Aventurier : une spécialité belge (in: La Province, 07/05/2002)

Maurits Duyck, Van de Azoren tot de Zuidpool. Alle Belgische kolonies in de zes continenten / 1451-1916, in: Delta, 2, 2007, p.2-5

 

(p.2) Voor wie het nog niet wist dat de termen « België, « Vlamingen », « Walen » al oud zijn en destijds  hoegenaamd  niet altijd zo beperkend waren als zij vandaag luiden, wordt dit boek van Patrick Maselis, in 2005 uitgegeven bij Roularta, ten zeerste aanbevolen. Maar ja,  onze  lezers zullen allicht het gehalte en het gewicht van die drie woorden doorheen de geschiedenis al   langer  kennen.  Wat  niet noodzakelijk kan gezegd worden van de totale inhoud van het werk waarvan wij de titel gebruikten voor dit artikel.

Het lijvige en prachtig geïllustreerde werk van 419 bladzijden, dat in het Nederlands, Frans, Engels, Spaans en Portugees verscheen, is een buitengewoon « naslagwerk » voor al wie belangstelling heeft voor de ontwikkeling van de « kolonisatie » vanuit de Nederlanden. Het begrip « kolonie » wordt eerst verduidelijkt op blz. 9: 1) « volksplanting »; 2) overzees gebied dat politiek afhankelijk is van een ander land; 3) verzamelwoord voor alle veemdelingen van eenzelfde herkomst in een stad of land.

Het begint al in 1451 met de Ilhas dos Açores waar Jâcome de Bruges, in dienst van Portugal, een kolonie Vila da Praia sticht die na enige tijd enkele honderdtallen « Vlamingen » telt. In feite voornamelijk mensen uit Henegouwen, Luik en Brabant. Daar hebben wij al dadelijk de « contradictie » met de begrippen zoals zij vandaag in ons politiek wereldje gehanteerd worden.

Een eeuw later zijn het « Walen » die naar Nova Belgica trekken, zeg maar Manhattan, in de taal van vandaag.

Reden? De godsdienstoorlogen in de Nederlanden. Katholieken vluchten naar de Kanarische Eilanden. Protestanten trekken naar het noorden en vandaar naar India, Afrika of Amerika. In dit laatste continent draagt een van die (p.3) nederzettingen een « Belgische » stempel: Nova Belgica of Nieuwe Nederlanden. Vandaag Connecticut, New York, New Jersey, Pennsyl­vanië en Delaware.

Haast alle initiatieven die tot de kolonisatie van dit gebied leidden kunnen op rekening gezet worden van de « Walen » (en enkele « Vlamingen »). Voor het gemak wordt in de tekst verder alleen nog over « Walen » gesproken omdat zij de grootste groep vormden. Toch is het duidelijk dat de term als groepsnaam gebruikt wordt voor alle Zuid-Nederlanders die er op tocht waren.

In 1608 kon de Antwerpenaar Emmanuel van Meeteren de Britse kapitein Hudson er van overtuigen een « Nederlandse » expeditie te ondernemen. Daardoor ontstond het huidige New York. In 1611 volgde een tweede expeditie geleid door de Antwerpenaar Vogels die er voor drie jaar een octrooi afsprak met de Indianen voor de handel in pels.

In 1623 vertrekken dertig families naar die « kolonie » (in 1923 werd daar trouwens een postzegel aan gewijd). En in 1925 wordt Pierre Minuit, afkomstig van Ohain (Brabant), gouverneur van de Nieuwe Nederlanden. Voor 60 gulden kocht hij het eiland Manhattan van de Indianen.

Wie zou denken dat alleen de huidige Verenigde Staten het mikpunt waren van een of andere emigratie of « kolonisatie » moet het boek helemaal lezen. Hij zal vaststellen dat geen enkel continent ontsnapte aan de ontdekkingszucht van de « Zuid-Nederlanders ». Ten tijde van de Oostendse Compagnie (1715-1732) werd op 5.8.1719 ten zuiden van Madras een grondgebied gekocht door Godefroid de Merveille, vandaag genaamd Covelong. In 1727 wordt Banquibazar, bij Calcutta, gesticht. Het eiland Tristan da Cunha heette in 1780 « île de Brabant ».

In Guatemala wordt Oscar Berger, een afstammeling van de kolonisten burgemeester, om in 2004 président van het land te worden.

Wie meer wil weten over de betekenis die de « Oostendse Compagnie » gehad heeft, komt dit hier ook in te weten: het is een knap staaltje van gewiekstheid en handelszin. Aangeziende Schelde door Noord-Nederland gesloten was, werd vanuit Oostende gepoogd opnieuw maritieme activiteit te ontwikkelen. In 1698 kende de landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden aan Jan van Brouckhoven, graaf van Bergeyck, een octrooi toe voor de vaart op Afrika en Indië vanuit Oostende. Maar Frankrijk en Holland verzetten zich daar sterk tegen. Met hun Indiëvaart hadden zij een uiterst lucratieve handel opgebouwd. De Deense en Engelse concurrentie was hun al genoeg en daarom poogden zij het initiatief van Oosten­de te kelderen. « De gemiddelde winstmarge van de Indiëvaart was… 158% » zegt de auteur. Je zou al voor minder steigeren! Toch slaag-den enkele Vlaamse kooplui er in samen met reder Thomas Ray, in Engeiand twee schepen te laten bouwen. Zij lieten de Engelse scheepsbouwers geloven dat het om twee Spaanse schepen ging die op de Middellandse Zee zouden varen! Ray en zijn maten zagen wel in dat de uiterst lucratieve zaak de ogen van veien zou uitsteken en vroegen daarom aan landvoogd markies de Prié het octrooi van de handel op Indië aan één enkele maatschappij toe te vertrouwen. Mogelijk hielpen de 150.000 gulden gratis aandelen die hem beloofd werden (vandaag 3.450.000 €!) en verkreeg hij van keizer Karel VI de «Lettres de patentes d’octroy accordées par Sa Majes­té impériale et catholique pour le terme de trente années à la Compagnie générale à établir dans les Pays-bas Autrichiens pour le Commerce et la Navigation aux Indes». Zo luidt de titel van de in Gent gedrukte uitgave van 1723. De keizer steunde de oprichting omdat hij er een kolonie bij erfde: Cabalon, (p.4) ten zuiden van Madras. Dus iedereen tevreden.

De reizen van de twee schepen volgden mekaar in uiterst snel tempo op en hun aanbod was zo groot en hun lage prijzen zo aantrekkelijk dat Holland, Frankrijk en Engeland met oorlog dreigden. Karel VI zwichtte voor de ernstige dreiging, te meer omdat hij geen mannelijke nakomelingen had en wist dat die drie hun veto zouden stellen tegen Maria-Therezia als opvolgster. Zo werd de Oostendse Compagnie in 1721 voor zeven jaar geschorst, dan in 1737 in vereffening gesteld en in 1774 volledig opgedoekt. « Financieel was het geen ramp. De aandeelhouders haalden 166% rendement van hun kapitaal. Economiser) echter was het de zoveelste opdoffer voor de zwaar beproefde Zuidelijke Nederlanden. »

Het zou bladvulling lijken als wij in dit blad verder zouden gaan met details over de vele plaatsen waar « kolonisatie » door onze voorouders werd gepleegd. Vooral in de 19de eeuw, toen het een algemene trend was in Europa om andere continenten te gaan ontdekken of bewonen om er uiteindelijk delen van te annexeren.

Over het gewezen Belgische Kongo staan er schitterende bladzijden die meer dan het lezen waard zijn, nu vooral dat men zo gemakkelijk ons koloniaal verleden en de houding van Leopold II daarin aanpakt. De Engelse en de Franse nijd om het succes van onze tweede vorst liggen hier voomamelijk ten grondslag aan. Alweer bekruipt ons de neiging om de auteur hier languit te citeren. Men leze echter op blz. 223 en volgende hoe Leopold de andere grote landen te slim af was door Stanley al te laten contacteren in Marseille waar hij na zijn Afrikareis aan land kwam, vooraleer hij verder naar Londen zou reizen. En hoe de vorst de Verenigde Staten voorhield dat hij de slavenhandel zou uitroeien en de Amerikaanse negers de kans zou geven terug naar Afrika te gaan. Het Amerikaanse Congres erkende dan ook met een zeldzame eensgezindheid de « Congo Free State ». Het Duitsland van Bismarck had toen nog geen belangstelling voor kolonies. Engeland zat in Egypte in een koloniale oorlog verwikkeld. Bleef Frankrijk, dat al troeven in de hand had met de expedities van Brazza. Leopold II liet daar weten dat, wanneer hij Kongo niet kreeg, Portugal het met de steun van Engeland zou opeisen. « Maar Leopold kon echter ook deze knoop doorhakken met een magistrale zet: als Frankrijk hem toestond Kongo te verwerven, zou Frankrijk het voorkooprecht krijgen, de dag dat hij of België Kongo kwijt wilden.  » De Fransen waren overtuigd dat het Kongolees avontuur van Leopold II niet lang zou duren en vonden het goed. » Maar dan lezen wij ver­der: « Een pikant détail hierbij is dat Frankrijk (p.5) op 30 juni 1960, de dag dat België Kongo de onafhankelijkheid gaf, een telegram stuurde aan ons Ministerie van Buitenlandse Zaken, met de laconieke opmerking: « België had Kongo eerst moeten aan Frankrijk aanbieden, voor het Kongo onafhankelijk verklaarde. Wij waren gelukkig niet van plan om van ons voorrecht gebruik te maken! »

Van arrogantie gesproken. Dit zou moeten geweten zijn door de « rattachisten » die Frank­rijk zo hoog ophemelen.

Natuurlijk worden ook uitgebreid de Antarctica-expedities besproken, die, wat België betreft in 1897 begonnen met de Hasselaar Adrien de Gerlache de Gomery die er twee jaar verbleef. In 1957 was het de beurt aan zijn zoon Gaston, (in juli 2006 overleden) die op 26 december de Belgische vlag plantte in de Koning Leopold-III-baai: « Weerom bevonden de Belgen zich immers op een relatief onbekend stukje Antarctica, zodat ze weer een aantal baaien en eilanden naar eigen goeddunken mochten benoemen. (île du Brabant, Gerlache Strait, Monts Solvay, Osterrieth, enz.)

Lezenswaard zijn ook de bladzijden gewijd aan het « Thierryan Territory » in Nieuw-Zeeland. Een land dat toen Van der Aa er in 1720 de eerste kaart van tekende, (met plaatsvermeldingen aïs « Moordenaersbay » en « Clippie hoeck ») maar waarvan slechts één kust werd afgebeeld. De Nederlander Abel Tasman had Nieuw-Zeeland reeds in 1642 « ontdekt », maar had er nooit voet aan wal ge-zet. De Engelsman Cook zou de eerste zijn in 1769, dank zij de reeds bestaande Nederlandse kaarten. Merkwaardig is vooral het avontuur van een Belg, Eugeen Schepens, die in 1880 aan de Leuvense universiteit studeerde waar dat jaar de Argentijnse président op bezoek kwam. Deze prees zijn land en wees op de vele voordelen die immigratie naar zijn land bood. Schepens ging datzelfde

jaar voor drie maanden op verkenning. De regering aldaar wilde hem 1600 ha grond schenken. Teruggekeerd hield hij voordrachten, vooral in de streek van Oudenaarde, en op 1 november 1881 vertrokken 14 kolonisten die door hem goed gedocumenteerd geweest waren. In januari 1882 bereikten zij Villaguay dat zij toegewezen hadden gekregen. Zij ontgonnen de rijke grond, een schooltje werd opgericht, een kapel van O.L.Vrouw van Lourdes werd ingezegend. « De meeste Vlamingen verdienden op pakweg zeven jaar even veel aïs wat zij in België in hun hele loopbaan zouden hebben bijeengesprokkeld. » Interessant is het korte nawoord van de schrijver in dit hoofdstuk: « De kolonie bestaat nog steeds. De Belgen ter plaatse koesteren nog altijd hun Belgische identiteit en nationaliteit ». Nu is de economische toestand aldaar volgens de auteur wel erg achteruitgegaan, en vreest hij dat sommigen wel eens zouden willen terugkomen, maar « Het is echter nog niet zo ver, zodat België er voorlopig prat kan op gaan toch nog een ‘koloniale macht’ te zijn!. »

De filatelist zal met verwondering opkijken naar de massa documentatie die de auteur op dit vlak aanvoert. Die hobby was het vertrekpunt voor zijn ontdekkingsreis over de ganse wereld. De gedetailleerde documentatie die hij op dit vlak vergaarde en ten toon spreidt is op zichzelf de moeite waard, zeker voor wie zich voor de ontwikkeling van de post in al haar vormen en de frankeringen allerlei interesseert.

Een meer dan lezenswaardig boek.De zin voor grootheid zal er door bevestigd worden en ook het besef dat de Zuidelijke Nederlanden heel wat actieve persoonlijkheden hebben voortgebracht die hielpen de wereld te ontdekken en die verdienen in ons nationaal geheugen bewaard te worden.

 

Maurits Duyck