombreux chan¬≠tiers √† travers le monde (Pays-Bas, pays de l’Est, Emirats Arabes Unies) et est actuellement engag√©e √† Dubai dans la construction du Burj Dubai, qui deviendra la plus haute tour du monde avec plus de 700 m√®tres. Cet ouvrage exceptionnel devrait √™tre achev√© fin de l’ann√©e 2009. Il serait trop long de mentionner toutes les soci√©t√©s de construction qui s’exportent bien, comme Franki etTractebel. Une chose est s√Ľre, notre ¬ę brique ¬Ľ s’exporte bien.

 

G√©rard Blitz, neveu du champion de natation du m√™me nom, na√ģt en | 1912. En 1949, il contacte un certain Gilbert Trigano pour qu’il lui fournisse des tentes en vue de la cr√©ation d’un village de vacances. C’est chose faite l’ann√©e suivante : en plantant quelques ten¬≠tes sur une plage de l’√ģle de Majorque, aux Bal√©ares, il cr√©e l’ASBL Club M√©diterran√©e qui d√©passe rapidement 2000 adh√©rents. En 1952, Corfou, en Gr√®ce, accueille le premier village de cases inspir√©es des huttes polyn√©sien¬≠nes.

Deux ans plus tard, lors de l’ouverture du villa¬≠ge de Djerba la Fid√®le (Tunisie), Gilbert Trigano, jusqu’alors simple fournisseur, entre dans la danse et devient tr√©sorier. En 20 ans, les modestes villages, o√Ļ l’on jouait aux Robinsons retournant √† la nature, devien¬≠dront le premier empire touristique mondial b√Ęti sur le sable : le Club M√©diterran√©e. Entre G.O. (gentils organisateurs) et G.M. (gentils membres), la convivialit√©, l’enthousiasme, le tutoiement, le sport sont la r√®gle. A ses d√©trac¬≠teurs, qui lui reprochent la simpliste et parfois sulfureuse √©quation ¬ę soleil et nanas ¬Ľ, Gilbert Trigano r√©pond qu’il est un d√©couvreur de lieux magiques : Cancun au Mexique, Agadir au Maroc, Djerba en Tunisie…

G√©rard Blitz s’est √©teint en 1990, laissant der¬≠ri√®re lui un v√©ritable empire qu’il appelait ¬ę l’an¬≠tidote de la civilisation ¬Ľ.

 

Savez-vous …¬†que pour stocker les empreintes dans les archives du FBI on utilise un mod√®le math√©matique d√©velopp√© par la Belge Ingrid Daubechies ?

 

Par l’usage sc√©nographique des couleurs et la pr√©sence d’un personnage costum√©, la peinture d’Akarova intitul√©e Jazz music (circa 1942, d’apr√®s la partition du compositeur belge Marcel Poot) est caract√©ristique de l’Ňďu¬≠vre picturale et sculpturale de l’artiste, qui s’at¬≠tacha au fil de sa vie √† portraiturer ses propres chor√©graphies. Akarova, confort√©e par une soli¬≠de formation musicale, entama une brillante carri√®re de danseuse d√®s 1920. En 1923, mari√©e au peintre Marcel-Louis Baugniet, elle fr√©quenta les milieux constructivistes, qui r√©alis√®rent pour la chor√©graphe de nombreux d√©cors et costu¬≠mes. On dit d’Akarova qu’elle fut la danseuse du groupe 7 Arts et de fait, sa gestuelle revendiqua la d√©nomination de plastique pure. Ind√©niablement Akarova fut la grande danseuse avant-gardiste de la Belgique comme en t√©moi¬≠gnent les d√©cors, costumes et nombreuses photographies figurant dans cette exposition. Vers le d√©but des ann√©es 1930, d’autres ren¬≠contres amen√®rent Akarova √† fr√©quenter les artistes du groupe Nerw’o, dont le peintre Anto Carte. De 1935 √† 1940, l’artiste manifesta un int√©r√™t grandissant pour la peinture et la sculp¬≠ture ; un enthousiasme qui fut dominant de 1945 √† 1990. Ainsi, Akarova signe une Ňďuvre riche, miroir intime de ses danses. Laissant surgir des √©clairages de la sc√®ne Petrouchka, Chout, ou autre Faune et Oiseau de feu, ses peintures et sculptures, teint√©es d’onirisme, d√©clinent des personnages en mouvement : une orchestique picturale, parfois sous la forme d’√©glomis√©s, attestant de la puissante synth√®se de son art, qu’elle pratiqua jusqu’au milieu des ann√©es 1990.

 

Maurice Berger, c’est Maurice B√©jart, n√© √† Marseille en 1927 mais qui trouve en Belgique sa v√©ritable cons√©cration. Danseur et chor√©¬≠graphe form√© √† Paris et √† Londres, il arrive √† Bruxelles en 1959 o√Ļ il cr√©e √† la deman¬≠de de Maurice Huisman, le directeur du Th√©√Ętre Royal de la Monnaie son ballet culte intitul√© “Le Sacre du Printemps” sur une musique de Stravinski. En I960, B√©jart cr√©e le “Ballet du XXe si√®cle”, une compagnie avec laquelle il con√ßoit ses plus prestigieuses chor√©graphies. Avant-gardiste de talent, il s’entoure aussi des danseurs les plus r√©put√©s et fait du ballet un sp√©ciale int√©gral auquel il imprime une dimen¬≠sion m√©taphysique. Il quitte la Belgique en 1987 pour fonder en Suisse le “B√©jart Ballet Lausanne”.

Mais notre pays n’est pas orphelin pour autant de chor√©graphes de talent. Expressions de la tendance r√©novatrice, le Ballet de Wallonie de Fr√©d√©ric Flamand et Met Ballet van Vlaanderen, de Jeanne Brabants assu¬≠rent la rel√®ve dans une perspective internatio¬≠nale. De son c√īt√©, la compagnie Rosas d’Anne Teresa De Keersmaeker est connue dans le monde entier, tout comme Franco Dragone dont les cr√©ations inventives animent les sc√®nes de Las Vegas ou Disneyland.

Toujours présents en pointe dans la dynamique contemporaine la plus pointue, les chorégra­phes belges sont également des exportateurs de renom.

 

Parler de la compagnie Rosas c’est parler¬† d’Ann-Teresa¬†¬† De¬†¬† Keersmaeker. Evoquer Ann-Teresa c’est aussi √©voquer la danseuse, la chor√©graphe, la p√©dagogue et la m√©loma¬≠ne. C’est en 1983, apr√®s le succ√®s rencontr√© par ses deux premiers programmes, que Ann-Teresa fonde sa propre compagnie de danse. D√®s le d√©but des premi√®res cr√©ations Rosas, la musique rencontre la danse et la danse flirte avec la musique qui en devient catalyseur posi¬≠tif. Ann Theresa √©branle les fronti√®res de ces deux disciplines en faisant intervenir en direct sur la sc√®ne les musiciens qui font partie int√©¬≠grante de la sc√©nographie. C’est le cas dans Drumming (1998), Rosas gagne du galon en Belgique comme √† l’√©tranger ; les voyages se succ√®dent en France (Festival d’Avignon), Pays-Bas (Holland Festival)… En 1995, en collaboration avec la Monnaie, Ann-Teresa et Rosas mettent sur pied le projet √©du¬≠catif international P.A.R.T.S. (Performing Arts Research and Training Studio). Des √©tudiants du monde entier y re√ßoivent un cursus en trois ann√©es qui les forme aussi √† l’√©coute de la musique, la compr√©hension du th√©√Ętre et leur permet d’acqu√©rir une culture g√©n√©rale.

Une preuve de la reconnaissance incontest√©e de la maestria d’Ann-Teresa fut tr√®s certaine¬≠ment l’exposition r√©trospective des 20 ans de Rosas √©labor√©e au Palais des Beaux Arts de Bruxelles en 2003/2004.

 

Il y a quelques temps de cela, la presse belge s’enthousiasmait √† la nou¬≠velle de la venue de C√©line Dion en¬†¬† Belgique. La¬† chanteuse¬† allait s’installer pour un temps dans notre pays afin de concr√©tiser son r√™ve : un show grandiose¬†¬† imagin√©¬†¬† et¬†¬† con√ßu¬†¬† par¬†¬† Franco Dragone ( 1952). Leur collaboration fructueuse a r√©cemment donn√© naissance √† A New Doy, une superproduction o√Ļ C√©line est accompagn√©e sur sc√®ne par 58 musiciens, danseurs et vocalis-tes.

Originaires de Cairano (Italie), les parents Dragone d√©cident de venir s’installer √† La Louvi√®re. D√©j√† √† cette √©poque le jeune Franco s’int√©resse √† la musique,aux sports… Etudiant au conservatoire de Mons, il y rencon¬≠tre le terreau n√©cessaire au d√©veloppement de ses id√©es artistiques. En effet, il adh√®re rapide¬≠ment au mouvement th√©√Ętre action qu’il contri¬≠bue √† d√©velopper √† partir de sa ville d’adoption de La Louvi√®re.

C’est lors d’un voyage au Qu√©bec en 1982, que Dragone est rep√©r√© par le Cirque du Soleil. Pendant douze ans, il cr√©e 9 spectacles qui lui apportent un style particulier ainsi qu’une image de marque incontournable dans le monde du spectacle.

En 1999, Dragone revient en Belgique et implante une unit√© de production d’√©v√©nements √† La Louvi√®re. Des spectacles tels que la pro¬≠duction aquatique pour Steve Wynn √† Las Vegas et la Disney Cin√©ma Parade (2002) ont √©t√© con√ßus depuis. Le futur est plus que promet¬≠teur…

 

Le ballet, fond√© le 2 d√©cembre 1969, propose d√®s septembre 1970 son premier¬†¬†¬† spectacle¬†¬†¬† de¬†¬†¬† danse Prometheus. Ce sont alors les ann√©es Jeanne Brabants qui dirige l’institution avec beaucoup de dynamisme et qui se bat pour l’√©mergence en Flandre d’une com¬≠pagnie de ballet professionnel. Jeanne Brabants am√®ne l’ensemble √† proposer un r√©pertoire vari√© de danses ainsi que des cr√©ations de son propre cru. Depuis 1976, la compagnie est aussi connue √† l’√©tranger, dans diff√©rents pays d’Europe, en Am√©rique du Nord et du Sud, et en Asie. Treize ann√©es suffirent √† Jeanne Brabants √† amener le KBvV sur le chemin de la reconnaissance nationale et internationale. 1984 voit la fin de la collaboration entre Jeanne Brabants et le KBvV.

Se succ√®dent ensuite √† la direction artistique, le russe Panov puis l’anversois Robert Denvers qui vient d’annoncer que la saison 2004-2005 sera sa derni√®re saison au sein de l’institution culturelle. C’est pour cet homme, la fin de 18 ann√©es de service, de programmations (Maurice B√©jart, Flemming Flindt…) et de cr√©ations. Son assistant et le chor√©graphe attitr√© du KBvV, Danny Rosseel se voient consacr√©s dans le der¬≠nier programme contemporain Inner Glances.

 

Toone, le roi des Marolles

C’est le titre d’un texte de Michel de Ghelderode rendant hommage √† Toone, dont le th√©√Ętre na√ģt dans le quartier populaire des Marolles au XIXe si√®cle. Le pionnier, Antoine Genty, dit Toone l’ancien, est un marionnettiste itin√©rant de porte en porte et dont la descen¬≠dance s’installe d√©finitivement aux abords de la Grand Place. Sous l’impulsion de Jos√© G√©al, qui fonde ¬ę LeTh√©√Ętre de l’Enfance ¬Ľ en 1954 et qui devient pr√©sident de l’Union Internationale de la sp√©cialit√©, la marionnette retrouve un nou¬≠veau souffle √† Bruxelles comme partout ailleurs en Belgique.

Aux c√īt√©s de Toone VII qui perp√©tue et moder¬≠nise la tradition dans la capitale, o√Ļ la marion¬≠nette existe depuis l’√©poque de Charles-Quint, les th√©√Ętres survivent partout avec chacun leur sp√©cificit√© : la marionnette d’Anvers travaille sans fil et celle de Gand s’inspire ouvertement des personnages de la Commedia dell’arte. A Li√®ge, elle s’inspire de Conti, marionnettiste venu d’Italie avec ses chansons de geste dont Tchantch√®s √† l’esprit frondeur reste le digne repr√©sentant. Enfin, √† Tournai aussi, les archives font √©tat d’une tradition de provenance tr√®s lointaine.

En Belgique, la plupart des marionnettes sont √† tringles et le r√©pertoire qu’elles illustrent fait r√©f√©rence √† des hauts faits de chevalerie, des l√©gendes populaires, ou s’inspirent d’√©v√©ne¬≠ments historiques ou √† caract√®re religieux.

 

Savez-vous …que la pi√®ce Ten Oorlog de Tom Lanoye et Luk Perceval qui triomphe √† l’√©tranger ne dure pas moins de I I heures?

 

Si nos compagnies de danse s’exportent avec succ√®s et si les pi√®ces de nos auteurs triomphent √† l’√©tran¬≠ger, nos troupes de th√©√Ętre t√©moi¬≠gnent elles aussi d’une belle vitalit√© sous l’impulsion de directeurs, de metteurs en sc√®ne et de com√©diens de talent. Etant donn√© l’exigu√Įt√© de notre territoire, il n’est pas √©tonnant que ces derniers partagent souvent leurs activit√©s entre la sc√®ne, le cin√©ma, la t√©l√©vision voire le music-hall. Ainsi Beno√ģt Poelvoorde, Philippe Geluk, Urbanus, St√©phane Steeman, Rosa Geinger, Annie Cordy… font preuve d’une belle polyvalence. Ann Petersen, Roger Van Hool, Jean-Claude Drouot, Dora Van Der Groen, Marie Gillain, Chris Lomme, Julien Schoenaerts… et tant d’autres encore sont aussi √† l’aise sur les planches que sur les plateaux. Et la liste est longue, de tous ces com√©diens, moins m√©diatis√©s, qui ont √©t√© r√©compens√©s par l’Eve du Th√©√Ętre, le Louis d’Or ou le Th√©o d’Or! Si Fernand Gravey s’est envol√© vers Hollywood apr√®s avoir d√©but√© sur la sc√®ne des Galeriesjan Decleir, lui, est toujours rest√© fid√®le au th√©√Ętre malgr√© sa renomm√©e internationale comme acteur de cin√©ma. Il a √©t√© membre de la fameu¬≠se compagnie anversoise “Internationale Nieu-we Sc√®ne” qui a popularis√© l’Ňďuvre de Dario Fo et a √©t√© directeur artistique au Studio Herman Teirlinck d’Anvers qui forme les jeunes com√©diens.

 

Christiane Lenain est sans doute la com√©dienne la plus populaire de ces derni√®res d√©cennies. Elle joua de nombreux personnages comiques aux c√īt√©s de ses comp√®res Serge Michel et Jean-Pierre Loriot sur la sc√®ne du Th√©√Ętre des Galeries dirig√© par celui qui allait devenir son mari: Jean-Pierre Rey. Mais c’est dans Le Mariage de Mademoiselle Beulemans (1910) de Fonson et Wicheler qu’el¬≠le triompha, d’abord dans le r√īle de la fille en I960 puis, 20 ans plus tard, dans celui de la m√®re. La pi√®ce, quant √† elle, allait conna√ģtre un succ√®s mondial et inspirer Marcel Pagnol pour sa trilogie marseillaise Marius-Fanny-C√©sar. La “Compagnie des Galeries” a vu le jour lors de la saison 52-53, mais c’est le “Rideau de Bruxelles” cr√©√© le 17 mars 1943 par l’acteur et metteur en sc√®ne Claude Etienne qui est la compagnie th√©√Ętrale francophone la plus ancienne de la capitale. Le “Th√©√Ętre National” ne verra le jour que deux ans plus tard en 1945, fond√© par Jacques Huismans qui en restera le directeur jusqu’en 1985. C’est donc le grand th√©√Ętre royal flamand qui bat le record d’anciennet√© √† Bruxelles: le KVS (Koninklijk Vlaams Schouwburg) remonte √† 1895!

 

Savez-vous… que Le Mariage de Mademoiselle Beulemans a √©t√© jou√© dans une quinzaine de langues et qu’au Japon le r√īle principal √©tait tenu par un gar√ßon?

 

Dora Van Der Groen et Ann Petersen

dqui ont incarn√© deux sŇďurs dans le film Pauline et Poulette de Lieven Debrauwer sont n√©es la m√™me ann√©e 1927 et ont men√© des carri√®¬≠res parall√®les au sein de la compagnie KVS, √† la t√©l√©vision et au cin√©ma. Elles sont consid√©r√©es toutes les deux comme des grandes dames de la sc√®ne et ont illumin√© de leur talent bien des productions flamandes. Le r√©pertoire national a √©t√© souvent mis √† l’honneur par les compagnies belges. La “Blauwe Maandag Cie” dirig√©e par Luk Perceval a fait triompher des Ňďuvres comme Wilde L√©o (1894) de Nestor deTi√®re et surtout Ten oorlog (1997) deTom Lanoye. Cette adaptation de The wars of the roses de Shakespeare devient un v√©ritable pamphlet contemporain contre la guerre et remporte encore un grand succ√®s √† l’√©tranger. Les pi√®ces d’Hugo Claus ont √©t√© mont√©es par le Th√©√Ętre National (Vendredi) comme par Arca (Pas de deux), la plus ancienne troupe de Gand. Le “Rideau de Bruxelles” cr√©era les pi√®ces de Paul Willems et inscrira // pleut dans ma maison (1958) √† l’affiche de ses tourn√©es internationa¬≠les. Et l’on ne compte plus les repr√©sentations de Michel de Ghelderode que ce soit par exem¬≠ple “Magie rouge” au Th√©√Ętre du Parc ou La Balade du Grand Macabre au National. Cette pi√®ce sera aussi reprise par “Les Baladins du¬† Miroir” qui, avec leur chapiteau et leurs¬†¬† pittoresques¬†¬† roulottes, partent sur les routes √† l’instar de tant de nos troupes invit√©es r√©guli√®rement dans des¬† festivals¬†¬† prestigieux¬† comme celui d’Avignon.

 

C’est en 1832, bien avant le cin√©mato-graphe des fr√®res Lumi√®re, que le Belge Joseph Plateau construit son “ph√©nakistiscope”, avanc√©e scienti¬≠fique majeure sur le chemin du 7√®me art. On peut donc dire que le cin√©ma est n√© avec la Belgique, mais il faudra attendre la pre¬≠mi√®re guerre mondiale pour pouvoir v√©ritable¬≠ment parler d’un cin√©ma belge.Affiches, photos, costumes, projections… retracent quelques temps forts d’un parcours cin√©matographique o√Ļ s’illustrent metteurs en sc√®ne, sc√©naristes, acteurs, compositeurs …

 

Quelques précurseurs

Les pionniers belges du 7√®me art se sp√©cialisent dans la fiction locale comme la maison de pro¬≠duction Edith Kiel √† Anvers ou Gaston Schoukens qui s’inspire du folklore bruxellois (Bossemons et Coppenolle 1938) et r√©alise notamment Un soir de joie (1952) consacr√© √† l’affaire du “Faux Soir” en 1943.

 

L’√©cole documentariste

L’√©cole documentariste belge dont les sujets privil√©gi√©s sont les artistes belges, la vie quoti¬≠dienne en Belgique et le Congo s’est forg√© une r√©putation internationale avec comme figures de proue Henri Storck (Mis√®re au Borinage 1933, Symphonie paysanne 1944, Le Banquet des fraudeurs 1951) et Charles Dekeukeleire (Le mauvais Ňďil 1937, Dixmude 1931). Cette ligne de force de notre production nationale continuera d’√™tre exploit√©e par des films comme Les mouet¬≠tes meurent au port (1955) ou Les seigneurs de la for√™t (1958) ainsi que par des cin√©astes tels Luc de Heusch, Manu Bonmariage, Thierry Michel, Beno√ģt Mariage, Frans Buyens…

 

Autre secteur o√Ļ les Belges se distinguent: le cin√©ma d’animation. Rien d’√©tonnant¬† dans¬†¬† un¬†¬† pays¬† o√Ļ¬†¬† la bande dessin√©e est reine ! Belvision, l’un des plus grands studios d’animation en Europe, est fond√© en 1955 par Raymond Leblanc, patron des √©ditions du Lombard et produit des longs m√©trages √† suc¬≠c√®s (Ast√©rix te Gaulois \ 967, Tintin et le temple du soleil 1969, La Fl√Ľte √† 6 schtroumpfs 1975… ).Et que de prix r√©colt√©s un peu partout dans le monde par Raoul Servais (Harpya Palme d’Or √† Cannes en 1979), Nicole Van Goethem (Une tra¬≠g√©die grecque Oscar √† Hollywood en 1986), G√©rald Frydman (Le Cheval de fer Palme d’Or √† Cannes en 1984), Picha (Tarzoon, la honte de la jungle l975)… ! C’est Andr√© Delvaux avec L’homme au cr√Ęne ras√© ( 1966) qui inaugure la p√©riode moderne du cin√©ma belge de fiction et ouvre les portes de la reconnaissance internationale. Impossible de citer tous les metteurs en sc√®ne talentueux qui rayonneront √† l’√©tranger avec d’abord toute une g√©n√©ration de cin√©astes flamands (Roland Verhavert, Harry Kumel, Robbe de Hert ..) qui, dans les ann√©es ’70, port√©s par le succ√®s de Mira (1971), plongeront leur cam√©ra dans leur litt√©¬≠rature. Puis, dans les ann√©es ’90, ce sera la belle envol√©e des cin√©astes wallons. Si l’on s’en tient aux r√©compenses les plus prestigieuses, on se souviendra d’Andr√© Delvaux (Rendez-vous √† Bray 1971 Prix Louis Delluc), des fr√®res Dardenne (Rosetta 1999 Palme d’or √† Cannes), de Jaco Van Dormael (Toto te h√©ros 1991 Cam√©ra d’or √† Cannes et C√©sar), G√©rard Corbiau (Farine/// 1994 C√©sar), Lucas Belvaux (Un couple √©patant/Apr√®s la vie/Cavale 2003 Prix Louis Delluc)… Danis Tanovic (No Man’s land 2001) d√©croche m√™me l’Oscar du meilleur film √©tranger pour lequel Le Ma√ģtre de musique (G√©rard Corbiau 1988), For/ne/// (G√©rard Corbiau 1994), Doens (Stijn Coninx 1992), ledereen beroemd (Dominique Deruddere 2000) seront s√©lectionn√©s. Des films comme Licht (Stijn Coninx 1998), Pauline et Poulette (Lieven Debrauwer 2001 ), Ma vie en ros√© (Alain Berliner 1997), Une //oison pornographique (Fr√©d√©ric Fonteyne 1999) ont √©t√© eux aussi r√©compens√©s et C’est arriv√© pr√®s de chez vous (R√©my Belvaux 1992) est devenu un film-culte. Et l’on devrait ajouter Chantai Akerman, Marion Hansel, Marc Didden, Jean-Jacques Andrien,… qui repr√©sen¬≠teront la Belgique dans les plus grands festivals internationaux.¬†¬†¬†¬† ¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

I1 serait encore plus difficile de mentionner tous les sc√©naristes, direc¬≠teurs de la photo, compositeurs, monteurs … belges qui ont √©t√© encens√©s par la critique et ont contribu√© au succ√®s de films c√©l√®bres. Hugo Claus a souvent √©crit pour le cin√©ma flamand et est bien s√Ľr le sc√©nariste de ses propres longs m√©trages (Vendredi 1980,Le Sacrement 1989 …) tout comme Jacques Brel (Franz 1972, Far-West 1973). Une liaison pornographique (Fr√©d√©ric Fonteyne 1999) et Thomas est amoureux (Pierre-Paul Renders 2000) doivent beaucoup √† la plume de Philippe Blasband. Sait-on encore que c’est Charles Spaak qui fut le sc√©nariste de films aussi marquants que La kermesse h√©ro√Įque (Jacques Feyder 1935) et La Grande illusion (1937)? Quelques compositeurs sortent aussi du lot: Fr√©d√©ric Devreese (pour les films d’Andr√© Delvaux), Dirk Bross√© (Daens, Koko Flanel …), Raymond van net Groenewoud (ledereen beroemd, B/uefaerry Hill, Brussels by night ..). Des metteurs en sc√®ne internationaux ont fait appel √† Wim Mertens (Le ventre de /’archi¬≠tecte Peter Greeneway 1986, Le P√®re Domien Paul Cox 1998 …) et la m√©lodie lancinante √©crite parTootsThielemans pour Macadam cow-boy est devenue un standard de la musique de film. Enfin savez-vous que le Belge Ghislain Cloquet fut le directeur de la photographie de Resnais, Sautet, Malle, Bresson, Demy, Woody Allen,Arthur Penn …et obtint l’Oscar 1981 de la photo pourTess de Polanski? Faute de production et de d√©bouch√©s, certains acteurs du pass√© ont d√Ľ s’expatrier au point qu’on a parfois tendance √† les consid√©rer √† tort comme fran√ßais. Ils sont pourtant bien belges, les¬†¬†¬† Fernand¬†¬†¬† Gravey,¬†¬†¬† Raymond¬†¬†¬† Rouleau, Madeleine Oseray, Jean Servais, Berthe Bovy, Fernand Ledoux et Victor Francen qui d√®s les ann√©es ’30 tourn√®rent pour les plus grands metteurs en sc√®ne. Annie Cordy (Rue Haute d’ Andr√© Ernotte,…) et Jacques Brel (Les Risques du m√©tier,…) pass√®rent avec bonheur de la chanson au cin√©ma. Senne Rouffaer contribua au¬†¬† succ√®s¬†¬† international¬† ¬†des¬†¬† films¬†¬† d’Andr√© Delvaux. Jean-Claude Van Damme, “th√© muscles from Brussels” trouva la¬† gloire¬† aux¬† USA. Urbanus permit √† Hector (1987) et √† Koko Flanel (1990) de battre des records de recettes. Plus de pr√®s de nous, Pascal Duquenne, (Le Huiti√®me Jour de Jaco van Dormael), Olivier Gourmet (Le Fi/s¬† des¬† fr√®res¬† Dardenne),¬† Emilie¬† Dequenne (Rosetto¬†¬† des¬† fr√®res¬†¬† Dardenne)¬†¬† et¬†¬† Natacha R√©gnier (La Vie r√™v√©e des anges) d√©croch√®rent le Grand Prix d’interpr√©tation √† Cannes. C√©cile de France (L’Auberge espagnole) obtint un C√©sar. Marie¬†¬† Gillain¬†¬† (L’App√Ęt),¬†¬†¬†¬† Antje¬†¬† de¬†¬† Boeck (Monneken¬†¬† Pis¬†¬† de¬†¬† Frank¬† van¬†¬† Passel), Ann Petersen et Dora Van Der Groen (Pauline en Poulette de Lieven Debrauwer) ont √©t√© r√©com¬≠pens√©es √† de multiples reprises. J√©r√©mie Renier, Alexandra Vandernoot,¬† Michael¬†¬† Pas, Julien Schoenaerts … et tant d’autres com√©diens bel¬≠ges sont reconnus pour leur professionnalisme. Mais il reste encore √† √©voquer ces grands acteurs que sont Jan Decleir et Beno√ģt Poelvoorde.¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

R√©v√©l√© par C’est arriv√© pr√®s de chez vous (1992), Beno√ģt Poelvoorde devient en peu de temps, gr√Ęce √† sa dr√īlerie naturelle,¬† un¬† des acteurs les plus populaires¬† en Belgique comme en France, un de ces acteurs dont le nom au g√©n√©rique assure le succ√®s d’un film que ce soit Les convoyeurs attendent (Beno√ģt Mariage¬†¬† 1998), Le¬† v√©lo¬†¬† de¬† Ghislain¬†¬† Lambert (2001 ) ou Le Boulet (2002). Dans Podium (2004), il d√©montre l’√©tendue de son talent comique et dramatique en¬† incarnant √† la perfection¬† un sosie m√©galo de Claude Fran√ßois, r√īle pour lequel il a d√Ľ s’astreindre¬† √† d’√©prouvantes le√ßons de chant et de danse.

 

Savez-vous … que la Belgique dispose √† Bruxelles d’une m√©diath√®que que la terre enti√®re nous envie ?

 

De Mira (1971) √† De zaak Alzheimer¬† (2003), Jan Decleir a men√© une car¬≠ri√®re¬†¬† √©blouissante au¬† cin√©ma comme¬† au¬† th√©√Ętre. Si les films belgo-hollandais¬† Antonio¬†¬† (1996) et Korakter (1998) ont obtenu l’Oscar du meilleur film¬† √©tranger, c’est¬† en¬† grande¬† partie √† Jan Decleir qu’ils le doivent, mais c’est son inter¬≠pr√©tation √©mouvante du pr√™tre Adolf Daens luttant au 19√®me si√®cle en faveur des ouvriers d’Alost exploit√©s par leurs patrons qui l’a rendu populaire dans le monde entier. Daens qui a √©t√© nomin√© aux Oscars 1992 est un film belge par son metteur en sc√®ne (Stijn Coninx), ses acteurs¬†¬† (Jan¬†¬† Decleir, Antje¬† de¬†¬† Boeck, Micha√ęl¬† Pas, G√©rard¬† Desarthe¬† …), le compositeur¬†¬† de¬†¬† la¬†¬† musique¬†¬† (Dirk Bross√©) et bien s√Ľr l’auteur du roman original (Louis-Paul Boon).

 

Symbole du carnaval par excellence le Gille de Binche est un personnage √©nigmatique qui fait partie d√©sormais du patrimoine immat√©riel de l’UNESCO. Son costume comp¬≠rend une veste en toile de lin avec deux bosses bourr√©es de paille, que le Gille porte devant et derri√®re, et un pantalon assorti, d√©cor√© de 20 lions h√©raldiques de feutrine rouge et noire, et de 120 √©toiles aux couleurs belges. Le grelot du Gille se trouve sur la bosse de devant, contre le plastron.

Le Gille arbore aussi un bonnet blanc, la barret¬≠te que surmonte un chapeau pesant pr√®s de 3 kg en plumes d’autruche qui peuvent atteindre une hauteur de 150 cm. Sa collerette se com¬≠pose de 150 m de ruban. Cette ceinture en toile est garnie de sonnettes ou clochettes en cuiv¬≠re, que l’on appelle au masculin l’apertintaille. Le Gille chausse des sabots de bois maintenus par une lani√®re de cuir que d√©core le ¬ęrenon¬Ľ de rubans pliss√©s. Le panier en osier tress√© empor¬≠te les oranges. Le Mardi Gras, il rev√™t un masque fabriqu√© en toile recouverte de cire, orn√© de lunettes vertes, d’une moustache et d’une mouche. Au matin du grand jour, le Gille prom√®ne aussi son ramon compos√© de brin¬≠dilles de saule r√©unies par trois liens de rotin. Le Gille de Binche inspire aussi des compagnies similaires √† Charleroi et La Louvi√®re, alors que dans la m√™me r√©gion, Fosses-la-ville fait sortir ses Chinels lors de la Mi-Car√™me.

 

Savez-vous …¬†¬†¬†¬†¬†

.. que la tradition du chant de¬† pinsons reste tr√®s vivace en¬† Belgique o√Ļ les associations font concourir leurs meilleurs sp√©cimens face √† la concurrence?¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†¬†

 

Carnaval de type wallon, celui de ¬Ľ Malmedy remonte √† 1415. La Hagu√®te, est le plus repr√©sentatif de tous les masques et personnages traditionnels du folklore local. La l√©gende raconte que les Crois√©s ramen√®rent d’Orient des maladies contagieuses. On cr√©a doncdes l√©proseries dans lesquelles les lazaris¬≠tes utilisaient cagoule et happe chair pour √©vi¬≠ter toute contamination par contact direct. Ces attributs sont ceux de la hagu√®te. Son costume s’enrichit d’autres parures dont l’aigle bic√©phale port√© sur le dos et provenant du St Empire romain, dit de la Nation germanique, auquel appartenait jadis la principaut√© de Stavelot-Malmedy.

L’√©charpe, emprunt√©e au costume du capitaine de jadis, et le bicorne √† la fran√ßaise empanach√© de plumes d’autruches multicolores, compl√®¬≠tent le costume. L’arme de la hagu√®te, le ¬ęHape-ch√Ęr¬Ľ en wallon du terroir, ou recroquillon, appara√ģt au si√®cle dernier. Il sert √† taquiner le public qui se presse par milliers chaque ann√©e le dimanche du carnaval.

A quelques kilom√®tres, la cit√© abbatiale voisine de Stavelot conna√ģt √† son tour l’effervescence du carnaval √† la Mi-Car√™me, avec les r√©jouissan¬≠ces de ses c√©l√®bres ¬ę Blancs Moussis ¬Ľ. Dans la r√©gion germanophone toute proche, Eupen, Saint Vith et La Calamine f√™tent le carnaval sui¬≠vant le mod√®le rh√©nan, avec apoth√©ose le Lundi des Ros√©s. Un mod√®le repris √©galement √† Alost et √† Maaseik d√©signe √©galement chaque ann√©e un prince carnaval.

 

Figure embl√©matique du folklore li√©geois, le personnage deTchantch√®s serait n√© miraculeusement le 25 ao√Ľt 760. En d√©pit de ses travers physiques, son esprit p√©tillant et sa ont√©¬†¬† naturelle¬† am√®nent¬† la¬†¬† population¬†¬† des uartiers laborieux √† lui conf√©rer le titre de prince d’Outre Meuse . C’est nanti de cette distinction qu’il entre ensuite au service de Charlemagne. Rus√© et vaillant, il accompagne¬†¬† l’Empereur¬† dans¬†¬† les campagnes¬†¬†¬† d’Espagne.¬†¬† C’est¬†¬† √† Roncevaux que son absence sera fatale¬†¬† puisque¬†¬† Roland,¬† en¬†¬† mettant Tchantch√®s¬†¬†¬† au¬†¬†¬† repos,¬†¬† commet l’Irr√©parable.¬†¬†¬†¬†¬† D√©pourvu¬†¬†¬†¬†¬† du secours de ce batailleur incompa¬≠rable, qui venait √† lui seul de fra¬≠casser¬†¬†¬† les¬†¬†¬† c√ītes¬†¬†¬† de¬†¬†¬† 3000 Sarrasins, il¬† s’exposera au¬† pire avec la suite navrante que l’on conna√ģt.

La¬†¬† l√©gende¬†¬† reste¬†¬† vivace¬†¬† et Tchantch√®s, avec Nanesse qui deviendra sa compagne impro¬≠vis√©e, fait aujourd’hui¬† la joie des marionnettistes les plus imaginatifs qui font revivre ses exploits hauts en couleurs.applau-dis sans r√©serve par des milliers d’enfants.

Prototype du vrai li√©geois, mauvaise t√™te, esprit frondeur, grand gosier, ennemi du faste et des c√©r√©monials mais surtout farouchement ind√©¬≠pendant., Tchantch√®s incarne en effet le parfait citoyen du Pays de Li√®ge, toujours prompt √† s’enflammer pour les plus nobles causes. Son nom.Tchantch√®s, est une d√©formation enfantine du pr√©nom wallon ¬†Fran√ßw√®s, l’√©quivalent de Fran√ßois.

 

(p.225) Marches à l’impériale dans l’Entre-Sambre-et-Meuse

 

Les¬†¬† marches¬†¬† de¬†¬† l’Entre-Sambre¬† et Meuse ponctuent en rythme et en couleurs le calendrier estival. Si les participants rev√™tent des tenues de soldats napol√©oniens* /NDLR: faux: 60 % des unifomes sont d’origine belge (1830-1914)/, l’origine de ces marches remonte aux processions religieuses m√©di√©vales¬† escort√©es¬† de¬† soldats¬† en¬† armes. C’est que les chemins √©taient peu s√Ľrs et que, entre brigandage et guerres de religion, mieux valait donner aux reliques une protection effi¬≠cace.

Par sa sp√©cificit√©, la procession de Sainte Rolende √† Gerpinnes, rappelle l’origine religieu¬≠se de ce type de manifestations. C’est au XIXe si√®cle seulement, sous la domination fran√ßaise provisoire de nos contr√©es, que les participants adoptent les tenues imp√©riales emprunt√©es aux marches fran√ßaises victorieuses. Entre le tour de Sainte Gertrude √† Nivelles et la marche septennale de St Feuillen √† Fosses-la-ville, diff√©rentes compagnies convergent pour se retrouver dans l’escorte de la pr√©cieuse relique. Au son du tambour et des fifres, entre tirs de salves et accortes vivandi√®res, les mar¬≠ches de l’Entre-Sambre et Meuse appartiennent au folklore original de la Belgique francophone. De Walcourt √† Ch√Ęlelet de Thuin √† Mariem-bourg ou Jumet, les uniformes du 1er ou du Second empire d√©filent √† intervalle r√©gulier. La Communaut√© Fran√ßaise de Belgique reconna√ģt officiellement l’existence d’une quinzaine de ces marches folkloriques.

 

Ev√©nement en apoth√©ose de l’√©t√© bruxellois, l’Ommegang est une procession dont le fondement reli-f gieux remonte √† 1348.

En cette ann√©e lointaine, une jeune bruxelloise du nom de B√©atrice Soetkens entend la Vierge Marie lui ordonner de se ren¬≠dre √† Anvers pour y d√©rober une statuette √† sa d√©votion et la ramener au Sablon. Il s’ensuit une histoire pleine de p√©rip√©ties et de miracles qui am√®ne les bruxellois √† organiser une premi√®re procession, ou ommegang, en n√©erlandais. Cette procession annuelle en hom¬≠mage √† la Saint Effigie du Sablon exhibe √† chaque fois, sous haute protection, la pr√©cieuse relique d√©rob√©e √† Anvers. C’est en 1594 pourtant que l’Ommegang rev√™t sa plus somptueuse parure en hommage √† l’Empereur Charles-Quint, √† son fils Philippe et √† ses sŇďurs Marie de Hongrie et El√©onore de France.

Depuis¬† lors, le cort√®ge annuel transforme √† chaque fois la Grand’Place de Bruxelles en un v√©ritable rendez-vous de t√™tes couronn√©es. C’est¬†¬† ici¬†¬† que¬†¬† d√©filent¬†¬† devant¬†¬† la¬†¬† Cour¬†¬† de Charles-Quint 600 personnages en habits d’√©poque qui repr√©sentent les grandes corpora¬≠tions de la ville.

La procession prend ensuite les allures d’une grande f√™te breughelienne avec le d√©fil√© des danseurs, acrobates, gilles et √©chassiers. La pro¬≠cession, dans ses plus beaux atours, regroupe ainsi 1400 figurants pour une parade resplen¬≠dissante.

 

Irnpeccable, ce pigeon voyageur qui vient de remporter pour la sixi√®-| me fois ce concours sur longue distance. Infaillible, le constateur t√©moigne de ses plus brillants r√©sul¬≠tats. Inutile de dire que son propri√©taire est heureux. D√©tenir un champion repr√©sente en effet un important investissement en temps. C’est que les exigences de la colombophilie sont innombrables. En Belgique, berceau de cette pratique, on d√©nombre encore de nos jours 55.000 adeptes, pour la plupart quinqua¬≠g√©naires. Heureusement, les jeunes assurent la rel√®ve pour le plus grand bien de la p√©rennit√© des souches les plus repr√©sentatives. On vient m√™me du Japon pour acqu√©rir le sp√©cimen de comp√©tition le plus performant. C’est dire toute la notori√©t√© de l’√©levage ¬ę Made in Belgium ¬Ľ. C’est d’ailleurs √† Bruxelles que se trouve le si√®ge de la F√©d√©ration Internationale qui regroupe 55 pays.

On retrouve parmi les plus vieilles souches de pigeons voyageurs deux sp√©cimens r√©put√©s provenant de Belgique : le Messager Anversois, ou Bleu d’Anvers, avec un gros bec et des caroncules bien d√©velopp√©es, et le Messager Li√©geois, √©caill√© bleu, plus fin, avec un bec court et des morilles plus petites.

Rappelons qu’Anvers √©tait en 1846 la premi√®re ville colombophile au monde avec 25.000 pigeons s√©lectionn√©s, emmen√©s en bateau pour √™tre rel√Ęch√©s √† quelques jours de leur retour avec des messages indiquant le contenu de la cargaison, d√©j√† vendue √† l’arriv√©e.

 

La ville d’Ath m√©rite bien son surnom de “Cit√© des G√©ants”. L’effervescence de la Ducasse du quatri√®me dimanche d’ao√Ľt sert de pr√©texte au d√©fil√© d’une cinquantaine de g√©ants d’osier, dont le poids varie de 120 √† 180 kg et support√©s par un seul porteur. La pro¬≠cession, religieuse √† l’origine, remonte √† 1399 et se transforme en 1819 en un cort√®ge la√Įc. Parmi ce d√©fil√© de g√©ants se trouvent David et Goliath, qui s’affrontent en public depuis 1487, mais encore Samson, Ambiorix ou le Cheval Bavard, d’un poids de 600 Kg et que manient 16 porteurs. A la fin du cort√®ge, suivant un rituel ancien et immuable, Monsieur et Madame Goliath effectuent ensemble une danse tradi¬≠tionnelle sous les acclamations et sur un air de musique typique.

Mais la cit√© hennuy√®re ne d√©tient certes pas le monopole des g√©ants, qui sont omnipr√©sents sur le territoire belge, en Flandre comme en Wallonie, pour illustrer les √©pisodes folklo¬≠riques les plus r√©cents comme les plus anciens. Certains rappellent un √©pisode de la vie locale et d’autres √©voquent le souvenir de personna¬≠ges populaires ou de figures typiques disparues. A Nieuport, Jan Turpijn est le plus grand g√©ant d’Europe. Du haut de ses 10,60 m, il toise la foule lors du cort√®ge de la Saint Bernard. Son poids est de 850 kg et 26 porteurs sont n√©ces¬≠saires pour lui permettre d’√©voluer sans encombre parmi la foule.

 

Depuis¬† 1637, chaque dernier dimanche de juillet, F√Ľmes accueille avec une rare ferveur sa procession des / P√©nitents. Pour cet acte de repentir, ils sont v√™tus d’une bure grossi√®re et portent une croix de bois de plus de 25 kilos. Cette procession fut institu√©e au retour de la croisade du comte de Flandre Robrecht II, qui ramena de celle-ci un morceau de la vraie Croix. Actuellement, la procession est un √©v√©¬≠nement qui attire √† chaque fois plus de 20.000 spectateurs. Un premier groupe de 500 figu¬≠rants repr√©sente plusieurs sc√®nes de l’ancien et du nouveau testament. Un second groupe se compose de p√©nitents dont certains marchent pieds nus et suivent la procession en chantant et r√©citant des pri√®res.

En Hainaut, c’est √† Lessines, le Vendredi Saint, que les P√©nitents noirs participent √† la proces¬≠sion de la mise au tombeau du Christ. Rev√™tus de la bure et de la cagoule, les P√©nitents vont porter le Christ vers sa derni√®re demeure √† la seule lueur des torches. Roulement sourd des tambours, cr√©pitement des cr√©celles, chants et pri√®res de deuil accentuent le caract√®re aust√®¬≠re de cette c√©l√©bration. Toute la vieille ville est plong√©e dans l’obscurit√© compl√®te au passage du convoi fun√®bre.

 

Au retour √† l’√©glise, le Christ y est d√©pos√© au tombeau, sous l’autel qui l’abritera jusqu’au pro¬≠chain Vendredi Saint. Cet √©v√©nement remonte au moins √† l’an 1475.

 

 

Savez-vous … qu’on doit l’origine de la F√™te Dieu √† l’intervention d’une simple religieuse de Li√®ge, SŇďur Julienne, qui enflamma le Pape Adrien IV de son z√®le pour le Saint-Sacrement ?

 

¬†C’est que la Reine des plages, acquise √† la frivo¬≠lit√© et aux mondanit√©s, se pare de ses plus beaux atours pour faire le plein d’estivants en cette fin du XIXe si√®cle. Mais l’escapade au littoral reste √† cette √©poque l’apanage des nantis. Il faut attendre l’arriv√©e des cong√©s pay√©s en 1936 pour constater une v√©ri¬≠table √©mancipation du tourisme de masse en direction du littoral.

Les ¬ętrains de la mer¬Ľ affichent complet. En bord de mer, les loueurs de cabines se frottent les mains. Preuve que cette invention belge fait partie des initiatives attendues par les estivants. Des estivants qui profitent aussi de leur s√©jour au grand air pour se donner de l’exercice et faire provision d’iode aux commandes du cuis-tax, autre sp√©cialit√© originale du plat pays. Il faut constater que les Belges ne sont jamais en retard d√®s qu’il s’agit d’innover et de cr√©er l’√©v√©nement dans le domaine des loisirs. D√®s 1910 d√©j√†, Frank et Ben Dumont lancent le sport du char √† voile, qui est plus rapide que les automobiles de l’√©poque. Du c√īt√© de La Panne, les amateurs du genre peuvent s’exprimer tout √† leur aise sur les plus vastes d√©gagements du littoral.

 

(‚Ķ) la petite cit√© d’Oostduinkerke conserve-t-elle jalousement sa tradition ancestrale de la p√™che √† la crevette. Cet app√©tissant crustac√© est l’embl√®me de cette paisible station baln√©aire, dont l’attraction principale et unique en Belgique provoque √† chaque fois de fameux attroupements √† l’heure du d√©part des p√™cheurs.

C’est √† cheval, et en tra√ģnant leur filet dans la mer, bien install√©s √† califourchon sur leurs soli¬≠des chevaux braban√ßons, que les p√™cheurs rev√™¬≠tus de leur suro√ģt jaune, font moisson de ces pr√©cieux crustac√©s qui agr√©mentent les recet¬≠tes les plus salivantes des restaurants du coin. Des crustac√©s qui s’accommodent gaillarde¬≠ment de l’une ou l’autre bi√®re du cru… C’est que la r√©gion attenante du Westhoek est fertile en sp√©cialit√©s brassicoles. Dans l’arri√®re-pays, du c√īt√© de Poperinge, o√Ļ les champs de houblon s’√©tendent √† perte de vue, la tradition fait toujours honneur √† la boisson la plus sym¬≠bolique du pays.

 

Et tandis que la f√™te bat son plein aux abords de la plage, chaque ann√©e en juillet pour l’√©lection de Mieke Garnaal, ou Miss Crevette, c’est la Reine du Houblon qui est mise √† l’honneur en septembre du c√īt√© de Poperinge.

 

Gourmand et gourmet √† la fois : le raffinement √† la belge fait toute la r√©putation de sa cuisine. Pas de doute : la Belgique n’a rien √† envier √† ses voisins fran√ßais, tant sur le plan de la diversit√© que de la qualit√© de ses innom¬≠brables sp√©cialit√©s.

Entre “belgian endives” et “caf√© li√©geois”, nos sp√©¬≠cialit√©s se traduisent dans toutes les langues et trouvent leur place sur toutes les cartes du monde, consacrant la quintessence d’un paradis gustatif de grande ampleur, qui nous emm√®ne dans cet espace √† se pourl√©cher les babines. Cuisine du terroir ou gastronomique, la magie s’exprime aux fourneaux, o√Ļ op√®rent aussi avec un brillant savoir-faire quelques chefs parmi les plus r√©put√©s, artisans d’une renomm√©e rare¬≠ment prise en d√©faut.

 

Cette gastronomie √©toil√©e fait la part belle aux plantureuses prodigalit√©s de terroirs g√©n√©reux et affirme une personnalit√© propre, √©clectique, qui ne souffre gu√®re la critique. De l’ap√©ro au pousse-caf√©, les saveurs √† la belge se d√©clinent donc comme un menu, se faufilant hardiment entre bi√®res et fromages, s’accom¬≠modant sans restriction des senteurs de la mer ou des fumets de nos Ardennes, s’attendrissant de chocolat au go√Ľt incomparable, se conju¬≠guant √† toutes les sauces et jusqu’√† l’infini pour le plus grand plaisir des papilles les plus exi¬≠geantes.

En bref, le go√Ľt dans toute sa splendeur triom¬≠phale et triomphante.