Carte de la Flandre arrachée à la Belgique par la France

Les vrais noms de lieu dans la partie néerlandophone de la France (Flandre)

  1. M. Gantois, De zuidelijke Nederlanden, Verzamelde opstellen, Oranje-uitgaven, Wilrijk, 1967

 

(p.17-20) ZUID-VLAAMSE PLAATSNAMEN

 

Onder Franse invloed, werden in de loop van de eeuwen vêle plaats-namen uit de Zuidelijkste Nederlanden min of meer misvormd. Het zou onbegonnen werk zijn ze hier allemaal te willen opsommen ; wij laten het hier bij een lijst van de bijzonderste, ook van de meest vervormde.

Een zeker aantal plaatsnamen uit de Westhoek kregen noch vertalingen noch noemenswaardige bewerkingen. In het officiële Franse gebruik lijden ze aan kleinere veranderingen (b.v. Holque i.p.v. Holke) of blijven ze in een oudere spelling geschreven (b.v. Berthen voor Berten, Drincham voor Drinkam, Herzeele voor Herzele, Socx voor Soks). De lezers kunnen de echte vorm gemakkelijk herstellen. De gemeentenamen van dit gebied komen volledig voor op de kaart Frans-Vlaanderen (bij trefwoord) in J. Verschueren, Modem Woordenboek (Istedruk).

 

 

echte naam

 

verfranste naam

Gewest

Aarde

Abbegem

Ariën-a.-d.-Leie

Armentiers

Atrecht

Avenne-a.-d.-Helpe

Bavik

Belle

Berkem

Berkijn

Betuun

Blankenes

Boesem

Boevingen

Bonduwe

Bonen

Bray-Duinen

Broekburg

De Kribbe, gem. Belle

Deulemonde

Deveren

De Walle,

gem. Morbeke

De Zeule, gem. Belle

 

(Ardres)

(Abbeville)

(Aire-sur-la-Lys) (Armentières)

(Arras)

(Avesnes-sur-Helpe) (Bavai)

(Bailleul)

(La Madeleine-lez-Lille)

(Vieux-Berquin) (Bethune)

(Blanc-Nez)

(Bouchain)

(Bouvines)

(Bondues)

(Boulogne)

(Bray-Dunes) (Bourbourg)

(La Crèche)

(Deulémont)

(Desvres)

(La Motte-au-Bois)

 

(Le Seau)

 

Kalesgebied

Ponteland

Vlaams Artezië

Rijselse

Artezië

Tierasse

Zuid-Henegouwen

Westhoek

Rijselse

Westhoek

Artezië

Boonse

Oosterbant

Rijselse

Rijselse

Boonse

Westhoek

Westhoek

Westhoek

Rijselse

Boonse

Westhoek

 

Westhoek

 

Doning

Dowaai

Drooghout, gem. Berkijn

Duinkerke

Ekelsbeke

Grevelingen

Groot-Sinten

Halewijn

Ham-a.-d.-Zomme

Ham-Artezië

Harbodem

Harrevoorde

Heusden

Holme

Kales

Kamerijk

Kapelle (l)

Kapelle-Tierasse

 

Katsberg

Kiezenet

Kiezenet-a.-d.-Deule

Klein-Sinten

Klommeres

Komen

Koudeschure,

gem. Mergem Landerschie

Linzele

Malbode

Mergem

Moerekerke

Monsterhole

Niepekerke

Nieuw-Berkijn

Nieuwerleet

Norrem

 

(Denain)

(Douai)

(Sec-Bois)

(Dunkerque)

(Esquelbecq)

(Gravelines)

(Grande-Synthe)

(Halluin)

(Ham)

(Ham-en-Artois)

(Haubourdin)

(Hardifort)

(Hesdin)

(Lomme)

(Calais)

(Cambrai)

(Capelle-la-Grande)

(La Capelle-en-

Thierache)

(Mont-des-Cats)

(Le Quesnoy)

(Quesnoy-sur-Deule)

(Petite-Synthe)

(Clairmarais)

(Comines)

(Caudescure)

(Landrecies)

(Linselles)

(Maubeuge)

(Merville)

(Les Moeres)

(Mointreuil)

(Nieppe)

(Neuf-Berquin)

(Nieurlet)

(Norrent-Fontes)

Oosterbant

Rijselse

Westhoek

Westhoek

Westhoek

Westhoek

Westhoek

Rijselse

Vermandland

Vlaams Artezië

Rijselse

Westhoek

Ternasland

Rijselse

Kalesgebied

Kamerijkse

Westhoek

Tierasse

 

Westhoek

Zuid-Henegouwen

Rijselse

Westhoek

Westhoek

Rijselse

Westhoek

Tierasse

Rijselse

Zuid-Henegouwen

Westhoek

Westhoek

Ternasland

Westhoek

Westhoek

Westhoek

Vlaams Artezië

 

Noviant

Oorschie

Ouderwijk

Papingem

Peternisse

 

Pevelenberg

Rijsel

Robeke

Rouwe

Ruischeure

Santingenveld

Seklijn

Sint-Amands-a.-d.Skarpe

Sinter-Kaas

Sint-Joris

Sint-Kwintens

Sint-Mommelins

Sint-Omaars

Sint-Pols

Sint-Pols-a.-d.-Ternas

Sint-Rikiers

Sint-Winoksbergen

Sint-Wulmaars

Sison

Stapel-a.-d.-Kwinte(2)

Stegers

Terwaan

‘t-Hoekske

Tienen

Torkwijn

Valensijn

Valkenberg

Vleteren

Vloerbeek

Walskapelle

Wabingen

 

(Nouvion)

(Orchies)

(Audruicq)

(Saint-Venant)

(Saint-Pierre-lez-

Calais)

(Mons-en-Pevele)

(Lille-en-Flandre)

(Roubaix)

(Rue)

(Renescure)

(Saint-Inglevert)

(Seclin)

(Saint-Amand-les-Eaux)

(Saint-Tricat)

(Saint-Georges-sur-l’Aa)

(Saint-Quentin)

(Saint-Momelin)

(Saint-Omer)

(Saint-Pol-sur-Mer)

(Saint-Pol-sur-Ternoise)

(Saint-Riquier)

(Bergues)

(Samer)

(Cysoing)

(Etaples)

(Estaires)

(Thérouanne)

(Le Touquet)

(Thiennes)

(Tourcoing)

(Valenciennes)

(Fauquembergues)

(Hêtre)

(Fleurbaix)

(Wallon-Cappel)

(Outreau)

 

Tierasse

Rijselse

Kalesgebied

Vlaams Artezië Kalesgebied

 

Rijselse

Rijselse

Rijselse

Markenland

Westhoek

Boonse

Rijselse

Rijselse

Kalesgebied

Westhoek

Vermandland

Westhoek

Vlaams Artezië

Westhoek

Ternasland

Ponteland

Westhoek

Boonse

Rijselse

Boonse

Westhoek

Vlaams Artezië

Markenland

Westhoek

Rijselse

Zuid-Henegouwen

Vlaams Artezië

Westhoek

Land van het Vrijleen

Westhoek

Boonse

 

Waten

Wentie

Werven

Wieze

Wijnen

Witsand

Wouwenberg

Zandgat

Zerkel

Zoetestede

Zuid-Neerwaasten (3)

Zuid-Waasten (3)

Zuid-Wervik

Zwartenes,ook Grijnes

 

(Watten)

(Laventie)

(Vervins)

(Guise)

(Guines)

(Wissant)

(Mont des Récollets)

(Sangatte)

(Sercus)

(Le Doulieu)

(Warneton-Bas)

(Warneton-Sud)

(Wervicq-Sud)

(Gris-Nez)

 

Westhoek

Land van het Vrijleen

Tierasse

Tierasse

Kalesgebied

Boonse

Westhoek

Kalesgebied

Westhoek

Westhoek

Rijselse

Rijselse

Rijselse

Boonse

 

Rivieren :

A

Enne

Kwinte

Otie

Ternas

Zerre

Zomme

 

 

(Aa)

(Liane)

(Canche)

(Authie)

(Ternoise)

(Serre)

(Somme)

 

 

 

 

 (1) Capelle is de Pikardische vorm voor het Nederlands Kapel. De gemeente werd maar na 1918 officieel Capelle-la-Grande genoemd, om ze van andere Kapelle (Capelle) te onderscheiden. Het woord werd nooit in Chapelle verfranst.

 

 (2) Niet te verwarren met Stapel, Westhoek.

 

(3) Zuid-Waasten (Warneton-Sud) en Zuid-Neerwaasten (Warneton-Bas) zijn aan de rechteroever van de Leie gelegen, resp. tegenover Waasten (War-neton) en Neerwaasten (Bas-Warneton) op Belgisch grondgebied.

 

 

La vérité sur la situation politique, historique et linguistique en Flandre dite française, arrachée à la Belgique

1967

J. M. Gantois, De zuidelijke Nederlanden, Verzamelde opstellen, Oranje-uitgaven, Wilrijk, 1967

 

(p.28) Rijselaars te Boevingen

 

Geen enkele toegeving echter had het vermocht de heerszucht van Filips-Augustus te beteugelen en ,,Verfranst Vlaanderen » moet bijna het ganse gewicht van deze vijandschap dragen.

Hij verwoest een eerste maal Rijsel ,,ter wille van de verknochtheid die de lieden de graaf toedragen » (Le Glay, I, 324), verzekert zich van de persoon van ,,één der edelste en koenste Vlaamse ridders » (Le Glay, I, 326), Alard van Borgele, heer van een leen ten oosten van Rijsel gelegen, en begaat de onvoorzichtigheid in de stad slechts een klein garnizoen achter te laten. Op 30 september 1213, openen de burgers de poorten voor Ferdinand. De koning neemt op de hoofdstad van Rijsels-Vlaanderen een ontzettende weerwraak waarvan Willem de Bretoen de ijselijke bijzonderheden met leedvermaak verhaald heeft. Zo geweldig is de brand dat zelfs de turfachtige grond vuur vat ; allé rijkdommen zijn vernield, de inwoners worden uiteengejaagd.

Deze ramp belet hen niet het volgende jaar, op 28 juli 1214, te Boevingen terug aan te treden. Willem de Bretoen merkt op dat de Rijselaars in groten getale in de rangen van het nationale leger kampen. De heren der kastelnijen van Romaanse taal zijn niet de minst trouwen op de vechtpost. De kroniekschrijvers hebben de herinnering aan de heldenmoed der heren van Auby en Pérenchies vereeuwigd. Eustaas van Markillie overtreft hen allen : hij stormt ten kamp, zichzelf aanhitsend (p.29) met de kreet ,,Mort, mort aux Français ! » en vindt een roemrijke dood, Anderen, Girard van Avelin, Ursin van Fretin, Arnould van Landas en Hellin van Waveren die wij hier 34 jaar na zijn pronkstuk van Dammar-tin in Gohelle weervinden, worden met graaf Ferdinand gevangen ge-nomen.

(…)Intussen houdt Rijsel, aangevuurd door Robrecht van Betuun, in 1297, elf weken lang, tegen Frankrijk een nieuwe belegering uit – de vierde, en het zou de laatste niet zijn !

 

(p. 30) Rijsel, bastion van het Nederlands verweer

 

Wanneer Rijsel, na 49 jaar vreemde overheersing, weer bij het graafschap gevoegd wordt, voelt de bevolking deze beslissing aïs een bevrijding aan. Een schrijver die allerminst van vlaamsgezindheid kan verdacht (p.31) worden, A. de Saint-Léger, professer aan de Universiteit van Rijsel, aarzelt niet het in zijn pas verschenen Histoire de Lille te bekennen, eraan toevoegende dat dit tijdperk één der droevigste uit de ganse geschiedenis van de stad is geweest en dat het middenin de algemene volksvreugde is dat ,,op 13 mei 1469, het vaandel met de Leeuw van Vlaanderen te Rijsel werd uitgehangen. »

Indien wij niet vreesden op schromelijke wijze de afmetingen van een dagbladartikel te overschrijden, dan zouden wij door de eeuwen heen dit getuigenis der geschiedenis kantien volgen. Bij elke krisis in de eeuwige strijd tussen de heerszucht van het Franse vorstenhuis en de vrijheidsgeest onzer voorouders, blijft Rijsel trouw zijn roi van bastion van ‘t Vlaams verweer vervullen.

 

Men zal het niet beleven dat Rijsel ooit, zoals Gent, verstard in zijn anachronisch partikularisme, zou pogen zich tegen de hertogen van Burgondië en, later, tegen Maximiliaan, te verzetten door een beroep te doen op de bijstand van de… Franse koning, die deze bijstand regelmatig verleende in de vorm van een gewapende inval en een poging tot inlijving. Het zijn eilaas de steden van het Dietssprekende Vlaanderen die de schuldige naïveteit en de misdadige lichtzinnigheid bedreven met de vijand te onderhandelen om, ten koste van een deel van de vaderlandse grond, een twijfelachtig verbond te sluiten ten bate van verachtelijke eigen belangen. De Staten-Generaal der Verenigde Provinciën zou­den later deze waanzinnige politiek herhalen toen zij Tromp en een prins van Oranje Richelieu te hulp stuurden. Rijsel lag te dicht bij de grens om zich dergelijke hatelijke buitensporigheden te veroorloven. Wat zou ervan de ,,onafhankelijke » Nederlanden geworden zijn, hadden de steden van Verfranst Vlaanderen door de Spaanse troepen bijna helemaal in de steek gelaten niet, dank zij de verbeten en heldhaftige weerstand van hun burgers, door langdurige belegeringen de zegevierende legers van Lodewijk XIV opgehouden ? De bescheiden Rijselse burgers, geschaard in de ,,Compagnie des canonniers sédentaires », zijn de stichters van een glorierijke traditie geweest.

Eenmaal het onontkoombare lot ondergaan, mede door de onverschilligheid der Nederlandse gemeenschap, werd het verzet der geesten tegen de inlijving de roemrijke wapenfeiten der vervlogen tijden waardig. Een diepgaande studie der reakties van Zuid-Vlaanderen werd nog niet geschreven. Het is mogelijk dat de Dietstalig gebleven Westhoek zijn afkeer voor een wezensvreemde wereld heeft geuit door een zwijgzame opsluiting in het eigen wezen : hij hield zich bij de eigen levensbeschouwing, beoefende de eigen taal, had de schijn van het bestaan van de indringer onkundig te zijn, tekende zwijgend protest aan met meer verbetenheid dan dynamisme, met meer grootheid dan doeltreffendheid. (p.32) De houding van Michiel de Swaen schijnt een aanwijzing in deze zin, en, bij gebrek aan nadere gegevens, zullen wij niet beweren dat Duinkerke en het Dietssprekende Vlaanderen de geest van de Zonne-koning minder vijandiggezind waren dan Verfranst Vlaanderen.

 

Het staat niettemin vast dat de betogingen tegen het Franse staatsbestel te Rijsel het hevigst waren. Daar ontstonden menigvuldige botsingen tussen de bevolking en het bezettingsleger ; daar bewijst de plaatselijke (Franstalige) letterkunde hoe onvolmaakt de ,,annexatie der geesten » is ; daar behoudt de volksliteratuur lang een protesttoon (zie de gedichten van Brûle-Maison) ; daar ook wordt de koning van Frankrijk het slechtst ontvangen.

 

Door de eeuwen heen en heden minstens evenveel aïs weleer en on­langs, noemde en noemt Rijsel zich met opzet ,,Lille-en-Flandre ». Het bewaarde en bewaart de eredienst van het belfort, zinnebeeld der Vlaamse vrijheden, en het heeft gewild dat het onlangs gebouwde belfort, op verre na, het hoogste van (p.32) Vlaanderen zou zijn. Het vereerde de Leeuw van Vlaanderen en heeft niet opgehouden hem te vereren in de blazoenen zijner maatschappijen, op de vaandels zijner straten en in het knoopsgat zijner burgers. Dowaai houdt Rijsel gezelschap met de fiere Vlaamse Leeuw op de fijne spits van zijn trots belfort. Toen het de erezaal van zijn stadhuis moest opsmukken, liet het in dubbel exemplaar de nationale leus in de Nederlandse taal aanbrengen :,,Vlaanderen den Leeuw ! »

 

Is dat alles niet genoeg – en allés wat wij gezegd hebben is weinig in vergelijking met wat hier zou kunnen opgeroepen worden – om aan te tonen dat de taal, hoe belangrijk zij ook voor het volksleven weze (en wij zijn het niet die er zouden aan denken haar roi te kleineren), toch op zichzelf niet het begin en het einde van een volkswezen is.  Niet de taal, maar het bloed, bepaalt het Volksdom.

 

(p.54) De verdwijning van S en zijn vervanging door L werd door prof. Despicht beschouwd als een typische toepassing van de wet van de ‘assimilation régressive des consonnes”. (…)

De Picardische naam Lille is dus evenzeer ‘Vlaams’ van oorsprong als Rijsel.

 

 

1967

J. M. Gantois, De zuidelijke Nederlanden, Verzamelde opstellen, Oranje-uitgaven, Wilrijk, 1967

 

(p.356) ITINERAIRE

 

Passé la Somme et la Serre, jouxte le Ponthieu, le Vermandois, la Thierache, s’étend la Picardie, zone marginale des Pays-Bas qui y ont imprimé leur marque indélébile sur la race et les mœurs. Le Santerre de Montdidier et de Roye fut propriété de Philippe d’Alsace et, à nouveau, de Philippe le Bon. Les églises des plus humbles bourgs conservent les mausolées des Lannoy, des Haubourdin. A l’entrée de Laon sourit l’image de Jeanne de Flandre. Peintres et sculpteurs participent aux caractères de l’art de la Néerlande. La capitale picarde fabrique le velours d’Utrecht. Le terroir entier est devenu colonie agricole flamande.

Puis, au Sud et à l’Est, s’ouvre l’hinterland de notre peuplement et de notre culture :

Ile-de-France, où nos toiles meublent les châteaux, où nos statues peuplent les parcs, où le type flamand du ,,pignon à pas de moineaux » a conquis villes et villages au point qu’il passe, en Soisonnais et en Valois, pour le ,,style du pays ».

Champagne, où la Chrétienté s’émeut aux images pathétiques des Christs de Pitié, œuvres de ,,sculpteurs champenois » – qui sont Fla­mands -.

Lorraine, où le dernier à défendre le statut d’,,étranger effectif » de la ,.nation lorraine » fut Coster et le premier à restaurer un théâtre d’in­spiration… autochtone, Silvercruys.

Alsace, où la sculpture de Strasbourg et d’Isenheim a accueilli ,,1’inti-me pénétration burgundo-flamande » (autrement et mieux dit : néerlan­daise), où Konrad Witz, Kaspar Isenmann, Martin Schongauer, Mathis Grünewald, Heinrich Lützelmann ont suivi les leçons des maîtres des Pays-Bas, où Hans Baldung-Grien est confondu avec Lucas van Leiden, où la céramique de Strasbourg et de Hagenau est celle des Hannong de Maastricht.

Franche-Comté, où les dévotions populaires viennent droit du Brabant et ou, quittant la merveille flamande tapie au creux de la ,,reculée » de Baume-les-Messieurs, l’embranchement de la route vous conduit, à votre choix, à Lons, à la nécropole des Oranje, ou à Pontigny, au sanctuaire de la sainte nationale, Colette de Corbie.

Morvan, où maison se dit huis.

Bourgogne, où le Thiois a l’impression de ne pas être expatrié : les cités sont des villes d’art flamand et d’amples circuits vous promènent, de village en village, parmi les trésors du mécénat des Pays-Bas.

Par la Bourgogne, dont le génie communie intimement avec le sien, la Néerlande remonte en conquérante la Loire, descend en triomphatrice le Rhône : (p.357) Bourbonnais : Vierge de Moulin, tombeaux de Souvigny.

Lyon (de Souvigny, la route passe par Lapalisse, où vous logez à l’Hôtel du Lion des Flandres – publicité non payante) : la population, :au dire de l’un des plus lyonnais parmi les Lyonnais, se caractérise par un ,,£legme presque hollandais » ; les peintres indigènes, assure un critique d’art, affectent de ,,se faire bataves » et un autre ne se gêne pas pour affirmer : ,,La capitale n’est pas située, pour eux, sur les bords de la Seine, elle est établie le long de l’Amstel » ; ils ont de qui tenir : Corneille, •que l’on dit ,,de Lyon », était de « s-Gravenhage ; A. Michiels a commencé un dénombrement des dynasties néerlandaises d’artistes lyonnais, il n’a pas épuisé le sujet.

Auvergne : vitraux de Clermond-Ferrand, tapisseries de La Chaise-Dieu, Saint Sépulcre de Salers.

Rouergue : ]ardin des Oliviers de la cathédrale de Rodez.

Languedoc : Jugement Dernier et clôture du chœur de Sainte-Cécile à Albi, Mise au tombeau du musée des Augustins à Toulouse.

Provence : Couronnement de la Vierge à Villeneuve-lez-Avignon, Buisson ardent à Aix, Vierge des Douleurs à Cimiez.

Marguerite Roques, Marguerite de Bevotte ont consacré leurs thèses aux ,,apports néerlandais » dans la peinture et la sculpture des pays d’oc.

Vers l’Ouest, nous accueillent les pays d’amitié où les gens de Néer-lande sont reçus comme s’ils étaient chez eux :

Normandie, dont les grands écrivains, en francien et en normand, la Varende et Beuve, s’honorent de leur ascendance flamande.

Bretagne, où le Valenciennois Charles de Gaulle (1837-1880) et le Bruxellois P. L. Thielemans (1825-1898) comptent parmi les éveilleurs •de la culture nationale.

Vendée, qui se présente sous le signe des Jacobsen.

Plus loin se prolonge, sans prendre fin, le domaine de la diaspo­ra, celle du sang, celle de la civilisation.

A bien lire L. Hourticq, de combien le Génie de la France est redeva­ble aux Pays-Bas. L’aveu en perce en chaque chapitre de L. Dimier et de L. Gillet, tout fervents nationalistes ou méridionalisants systémati­ques qu’ils puissent être. Il est, par les provinces de France, des musées dont en fait toute la richesse tient en leurs collections (peintures, gravu­res, tapisseries, meubles, orfèvrerie) des Pays-Bas. Il en est qui ne pos­sèdent pas une toile qui ne soit d’,,Ecole Hollandaise » ou d’,,Ecole Fla­mande ».

Les églises (les guides touristiques en citent à toutes les pages) sont d’autres musées, vivants, où retables, tableaux, stalles, tombeaux, rendent témoignage à nos artistes au lieu naturel pour lequel leur inspiration les conçut.

 

(p.358) Au cœur de la France, les murailles des cathédrales, des basiliques, des musées créés pour les recevoir : Le Mans, Saumur, Angers, sont couvertes des tapis qui, par l’Europe entière, portent le nom com­mun d’arrazi et, en Angleterre, celui d’arras. Et s’ils sortent de manufactures françaises ? De récents tricentenaires et des émissions phila-téliques toutes fraîches nous le remettent en mémoire. Les Gobelins furent créés par Van der Plancke et Comans, son beau-frère, relayés par Jans, Ostende, Van der Busch, Beuseman. Hinart, Blommaert, Behagel, qui fondent Beauvais, proviennent d’Oudenaarde et de Lille, et les pre­miers liciers qui travaillèrent à Aubusson et à Felletin n’y furent-ils amenés en son comté de Marche par Marie de Hainaut ? En quelque fabrique que ce soit, en haute et basse lice, Gromaire, Dubrunfaut, Matisse, Manessier, Singier, Degand, Bouquillon sont au premier rang, par droit d’aînesse.

Constante de la civilisation européenne, et non seulement dans les arts plastiques : dans tous les arts de la vie ! La carte est parsemée, du continent aux Iles, de Flaming et de Dutch River. Flandre et Hollande sont toponymes usuels à tous les azimuths de l’hexagone, jusqu’aux rives atlantiques et méditerranéennes. Partout où il y avait à conquérir sur la mer ou sur le marais, apparaissent ceux qu’Armand de Melun appelle les fabricants de terre ferme. Le théâtre de leurs exploits ne cesse de se désigner de leur nom ou de celui de leur nation : Etangs des Flamands dans un méandre de la Seine, naguère en riante Ile-de-France, aujourd’hui en banlieue, Etangs de Hollande en forêt de Rambouillet, Ceinture des Hollandais en Vendée, Marais des Flamands et Polders de Hollande en Médoc, Canal van Ens aux marais d’Arles.

La ,,Petite Flandre » d’Aunis couvre tout le rivage de la province. Au ,,Canton des Flamands » au cœur de la capitale, La Rochelle, pourtant, ne résident pas seulement les ,,maîtres des digues ». Le quartier loge armateurs et négociants des Pays-Bas qui y faisaient commerce et qui faillirent faire de la ville, Michelet l’a vu, ,,une Amsterdam ».

Même le nom absent, la marque est lisible. Hanotaux a été saisi du nombre de ,,Beauvoir » et de ,,Beauregard », construits, de l’Est à l’Ouest et du Nord au Sud, façon de Flandre et briques de Hollande. Dans ses enquêtes de géographie humaine, J. Brunhes distingue aux demeures… et à leur entretien – ,,on les prendrait pour des maisons de la Flandre maritime » – les descendants lointains des colons thiois. Cheptel, matériel agricole, procédés de laiterie : ,,brebis flandrines », ,,charettes hollan­daises », ,,beurre de Hollande », trahissent par leur désignation leur pe­digree.

Nos gens exportèrent, en masse, d’autres spécialités. La télévision, il y a peu, déroulait à nos yeux les épisodes essentiels de l’histoire de Laval: le (p.359) mariage du comte avec Beatrix de Flandre, puis ,,l’arrivée des tisserands flamands ». Le papier de qualité se dit Hollande ou, par synonyme, Van Gelder. Les collections de choix s’intitulent Elsevier ou Bruges. Le gotha de l’édition anoblit, en Allemagne, Grote, De Gruyter, Vandenhoeck, Koenen, en France, Panckoucke, Van Buggenhoudt, Seghers, Dillen.

 

Le type ethnique, aussi bien, se trahit. D’aimables écrivains, auxquels on ne supposerait pas ces préoccupations, découvrent les ,,blonds descen­dants » des émigrants thiois. Un spécialiste de l’immigration, le Dr R. Martial, en discerne tellement que ses traités mènent à se demander si ,,la race française » n’a pas ses racines aux Pays-Bas. En tout cas, ,,métis-sage de la plus haute valeur », applaudit La Varende.

En cours de route, les surprises agréables ne manquent pas. Sur le chemin du Midi, Laon et Langres, par leur emplacement au sommet de la colline fortifiée, sont villes qu’on dirait parallèles. Toutes deux nous saluent de recommandations en néerlandais. Aux approches du confluent de la Saône et du Rhône, vous fait signe, à un virage, l’engageante invi­tation : ,,La Tournelle des Flandres ». Quels que soient du reste l’itiné­raire et la direction, à Vitry-le-François ou à Jouy de Beauce, ne sursautez si, à côté de vous, des interlocuteurs s’expriment en la moedertaal.

Cette diaspora n’a pas de frontières. The sky is thé lirait. Aussi loin que l’on voyage, on est assuré de rencontrer, sous toutes les latitudes, les témoins du rayonnement de la culture néerlandaise.

Elle est partout présente, même là où l’on pourrait penser que le génie natif est assez puissant pour l’éliminer. Il Fiammingo : la dénomi­nation générique suffit à la nomenclature italienne. Le patronyme même des peintres disparaît derrière la référence d’origine, qui vaut consécra­tion. Les tapisseries de Flandre triomphent sans rivales aux Chambres du Vatican comme aux châteaux de la Loire et au palais des Papes à Avignon. Que vous preniez place dans le fauteuil d’un salon de coiffure à Sienne ou à une terrasse de café à Florence et que l’on apprenne que vous êtes Flamand, vous entendez déclamer avec force gesticulations la louange des vertus d’ardeur au travail, de goût artistique et de débor­dante vitalité de votre peuple.

Un proverbe breton proclame avec fierté : ,,E kement lec’h ma par an heol e tremen ar Breton. »

Partout où le soleil passe, passe le Breton.

Où le Flamand ne retrouve-t-il la trace de ceux de son sang ?

 

 

1967

J.-M. Gantois, De zuidelijke Nederlanden, Verzamelde opstellen, Oranje-uitgaven, Wilrijk, 1967

 

(p.13) Langs dit proces om kregen de Franse Nederlanden de benaming Zuid-Vlaanderen, die internationaal burgerrecht geniet onder de vorm Süd-Flandern (bv. bij Jakob Grimm) en Sud-Flandre (bij Jules Miche-let). Deze laatste geeft Rijsel aan als hoofdstad van Sud-landre. Grimm rekent Artezië onder Süd-Flandern.

 

Zuid-Vlaanderen omvat inderdaad niet alleen de zuidelijke delen van het graafschap Vlaanderen door Lodewijk XIV ingepalmd. Het behelst al de gewesten benoorden de Zomme en de Zerre, die etnografisch en kultureel alsook aardrijks-, geschied- en volkskundig tot de Nederlanden behoren :

 

MARKENLAND  (Marquenterre), hoofdstad Rouwe  (Rue).

PONTELAND (Ponthieu), hoofdstad Abbegem (Abbeville), met aïs voornaamste stad Sint-Rikiers (Saint-Riquier).

VERMANDLAND (Vermandois), hoofdstad Sint-Kwintens (Saint-Quentin) .

TIERASSE (Thierache), hoofdstad Werven (Vervins). Bijzonderste steden : Avenne-a.-d.-Helpe ( Avesnes-sur-Helpe), Landerschie (Landrecies), Marie, Solre, Wieze (Guise).

BOONSE (Boulonnais), hoofdstad Bonen (Boulogne). Bijzonderste steden: Deveren (Desvres), Sint-Wulmaars (Samer).

KALESGEBIED (Calaisis), hoofdstad Kales (Calais). Bijzonderste steden : Aarde (Ardres), Ouderwijk (Audruick), Wijnen (Guines). De streek rondom Ouderwijk en Aarde heet Bredenaarde (Bredenarde). Aan de linkeroever van de A, tegenover Broekburg, is het Land van den Hoek (Pays de l’Angle) gelegen, dat vier gemeenten : Mariakerke, Sint-Niklaas-a.-d.-A, Sint-Omaars-Kapelle, Sint-Volkwins omvat ; het bestuur was gevestigd in het Landshuus te Monekebure (Manneque-beure).

TERNASLAND (Ternois) (1), hoofdstad Sint-Pols-a.-d.-Ternas (Saint-Pol-sur-Ternoise). Bijzonderste steden : Heusden (Hesdin), Mon-sterhole (Montreuil).

ARTEZIË (Artois), hoofdstad Atrecht (Arras). Bijzonderste steden: Betuun, Lens. Het noordwestelijke deel : Vlaams-Artezië (Artois Flamin­gant), telt aïs voornaamste steden : Ariën-a.-d.-Leie (Aire-sur-la-Lys), Sint-Omaars. De streek rond Lens heet Gohere (Gohelle).

KAMERIJKSE  (Cambresis), hoofdstad Kamerijk (Cambrai).

ZUID-HENEGOUWEN (Hainaut), hoofdstad Valensijn (Valen-ciennes). Bijzonderste steden : Bavik (Bavai), Kiezenet (Le Quesnoy), Konde-a.-d.-Schelde (Condé-sur-Escaut), Malbode (Maubeuge).

 

(1) Het woord Ternois werd ook in de loop van de geschiedenis in een ietwat verschillende, bredere zin opgevat, ni. aïs het gebied rondom Terwaan. Met die betekenis is de naam uit het gebruik geraakt.

 

(p.14) RIJSELS-VLAANDEREN (Flandre Lilloise of Flandre Gallicante), hoofdstad Rijsel (Lille-en-Flandre). Bijzonderste steden : Armentiers (Armentières), Dowaai (Douai), Halewijn (Halluin), Oorschie (Or-chies), Robeke (Roubaix), Seklijn (Seclin), Torkwijn (Tourcoing), St-Amands-a.-d.-Skarpe (Saint-Amand-les-Eaux), Sison (Cysoing).

Het oostelijke uiteinde : Oosterbant (Ostrevant) heeft aïs hoofdstad Boesem (Bouchain). Pevelen is de streek rond Oorschie. Aan de rechter-oever van de Leie, stroomopwaarts Armentiers, is het Land van het Vrijleen (Pays de l’Alleu) gelegen, dat drie gemeenten : Wentie, Vloer-beek, Sailly-a.-d.-Leie omvat, met de eerste aïs hoofdstad. Een heel ver-keerde benaming, die gelukkig uit het gebruik verdwijnt, was die van Waals-Vlaanderen (Flandre Wallonne) om Flandre Gallicante aan te duiden. Er werd nergens en nooit Waals gesproken in dit deel van het graafschap Vlaanderen, dat van Pikardische spraak is met sterke Nederlandse taaleilanden.

 

WESTHOEK, hoofdstad Duinkerke. Bijzonderste steden : Belle (Bailleul), Broekburg (Bourbourg), Grevelingen (Gravelines), Haze-broek, Kassel, Sint-Winoksbergen (Bergues).

Frans-Vlaanderen (om geen gewag van de dwaze spelling Frans-vlaanderen, Fransvlaming, Fransvlaams, enz., te maken) werd gebruikt om het deel van het graafschap Vlaanderen aan te duiden, dat sedert de 17de eeuw bij de Franse staat gevoegd is. Die uitdrukking heeft het nadeel eventueel te dienen voor het oostelijke deel, dat van oudsher naar de taal grotendeels geromaniseerd is (Flandre Gallicante) en het westelijke deel (Westhoek), waar de bevolking overwegend Nederlands spreekt. Om die reden o.a. wordt hoe langer hoe meer opnieuw naar de echte benaming : Zuid-Vlaanderen (Sud-Flandre) gegrepen.

Frans-Vlaming ook brengt verwarring russen de taal- en de staat-kundige opvatting {Flamand picardisant aan de ene kant, Flamand de nationalité française aan de andere). Vêle van die zogenaamde Frans-Vlamingen zijn Nederlandstalig. Over het algemeen wordt die benaming door Zuid-Vlaming (Sud-Flamand) vervangen.

 

 

1967

J.M. Gantois, De zuidelijke Nederlanden, Verzamelde opstellen, Oranje-uitgaven, Wilrijk, 1967

 

(p.15) De herinnering aan de Zeventien Provinciën (les Dix-Sept Provin- « 7 ces) is in Zuid-Vlaanderen levendig gebleven. Tôt kort voor de jongste oorlog bestond te Sint-Winoksbergen een herberg met het uithangbord : Aux Dix-Sept Provinces. (…)

Geschiedkundig gezien behelsden de Zeventien Provinciën vier hertogdommen : Gelderland, Brabant, Limburg, Luxemburg, zeven graaf-schappen : Rolland, Zeeland, Zutfen, Vlaanderen, Artezië, Henegouwen, Namen, vij£ heerlijkheden :  Friesland, Groningen, Overijsel, Utrecht, Mechelen,  een markgraafschap : Antwerpen. (…)

(p.16) Heden ten dage zijn de Zeventien Provmciën en de Nederlanden bij de Zuid-Vlamingen praktisch gelijkluidend. Er dient toch opgemerkt te worden dat die omschrijving eigenlijk een verliespost betekent. Tierasse, Vermandland, Ponteland, Markenland – met de Zommesteden (les Villes de la Somme) : Sint-Kwintens, Peronne, Ham, Korbie, Abbegem -, het Boonse, het Kalesgebied waren toen reeds door Frankrijk veroverd. De Nederlanden hebben hun grootste politieke uitbreiding naar het zuiden verwezenlijkt onder de Elzassische Graven en de Burgondische Hertogen.

Zuid-Vlaanderen is meer dan het gemoedelijke Westhoekje, tussen zee, A en Leie. In hun voile afmetingen zijn de Zuidelijkste Nederlanden nog ,,te klein om verdeeld te worden ».

 

 

1967

J.M. Gantois, De zuidelijke Nederlanden, Verzamelde opstellen, Oranje-uitgaven, Wilrijk, 1967

 

(p.26) Verfranst Vlaanderen: voor Robrecht de fries, tegen Willem Clito

(…)

Dit ,,Flandre Lilloise » (Rijsels-Vlaanderen), om een uitdrukking die in de streek zelf in zwang is, te gebruiken, heeft, sedert de middeleeuwen, de Dietse taal afgeleerd. Toch heeft het, in de ganse loop der geschiedenis, blijk gegeven van de meest uitgesproken nationale geest. Het nam zijn aandeel in de luister en in de beproevingen van het vaderland, en gaf zelfs uiting aan de waakzame en vurige vaderlandsliefde die de mensen . van de grensstreek eigen is.

 

 

1967

J.M. Gantois, De zuidelijke Nederlanden, Verzamelde opstellen, Oranje-uitgaven, Wilrijk, 1967

 

(p.394) VEROVERENDE WAPENKUNDE : KLAUWEN OP ZIJN VLAAMS

 

Wie door Midden- en Zuid-Frankrijk reist, ziet in de stations vanaf Parijs, op muren, langs lanen en straten, grote aanplakbiljetten, met een reusachtige – is het de Vlaamse ? – leeuw. Deze reclame, die u ook in de kranten achtervolgt, blijkt u uit te nodigen op de Jaarbeurs van Lyon. De naarstige, trotse stad voert immers in haar wapen een leeuw met aïs leuze : ,,Avant ! avant ! Lyon le melhor ! – Voorwaarts ! voorwaarts ! Onze leeuw is de beste ! » De oude leuze is een moderne slagzin van het zuiverste allooi en het mag niemand verwonderen dat de stad haar fraai embleem aïs handels- en fabrieksmerk gebruikt om er haar nijverheids-produkten mee te sieren.

De oorsprong van deze welsprekende reclame is echter niet zo een-voudig aïs men zou denken. Is het eigenlijke stadsschild immers niet ingewikkelder ? Prijken daar geen drie Franse leliebloemen bij ? Hoe komt het dan dat die versieringen op de Lyonese aanplakbiljetten zijn weggelaten, en dat er alleen de leeuw klauwt, in allés gelijkend op de Vlaamse leeuw ?

Bij iedere Vlaming moet deze Lyonese Jaarbeursreclame de eigen Leeuw voor de geest roepen. En de bezoeker zal de sleutel van dat raadsel gemakkelijker vinden, aïs hij — in plaats van naar Dijon en Avignon te reizen – vanuit Parijs de richting van het noorden inslaat. Want daar ontmoet hij overal op zijn weg andere geweldige aanplakbiljetten van de …Rijselse Jaarbeurs, en met dezelfde zwarte leeuw op een gouden veld.

 

Lyon volgt Rijsel

 

Wie ooit Rijsel bezocht, weet hoe de Zuid-Vlaamse hoofdstad zich bij ieder feest trots met haar oude leeuwevlag tooit. Maar er is geen onderneming die meer heeft bijgedragen tôt de verspreiding van de Vlaamse leeuw in Noord-Frankrijk dan de Rijselse Jaarbeurs.

De doeltreffendheid van het Rijselse publiciteitsembleem heeft dan ook enkele decennia geleden aanleiding gegeven tot protesten uit de Rhônestad. In de ekonomische wedijver tussen beide steden eiste Lyon – het spreekt bijna vanzelf – ,,la part du Lion ». Ze kon daarbij op sterke bescherming rekenen, in de eerste plaats van een der invloedrijkste figuren uit de Republiek, haar eigen burgervader Edouard Herriot. Lyon wilde zich voor haar Jaarbeurs het alleenrecht, het monopolie van Internationale Beurs verleend zien. Maar Rijsel weerde zich dapper en trad zegevierend uit het strijdperk : alle tegenwerking ten spijt werd ook haar Jaarbeurs van regeringswege officieel erkend. Lyon legde zich bij (p.395) de uitslag neer, maar wreekte zich erover door van de Rijselse overwinnaars hun zegeteken, hun Leeuw, over te nemen.

 

Goede voorbeelden trekken : wat met de jaarbeurs van beide steden gebeurde, herhaalde zich met hun bankinstellingen.

Sedert 1848 floreerde te Rijsel ,,sous le signe du Lion » – om naar de historisch geworden uitdrukking van de Robeekse schrijver H. L. Dubly te grijpen – een bloeiende bank, met Vlaams kapitaal gesticht, die een aanzienlijk aandeel had in de nijverheidsontwikkeling van de streek. Het wapen van dit ,,Crédit du Nord » was de Vlaamse leeuw. Dit voorbeeld heeft andermaal aanstekelijk gewerkt op een Lyonese instelling, het «Crédit Lyonnais » dat zich eveneens in het teken stelde van de Vlaamse leeuw. Deze bank, krachtig gesteund door de Staat, heeft zich zelfs zo stevig in de Zuidelijkste Nederlanden kunnen vestigen, dat haar kantoor de plaatselijke bankinrichting op haar gebied – en onder dezelf de leeuw -in de weg staat.

 

Leeuw of poedeltje

 

Er is meer. Als men aandachtig de tekening bekijkt waarmee Lyon haar weefsels en zijden stoffen de wereld instuurt, valt het op dat die fiere rechtopstaande leeuw precies lijkt op de moderne leeuwefiguur zoals die klauwt op wimpels en pennoenen, bij nationale feesten, te Diksmuide en elders.

Er is leeuw – en leeuw. In de vorige eeuw zag men op talrijke wapenschilden de forse, nobele verschijning van de Koning der Wbestijn verlaagd tot die van een schamel beestje, dat de verbeelding van Théo­phile Gautier deed schrijven van een ,,caniche en culotte de nankin ». De goede Théophile schreef deze spot over de Belgische leeuw. Maar in andere streken, waar men de leeuw in het schild voert – in het graaf schap Léon (Bretanje) bijvoorbeeld – was het wapendier door de tekenaars al niet beter bedeeld. En was de leeuw in Vlaanderen, ook niet vaak een poedel ?

Weinigen weten dat de kentering ten goede in de leeuwevoorstelling te danken is aan een der knapste heraldiekers van onze tijd, de Rijselaar Jozef van Driesten.

Van Driestens leeuw Jozef E. van Driesten (1853-1923) had zijn opleiding genoten te Brugge, Leuven, Gent en Brussel. Zoals vele van zijn stadgenoten zijn vriend, de schrijver H. Verly, werkte, uit vrees dat zijn naam niet Vlaams genoeg klonk, onder de schuilnaam Van Vyrel ! was Van Driesten (p.396) trouw aan land en volk, en wijdde er zijn beste krachten aan. Bezield met een vurige Vlaamse vaderlandsliefde, maakte hij niet het minste onderscheid tussen de gewesten aan deze of gène zijde van de staatsgrens. Zijn illustraties en schilderijen verheerlijken zowel Cent als Rijsel. En het feit dat hij zich zo weinig inliet met de ,,schreve » die ‘t oude Vlaanderen in stukken snijdt, maar zich daarentegen in allé Vlaamse streken thuisvoelde, overtuigde de Bruggelingen ervan dat hij van Cent afkomstig was (,,Un Gantois d’origine », schreef le Réveil des Flandres, Brugge, 1 juli 1907) en deed de Gentenaars geloven dat hij een Bruggeling was (,,Un miniaturiste brugeois » zei la Flandre Libérale, Cent, 21 juli 1907). Het kwam bij niemand op dat deze Vlaming radar van Rijsel kon zijn.

 

Het dubbele levenswerk van Van Driesten is enerzijds het ontwerpen van de Rijselse stoet der ,,Fastes de Lille-en-Flandre » – voor het eerst in oktober 1892, trok deze ommegang uit op 28 oktober 1934, 12 juni 1949, 6 mei 1951 – en anderzijds het inrichten van de tentoonstelling van het Gulden Vlies te Brugge in 1907. In samenwerking met zijn vrouw Maria van Parijs (Vlaamser kan het al niet !) vereeuwigde hij naderhand beide gebeurtenissen in weelderige platenalbums.

Zijn vermaardheid bezorgde hem talrijke heraldische opdrachten. En zo kreeg hij gelegenheid om de moderne Vlaamse leeuw te ontwerpen. Het werk van ,,1’artiste flamand Van Driesten… un des maîtres de l’héral­dique contemporaine » heeft Henry Mercadier al dus beschreven :

,,Van Driesten tekende aïs eerste in Frankrijk deze wapenleeuwen, zoals men die in zijn bundels ziet. Zij lijken in de verste verte niet meer op de leeuwen, die er uitzien aïs circushondjes, de troetelkinderen van onze moderne heraldiekers zoals de graveur Benneton bijvoorbeeld. De leeuwen van Van Driesten zijn op en top Vlaams en onmiddellijk te herkennen. »

 

Frankrijk veroverd

 

Het vernieuwingswerk van Van Driesten bracht een kentering in de leeuwevoorstelling niet alleen in Vlaanderen, maar in gans Frankrijk. Na zijn Armoriai des communes de l’arrondissement de Lille, kreeg de kunstenaar opdracht een Armoriai national des villes de France te tekenen, dat meer dan 500 wapenschilden bevat, en dat door de Wereldtentoonstelling van 1889 werd uitgegeven. Allé steden van Frankrijk (ook te Lyon) waar in het wapen een leeuw prijkt, juichten om Van Driestens werk.

 

Deze Vlaamse erkenning in een stad als Lyon doet trouwens niet zo vreemd aan, als men bedenkt dat, naar het getuigenis van een van haar burgers Emile Baumann, ,,notre ville doit aux Flandres l’art de tisser et (p.397) de broder ». En roemt de stad ook niet aïs haar grootste kunstschatten de beeldhouwwerken van Van der Heyde en ,,les splendeurs flamandes » du musée des tissus ?

 

Het fiere Zuiden was maar al te gelukkig om van die les uit het ,,wilde » Noorden partij te trekken : provinciën, gouwen, steden met leeuw op het schild : Gaskonje, Bigorre, Armagnac, Fezensac, Landes, Auch (l), Dax, Vie, Villecomtal, enz., konden nu een beter figuur slaan.

 

Een ander land, een land waarvan de Vlamingen houden, Baskenland, is hen dankbaar de plaatselijke leeuw uit het belachelijke gered te hebben. Vier van de ,,Zeven Provinciën » (Zaspiak Bat : zeven-in-één) die de Baskische eenheid uitmaken : twee Spaanse : Viscaya en Alava, twee Franse : Labourd en Soûle, en daarnaast een aantal steden (Bayonne, hoofdstad van Noord-Baskenland, St Jean de Luz, Mauléon, Ustaritz, Urrugne) voeren de leeuw in hun wapenschild. Vroeger was die leeuw bespottelijk verbasterd. Tot een beroep werd gedaan op Van Driesten.

 

Bemiddelaar hier was de geleerde wapenkundige uit Tierasse, J. Meurgey de Tupigny, door degelijke werken over de eigen gouw (o.a. Le château de Guise) bekend. Echte genegenheid verbond hem met de Basken, hij bewonderde hun zeden en gebruiken, was hun taal mach-tig. Aïs vakman roemde hij hun wapen, dat aïs geen ander gaven, gevoe-lens, overtuigingen, tradities, geschiedenis verzinnebeeldt. Hij wijdde er een grondige studie aan : Les armoiries du Pays Basque (1918), waar­van hij de verluchting aan Van Driesten toevertrouwde. Dezes tekeningen werden heropgenomen in een tweede boek van J. Meurgey de Tupigny : Les blasons des provinces et des -villes basques (1932).

 

Van Driesten tekende vanzelfsprekend de Baskische leeuwen aïs Vlaamse. Daartegen kwam geen verzet, integendeel. ledereen maakte de nieuwe leeuw op grote schaal na, zodat er in de pers een pennetwist over ,,plagiaat » losbrak die veel stof opjoeg.

Zo pralen en pronken leeuwen à la Van Driesten nu allerwegen in Baskenland, te Bayonne, te Biarritz, in steden en dorpen, op vlaggen, op beroemde geveltoppen, op de ambtelijke gebouwen, op tram en trein, tôt op de chocoladedozen toe.

Baskische leeuwen, evenals de leeuw van Gaskonje en ,,le lion de Lyon » klauwen op zijn Vlaams.

 

(1) Deze „Vlaamse » leeuw is goed bekend in Frankrijk : een der meest gebruikte postzegels stelt het stadswapen van Auch voor.

 

 

1970s

Témoignage lors d’une émission sur une chaîne française à propos de l’émancipation culturelle néerlandophone dans le Nord de la France (années 1970)

 

 « Dans l’école de ‘Bertemmes’, au pied du Mont des Cats, on trouvait, encore il y a quelques années, une inscription dans la cour de l’école : « Défense de parler flamand. »

 

On accrochait un sabot au cou des élèves qui parlaient flamand.

On utilisait dans de nombreuses écoles de France – où se trouvaient des élèves appartenant à des communauté linguistiques non-francophones – des signes distinctifs tels qu’un os, une clé, un petit sabot.

Les professeurs essayaient de repérer un élève qui parlait flamand. Ils lui donnaient l’objet. A charge pour lui de le refiler à un copain, et le dernier qui était pris à posséder cet objet était puni à la fin de la journée. »

 

 

1978

Luc Verbeke, De Nederlanden in Frankrijk en het Komitee voor Frans-Vlaanderen, KFV-Mededelingen, 1978

 

(p.8) ONDERDRUKKING VAN HET NEDERLANDS

 

De Franse Nederlanden vormden in de strijd tegen Frankrijk steeds het frontgebied. De verschillende steden en gewesten zijn nu eens door Frankrijk geannekseerd, dan weer door de vorsten die over de Nederlan­den heersten heroverd. Frankrijk drong in de Ne­derlanden door sinds de 16de eeuw en het belangrijkste stuk van Frans-Vlaanderen ging voor ons verloren onder Lodewijk XIV tussen 1659 en 1678. Toen Karel VI van Oostenrijk door de Overeenkomst van Utrecht in 1713 onze vorst werd keerden leper en Veurne, ons ook in 1678 door Frankrijk ontnomen, tot de Vlaamse gemeenschap terug maar het verlies van de Zuidvlaamse steden werd definitief bezegeld.

De volkstaal is in het grote gebied dat we onder Nederland in Frankrijk verstaan niet bestand gebleken tegen het zich opdringende Frans, dat aanvankelijk door de latinizerende Kerk werd gesteund en na de aanhechting door het Franse centralizerende staatsgezag werd opgelegd. Na veel taalgeschillen, die zich al in de middeleeuwen in dit oude kernland van onze kultuur afgespeeld blijken te hebben, en na de vêle onderdrukkingsmaatregelen die na de anneksatie werden genomen, bleef de Vlaamse taal toch nog lange tijd levenskrachtig.

 

(p.9) We kunnen dit danken aan de bewuste trouw van een elite en aan de passieve weerstand van de volksmassa zelf. Door een natuurlijke inertie, in de hand gewerkt door het agrarisch karakter van de Westhoek en het ontbreken van een algemeen en verplicht onderwijs, is een groot gedeelte van de Franse Nederlanden eeuwen lang aan zijn taal en tradities gehecht gebleven. Honderd jaar na de anneksatie kende 90% van de bevolking van de Westhoek geen andere taal dan het Vlaams en ook thans nog kan het aantal Nederlandssprekenden in het arrondissement Duinkerke-Hazebroek op 40 à 60 % worden geschat. Dit komt neer op 70.000 à 120.000 Vlaamssprekenden op een totale bevolking van ruim 300.000. Hier is dus een verlies merkbaar van 10 à 20% Nederlandssprekenden per eeuw.

 

De centralizerende Franse staat heeft steeds — zoals ook nog andere staten trouwens — naar taaleenheid gestreefd. Lodewijk XIV maakte al in 1663 het Frans tot verplichte taal voor het gerecht in Duinkerke en Broekburg, een maatregel die in 1684 tôt de andere bezette steden van Vlaanderen (o.m. Kortrijk, Oude-naarde, leper en Veurne) werd uitgebreid. Hij beval ook de Franse bisschoppen alleen Franse priesters aan te stellen voor het godsdienstonderricht.

De Nederlandse taal bleef toch goed stand houden in de 18de en in de eerste helft van de 19de eeuw. Dit blijkt o.m. uit de aktiviteit van een aantal bloeiende rederijkerskamers. Omstreeks 1780 was het onderwijs nog eentalig Vlaams, de Paters Kapucijnen preekten in het Vlaams, de letterkunde was Nederlandstalig, het volk sprak Vlaams ; kortom alles was nog gaaf-Nederlands.

Het zou vooral de Franse Omwenteling zijn die voor het Nederlands in Zuid-Vlaanderen noodlottig zou worden. Van toen af werden allerlei wetten uitgevaardigd om de regionale talen op te ruimen. Op 10 september 1791 verklaarde Talleyrand voor de Nationale

 

(p.10) Vergadering : ,,Les écoles primaires vont mettre fin à cette étrange inégalité. La langue de la Constitution et des lois y sera enseignée à tous ; cette foule de dialectes corrompus, dernier reste de la féodalité, sera contrainte de disparaître; la force des choses le commande ». Gerecht, leger, administratie, pers, onderwijs (na het invoeren van de schoolplicht in 1880 het sterkste middel tôt verfransing) en ten slotte de Kerk (eerst in het begin van deze eeuw) zijn aldus onder dwang verfranst. Een van de meest beruchte verordemngen was die van de Akademische Raad van het Noorderdepartement — zitting houdend in Dowaai op 27 januari 1853 — waardoor het onderwijs van het Vlaams in de scholen van Frans-Vlaanderen uitdrukkelijk verboden werd. Als reaktie daarop werd toen door enkele Vlaamse voormannen een daad van blijvende betekenis gesteld, ni. de stichting van het Comité flamand de France.

 

De verfransing onder druk ging echter verder. In het begin van deze eeuw (1900-1903) werd de kroon op het werk gezet toen aan de priesters het preken en het katechismusonderricht in de volkstaal verboden werd op straf van weddeberoving. Dit gebeurde in de laatste jaren van het Konkordaat tussen Kerk en Staat in Frankrijk. Het gedeeltelijk Fransgezind geworden aartsbisdom gaf eindelijk toe maar veel Vlaamse priesters weigerden zich te onderwerpen. Tot aan de eerste wereldoorlog zijn veel priesters nog blijven preken in het Nederlands en op sommige plaatsen zelfs tot na de tweede wereldoorlog. Bijna alle pastoors van de Westhoek zijn nu nog goed Vlaamssprekend. Ze gebruiken nog regelmatig Vlaamse woorden en uitdrukkingen tijdens hun Franstalige sermoenen.

Een groot deel van de biechtelingen in de kleine Vlaamse parochies komt nog biechten in het Vlaams. De zielzorg is onvolledig zonder het Vlaams. Aan de gewone volksmens, aan de geestelijkheid en aan en­kele idealisten is het te danken dat er ook tot op heden een kans is blijven bestaan voor het Nederlands in Frankrijk.

 

 

1980

FLAMANDS DE France, LB 18/10/1980 (JV : 4000 policiers à Kassel)

 

Le président de la République, française, M. Valery Giscard d’Estaing, a effectué récemment une visite «de travail » dans le Nord de la France.  Le passage du chef de l’Etat à Dunkerque fut l’occasion pour les associations de Flamands de France «Menschenlijk wijder» et «Cercle Michel De Swaen» de manifester leur présence dans les départements flandriens.

Mal leur en prit, car ils furent embarqués par la police locale comme de vulgaires Kuijpers. Ce qui n’est ni gentil, ni très psychologique dans la mesure où les Flamands de France n’ont que de très lointains rap. ports avec les joyeux drilles du V.M.O. ou du T.A.K., se bor. nant à affirmer une présence culturelle qui plonge ses raci. .nes dans un passé historique. Voici quelque temps déjà, une radio-libre baptisée Uylenspie. gel s’était, de même, fait saisir par les autorités.

Les manifestants embarqués ont publié un communiqué dans lequel ils constatent que «s’affirmer Flamand en Flandre française est assimilé à une propagande antigouvernernentale» et assurent que «les Flamands de France continueront avec détermination et par des moyens pacifiques à défendre leur identité et leur culture» Quand on connaît le jacobinisme culturel et politique de nos voisins du Sud, on se rend compte qu’ils n’ont pas encore gagné la partie.  A moins que les Flamands de Belgique n’internationalisent leurs revendications ? Auquel cas, ‘les chtimis n’ont pas fini de rire…

 

 

1982

Jozef Deleu, Frans Vlaanderen, Lannoo uitg. 1982

 

(p.25) De noordgrens van Frankrijk werd pas in 1713 nagenoeg definitief vastgelegd bij de Vrede van Utrecht, overigens het eerste van een reeks vredesverdragen dat niet geheel ongunstig voor de Nederlanden afliep: onder andere Veurne, leper, Diksmuide en Poperinge vervielen weer aan Vlaanderen.

 

Hommes libres, quittez le language des esclaves…

 

In 1685 komt er een eind aan de min of meer soepele houding van de Franse autoriteiten in het bezette gebied. Allerlei privilèges inzake rechtspraak en belastingen worden ingetrokken of drastisch gewijzigd. Meteen begint dan ook de aanslag op de taal. Terwijl men aanvankelijk toegestaan had dat de lagere overheden zich van het Nederlands bedienden, verschijnt in 1684 een koninklijk edict dat bepaalt, dat allerlei officiële documenten, zoals openbare akten en vonnissen, voortaan in het Frans gesteld moeten zijn. In feite was dit een dwaze, onmogelijke eis, omdat een groot gedeelte van degenen die deze documenten op moesten stellen het Frans niet machtig waren. Allerlei personaliteiten, zoals baljuws en schepenen protesteerden scherp in een ‘requeste aen den Coninck om te doen onderblijven ‘t placcaet nopende het procederen in de fransche tale’: ,,parce qu’il est constant qu’aussi bien dans les villes que dans (p.26) la campagne il y a fort peu de gens qui sachent le français ». De actie had tot resultaat dat de uitvoering van het edict enige tijd stagneerde.

 

Het opmerkelijke is dat op vrijwel hetzelfde moment dat de verfransing van bovenaf wordt opgelegd, er in Frans-Vlaanderen een beweging op gang komt, die zich hiertegen krachtig verzet. De lagere geestelijkheid en de onderwijzers hebben ook in déze Vlaamse Beweging vooraan gestaan, omdat zij, beter dan wie ook, de taaltoestanden kenden en met de desastreuze gevolgen van de verfransing werden geconfronteerd. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de Frans-Vlaamse Beweging begint met een reeks uitspraken van een schoolmeester uit Kassel, Andries Steven. Tijdens de laatste dagen van de regering van Lodewijk XIV liet hij een cu-rieus schoolboekje verschijnen, getiteld Nieuwen Nederlandschen Voorschriftboek, een werkje met taalkundige voorschriften over uitspraak, spelling en taalzuiverheid, dat door de literatuur-historicus Dr. F. Snellaert ‘ongetwijfeld het meest vaderlandse’ genoemd wordt van wat in de achttiende eeuw verscheen.

 

In het voorwoord ervan richt Steven een oproep tot zijn landgenoten de moedertaal gaaf te bewaren en verwijt hij de franskiljons vol bitterheid dat ze minachting tonen voor de echte cultuur van Frans-Vlaanderen. Dat dit hem erg hoog zat, blijkt wel uit deze ondubbelzinnige en tevens plasti-sche vergelijking: ,,gelijk de godslasteraers uyt spijt naer den hemel spuygende het speeksel op hun tronje ontfangen, zo zullen die moedertaleverdervers en bespotters het ongelijk dat sij de herstelders aendoen, met’er tijd tot hun eyghen leed en tot vernietiginge van hun eygen waen en gevoelen ontfangen. » (…)

 

Overigens maakte Steven pas de eerste voorhoedegevechten mee. Door de toenemende bestuurscentralisatie wist de Franse staat op allerlei levensterreinen uitgebreide zeggingsmacht te verwerven. Toch was van een snelle assimilatie in de achttiende eeuw geen sprake. Steeds zal het Frans — het beeld is van Jean-Marie Gantois — optrekken als ,,een verkenningstroep, die in kleine eenheden een land binnenrukt, hier en daar tot de aanval overgaat en naargelang van aardrijkskundige of economische omstandigheden vorderingen maakt. »

 

(p.28) Vooral de Katholieke Kerk zou nog vele jaren een sterk Nederlands bastion blijven. Tot in de eerste helft van de twintigste eeuw is de lagere geestelijkheid — les petits vicaires — zelfs op straffe van wedde-inhouding doorgegaan met predikatie en

catechismusonderricht in de volkstaal. Maar bovenal stuitte de opdringende Franse cultuur in de Westhoek op het pantser van een uitgebreid verenigingsleven in de streektaal: rede-rijkerskamers, schuttersgilden, broederschappen.

Na het uitbreken van de Franse Revolutie en het verdwijnen van het vorstenabsolutisme is het een Frans-Vlaming die op 11 januari 1790 in de Nationale Vergadering pleit voor de rechten van zijn minderheidstaal. (p.29) Frans-Jozef Bouchette, advocaat en afgevaardigde van Sint-Winoksbergen, stelde toen voor om van de gemeentewet die behandeld werd ook een Nederlandse tekst goed te keuren. Hij kreeg veel bijval van afgevaardigden van andere minderheidsgroepen. Een en ander resulteerde in de goedkeuring van een decreet hierover, dat echter uiteindelijk niet tot uitvoering werd gebracht. Wel verscheen later, bij de annexatie van de zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk, een Nederlandse uitgave van het Bulle­tin der Wetten, maar het is onwaarschijnlijk dat deze ook in Frans-Vlaanderen werd verspreid. De lichte dooi voor de taalminderheden duurde overigens maar kort. Het staatsabsolutisme dat spoedig in de plaats kwam van het vorstenabsolutisme bond, zelfs in naam van de Be-schaving, rigoureuzer dan ooit tevoren, de strijd aan tegen niet-Franse uitingen binnen de landsgrenzen. In een verslag aan de Nationale Vergadering uitgebracht op 18 december 1792, maakt Lauthemas al de tegenstelling tussen het Frans aïs de taal van de vooruitgang en de verschillende andere talen ,,qui n’ont aucune espèce d’illustration et ne sont qu’un reste de barbarie des siècles passés. » De felste bestrijder van de minderheids-talen was ongetwijfeld Grégoire, die op 30 september 1793 het ‘Comité de l’Instruction publique’ eraan herinnerde, dat zes miljoen ‘citoyens’ de nationale taal niet spraken: ,,Car, je ne puis trop le répéter, il est plus important qu’on ne pense politique d’extirper cette diversité d’idiomes grossiers, qui prolongent l’enfance de la raison et la vieillesse des pré­jugés ». Het resultaat van deze acties is het decreet van 17 oktober 1793, waarin het Frans aïs onderwijstaal voor de hele Republiek wordt voorgeschreven.

 

Intussen ging de actie tegen de streektalen zelf onverminderd voort. Op 27 januari 1794 zette Barrère een volgende stap door de minderheids­groepen in de hoek van de anti-revolutionaire krachten te dringen: ,,Nous avons révolutionné le gouvernement, les mœurs, la pensée, révolutionnons aussi la langue: le fédéralisme et la superstition parlent bas-breton; l’émigration et la haine de la République parlent allemand; la contre-révolution parle l’italien et le fanatisme parle basque… » Twee da-gen later trekt Grégoire in zijn oproep tôt de Nationale Vergadering hier-uit de conclusie: ,,Ces dialectes divers sont sortis de la source impure de la féodalité. Cette considération seule doit vous le rendre odieux: ils sont le dernier anneau de la chaîne que la tyrannie vous avait imposée; hâtez-vous de le briser. Hommes libres, quittez le language des esclaves. » Op 3 juni 1794 sloot de Conventie zich bij zijn woorden aan met deze regel-rechte oorlogsverklaring aan het adres der minderheidstalen: ,,Citoyens, (p.30) qu’une sainte émulation vous anime pour bannir de toutes les contrées de France ces jargons qui sont encore des lambeaus de la Féodalité et de l’Esclavage. »

 

Prof. Pierre Naert-Pourquéry, specialist in de problematiek van de taalminderheden, noemt deze verklaring de grondslag van de taalpolitiek van de Franse regeringen, tôt op de dag van vandaag. (…)

 

Onder Napoleon had een verdere verscherping van de taalpolitiek plaats, die overigens ook gold voor het huidig Belgisch-Vlaanderen. Allerlei officiële documenten moesten in het Frans gesteld zijn, ,,même lors­que ces testaments sont dictés par des habitants qui ignorent la langue française ». Vlaamse bladen mochten alleen met een begeleidende Franse vertaling uitkomen. Het onderwijs werd echter voolopig min of meer met rust gelaten. Uiteraard werd hierdoor de opmars van het Frans aanzien­lijk gestuit.

Onder Louis-Philippe verscheen echter de Loi Guizot (1833) die de verfransing van het onderwijs tot doel had, evenals de wet van 15 maart 1850 die nadrukkelijk de streektalen verbood. Aïs uitvloeisel hiervan ver­scheen op 27 januari 1853 een verordening van de Academische Raad van het Noorderdepartement, die uitdrukkelijk het onderwijs van en in het Nederlands op de scholen verbood.

 

(p.40) Na de oorlog zijn er in alle Franse streken met minderheidsgroepen processen tegen ‘onvaderlandse personen of groepen’ gevoerd. Velen in Frankrijk zijn nu graag bereid te erkennen, dat er bij deze ‘repressie’ fouten, soms zelfs zeer ernstige fouten zijn gemaakt. Een onverdachte getuige aïs generaal Charles de Gaulle schrijft in zijn Mémoires dat deze rechtszittingen al te vaak ,,prenaient l’allure d’un procès partisan, voire quelque­fois d’un règlement de comptes ».

Volgens Yann Brékilien werden in Bretagne vervolgingen ingesteld tegen personen die reeds door de Duitsers gefusilleerd waren.

 

Aanvankelijk liet men de meeste leden van het ‘Vlaams Verbond van Frankrijk’ met rust, maar na een perscampagne werden 49 leiders van het (p.41) Verbond en de jeugdorganisatie gearresteerd. Na enkele kleinere processen vond, van 9 tot 28 december 1946 voor de krijgsraad in Rijsel, tegen de zestien belangrijkste aangeklaagden een groot proces plaats. De akte van beschuldiging telde maar liefst 150 bladzijden. Volgens een verslag dat jaren later onder pseudoniem in De Toerist verscheen — kennelijk ge-chreven door een der beklaagden — moet er op het proces een babylonische spraakverwarring geheerst hebben; o.a. zouden door de openbare aanklager de termen ‘Duits’ en ‘Diets’ voor identiek gehouden zijn. J.M. Gantois, die ontkende het boek van Van Byleveld geschreven te hebben, verdedigde zich volgens Parijse kranten ‘avec énergie et brio’. De uitein-delijke beschuldiging sprak van ,,une nette tendance séparatiste, que les dirigeants tentèrent de voiler en évitant toute activité politique et toute compromission trop flagrante ». De openbare aanklager eiste de doodstraf voor J.M. Gantois en zeer zware straffen voor de andere beklaagden. (…)

 

De uiteindelijke vonnissen bleven ver onder dat wat geëist was, een verschijnsel dat zich overigens ook bij processen tegen andere minder­heidsgroepen in Frankrijk voordeed. J.M. Gantois werd tot vijf jaar veroordeeld, twee beklaagden kregen vier en twee jaar en twee andere elk zes maanden gevangenisstraf. Een persoon werd bij verstek ter dood veroordeeld; de overigen werden vrijgesproken.

(p.44) De gevolgen van dit proces voor de Nederlandse cultuur in Frans-Vlaanderen waren echter zéér ernstig. Het feit dat het proces een grote weerklank kreeg in de régionale pers en de berichtgeving over de collaboratie en repressie in België, hadden tot gevolg dat door de publieke opinie in Frans-Vlaanderen de Vlaamse Beweging geassocieerd werd met collaboratie en elke Vlaamse uiting voor anti-Frans werd aangezien. Velen distantieerden zich dan ook van de Vlaamse zaak. Er moesten vele jaren voorbijgaan voor er weer sprake kon zijn van een schuchtere Vlaamse Be­weging in Noord-Frankrijk.

 

Onder het juk van de annexatie

 

(p.94) De wortels van het Baskische, het Bretoense, het Catalaanse, het Corsicaanse, het Elzassische, het Frans-Vlaamse en het Occitaanse probleem zitten diep in het verleden. De Franse traditionele geschiedschrijving heeft lange tijd de historische ontwikkeling van deze volkeren bewust vertekend, vooral omdat het vroegste contact van Frankrijk met de­ze territoria beslist niet bemoedigend was. Voor de minderheden zelf is het achterhalen van het eigen verleden uiterst belangrijk. Het is immers de eerste voorwaarde om te herstellen wat verloren gegaan is en om be­paalde toestanden in het heden en in de toekomst te kunnen projecteren.

Een kort historisch overzicht moge volstaan om aan te tonen dat de­ze volkeren stuk voor stuk bij Frankrijk ingelijfd werden.

 

Voor Baskenland en Catalonië deelt Frankrijk zijn expansionistische en annexionistische reputatie met Spanje. Baskenland en Catalonië zijn op het ogenblik nog steeds in twee stukken verdeeld, een Spaans en een Frans.

De eerste ontbindingsverschijnselen van de Baskische staat duiken op rond het einde van de 12e eeuw. Onder druk van zijn buurvolkeren en door dynastieke intriges brokkelt Baskenland af. Aïs Spanje in 1512 Navarra overweldigt, worden de laatste sporen van een onafhankelijke Bas­kische staat weggewist. Bij het begin van de 16e eeuw zijn er zeven Baski­sche provincies die deel uitmaken ofwel van het koninkrijk Spanje, ofwel van het koninkrijk Frankrijk. Het Baskische volk zal zich niet meer onder een eigen politieke constellatie herenigen.

 

Het lot van Catalonië wordt later bezegeld, meer bepaald met het Verdrag van de Pyreneeën (1659), waarbij Roussillon naar Frankrijk gaat en de rest bij Spanje gevoegd wordt. De Catalaans-Aragonese staat wordt (p.95) in feite al in 1482 opgeheven aïs de eenwording van Castilië en Aragon de interne conflicten tussen de Catalaanse en de Aragonese dynastie ‘regelt’. Een alliantie met het Frankrijk van Richelieu tegen het Spaanse centrale gezag dat Catalonië aan zich wil binden tijdens de Dertigjarige Oorlog, resulteert in bezetting. Ten slotte maakt het akkoord van 1659 een eind aan de strijd om Catalonië tussen Frankrijk en Spanje. Het bestaan van een Frans- en een Spaans-Catalonië wordt een realiteit.

 

Occitanië gaat door voor een apart geval omdat er in feite nooit een Occitaanse staat bestaan heeft. De eigenheid van Occitanië berustte vooral op zijn beschaving. De dichter Mistral heeft ooit gezegd dat Occitanië geen land, maar een idee is. En toch tekent zich rond het einde van de 12e eeuw de prefiguratie af van een aristocratische libertaire republiek. Voor Frankrijk is de tijd rijp om kordaat in te grijpen. De expedities vanaf de 13e eeuw tegen de Catharen halen de Occitaanse sociale structuur uit haar voegen. Maar meer nog dan deze ‘kruistochten’ wordt de Franse annexatiepolitiek Occitanië noodlottig. Achtereenvolgens gaan Aquitanië, Auvergne, Toulouse en Provence door de knieën.

 

Corsica’s geschiedenis is nauw verbonden met die van de republiek Genua. Van 1284 tôt 1768 maakt het eiland er deel van uit. De Corsicanen kunnen de Genuese voogdij moeilijk aanvaarden en met Pascal Paoli aïs leider barst in 1729 een onafhankelijkheidsstrijd los. De Genuezen worden zelfs van het eiland verdreven. Corsica ligt Genua zo zwaar op de maag dat het in 1768 aan de Franse koning verkocht wordt, die het achteraf gewapenderhand laat bezetten.

 

De Bretoenen kunnen zich tussen de 10e en de 14e eeuw politiek vrij onafhankelijk bewegen tussen Frankrijk en Engeland. In de 15e eeuw is een hechte politieke eenheid onmiskenbaar. Het met Frankrijk gesloten Verdrag van Vannes (1532), dat een brede autonomie voor Bretagne waarborgt, wordt echter al vlug niet langer naar de letter opgevat. De integratie, zeg maar annexatie, van Frankrijk is begonnen.

De annexatie van Frans-Vlaanderen wordt in de 17e eeuw voltrokken. Na de Vrede van de Pyreneeën (1659), de Vrede van Aken (1668), de Vrede van Nijmegen (1678) volgt met de Vrede van Utrecht (1713) de de-finitieve bekrachtiging van de nieuwe staatsgrenzen.

 

Het begin van een van de grilligste geschiedenissen, namelijk die van de Elzassers, ligt ook in de 17e eeuw. Door het Verdrag van Westfalen (1648), het Verdrag van Nijmegen (1678) en de verovering van Straatsburg (1681) is de annexatie van Elzas door Frankrijk rond. Hoewel de bevolking deze annexatie uiteraard niet in dank afneemt, blijkt Elzas zich bij (p.96) de annexatie door Duitsland in 1871 reeds flink aangepast te hebben. In 1918 worden de Fransen dan ook enthousiast opnieuw verwelkomd. Een nieuwe annexatie door Duitsland in 1940 wordt in 1945 wéér ongedaan gemaakt.

 

Culturele repressie en reactie

 

In de geannexeerde gebieden voert Frankrijk een zachte, maar gestadig groeiende assimilatiepolitiek. Waar aanvankelijk nog een relatieve autonomie bestaat — in Bretagne, Baskenland, Elzas bijvoorbeeld — wordt deze geleidelijk, maar voelbaar afgebouwd. Ook cultureel volgen pogingen om via verfransing te assimileren. Frans I proclameert in het Edict van Villers-Cotterêts van 1539 dat het Frans de algemeen geldende taal van het koninkrijk is. Een verordening van 1684 legt het exclusief gebruik van het Frans in openbare akten op. De draagkracht van deze maatregelen blijft beperkt tot de aristocratie en een deel van de hogere burgerij.

 

Met de Franse Revolutie echter wordt het menens. Elke vorm van au­tonomie wordt tenietgedaan. De unitaristische politiek van de revolutie die met het idee van één ondeelbaar Frankrijk dweept, treft de talen van de minderheden in het hart. De uniformering van de taal is een uiterst belangrijk aspect bij de uitwerking van een politieke idéologie. Een enquête van Grégoire in 1790 streeft naar de optiek van één taal en resulteert in 1794 — na een decreet van 1793 waarin gesteld wordt dat het onderwijs in Frankrijk in het Frans moet worden gegeven — in een rapport aan de Conventie over de noodzaak en de middelen om de ‘dialecten’ te vernietigen. Deze ‘dialecten’ zijn immers nog manifestaties van het Ancien Régime. De streektalen worden in 1850 wettelijk verboden. De schoolpolitiek onder de Derde Republiek wordt de doodsteek voor de minderheidstalen en -culturen. Met verplicht lager onderwijs en staatsonderwijs kan het staatsapparaat de talen van de minderheden doen verdwijnen.

 

Aïs de taal zo duidelijk als politieke sluitsteen gezien wordt, hoeft het ons niet te verwonderen dat ook nu nog een groot deel van de regionalisten hun taal aïs het voornaamste centrum van agressie beschouwen en dat het statuut van hun taal in hun nationaal concept essentieel is.

In de 19e eeuw rijst het eerste regionalistisch verzet tegen deze culturele genocide. Te Avignon richt in 1854 de dichter Mistral het Félibrige op, een vereniging die de restauratie van het Occitaans beoogt. Met Le (p.97) Gonidec en de la Villemarqué komt de Bretoense literatuur terug. In 1829 wordt de Association Bretonne opgericht, in 1898 de Union Régionaliste Bretonne. Ook bij de Frans-Vlamingen zijn sporen aanwijsbaar. Zelfs al ontstaat er in Occitanië een politiek Félibrige, toch kunnen we stellen dat deze regionalistische bevestiging in hoofdzaak cultureel is. Ze steunt op een linguïstische en literaire renaissance die romantisch is van inspiratie.

 

Het verzet tegen de cultureel-linguïstische repressie dat in de 19e eeuw op gang komt en ook het régionalisme van de 20e eeuw — en zeker ook dat van onze dagen ! — typeert, doet de vraag rijzen wat er uiteindelijk bereikt is. De erkenning van de eigen taal in de schoolsysteem is binnen het culturalistisch-regionalistisch spectrum steeds het voornaamste objectief geweest.

 

De tweetaligheid op school komt voor het eerst ter sprake op het eind van de Derde Republiek met betrekking tot het Bretoens en het Occitaans. De oorlog breekt uit, maar dan opent de Vichyregering de deur voor het onderwijs van het Bretoens en het Provençaals. Diverse inspanningen op het eind van de jaren 1940 doen in 1951 de Wet Deixonne stemmen, waarbij het onderwijs van de régionale talen facultatief wordt. Het ‘Vlaams’, het ‘Elzasserduits’ en het ‘Corsicaans’ worden echter geweerd omdat men ze aïs varianten van buitenlandse talen beschouwt. Voor Elzas-Lotharingen komt verandering wanneer bij een decreet van 1952 het Duits opnieuw op school gémtroduceerd wordt. Corsica valt onder de extensie van de Wet Deixonne van 1974. Frans-Vlaanderen heeft alleen het Decreet Guichard van 1970 waardoor het Nederlands als vreemde taal voor het eindexamen wordt toegelaten. De Wet Deixonne heeft haar beperkingen en werkt willekeur in de hand. Meer dan twintig wetsvoorstellen om ze te verbeteren, zijn zonder gevolg gebleven. Dat de ré­gionale talen aan een herleving toe zijn, is uiteindelijk vooral te danken aan de vrije cursussen, stages en studiedagen van de linguïstisch-culturele verenigingen.

Fundamenteel is er dus niet zoveel veranderd: de toegevingen van overheidswege zijn eerder formeel, dan reëel. De toestand is alleen schijnbaar verzacht: de omstandigheden en de materiële middelen om op de huidige renaissance van dit cultureel regionalisme in te spelen blijven ontoereikend.

 

De minderheidstalen worden ook door de média stiefmoederlijk behandeld. In feite bevestigt ook de toestand hier de culturele génocide.

Is het Frans-nationale bolwerk zo kwetsbaar dat het waarlijk niet de minste vorm van cultureel of linguïstisch pluralisme kan tolereren ? Eind (p.98) juni 1979 dienden een 13-tal Franse senatoren bij de senaat een wetsvoorstel in dat het statuut van de régionale talen en culturen op het vlak van het onderwijs, de média en het openbaar leven wou laten vastleggen. Nadien is er niets meer van het wetsvoorstel gehoord.

Wordt het anders nu François Mitterand président van Frankrijk geworden is? Het Front Autonomiste de Libération — Elsass-Lothringischer Volksbund heeft in een brief van 15 maart 1981 aan de kandidaten voor het presidentschap Valéry Giscard d’Estaing en François Mitterand gevraagd er zich toe te verplichten de Basken, de Bretoenen, de Catalanen, de Corsicanen, de Frans-Vlamingen, de Occitanen en de Elzas-Lotharingers de mogelijkheid van onderwijs in de moedertaal te garande-ren. Op 15 april 1981 antwoordt Mitterand hierop het volgende: ,,…les socialistes estiment que la reconnaissance du droit de tout Français à ses différences et à ses cultures doit se substituer au temps du mépris et de l’oubli. Cela suppose une volonté politique de promouvoir l’étude des langues et des cultures de France. Ainsi, sans que l’étude de la langue na­tionale en soit, pour autant, abandonnée, dans les aires d’influence recon­nues, tout enfant qui voudra apprendre ou se perfectionner dans sa lan­gue maternelle ou régionale devra en obtenir les moyens dès l’école pri­maire. » En in een aanvullende brief van 27 april 1981 schrijft hij: ,Je peux vous préciser que notre Parti est favorable à ce que les jeunes Alsaciens puissent pratiquer leur langue maternelle et régionale à l’école maternelle, lorsque leurs parents le souhaitent, à condition que cela se fasse dans le cadre du bilinguisme. Il nous paraît en effet néfaste qu’il y ait une rupture entre le milieu familial et le milieu scolaire. »

 

Blijft het bij blijken van goede wil of niet? Bij de regionalisten is in allé geval de hoop gerezen dat deuren die vroeger steeds gesloten bleven, nu eerstdaags zullen opengaan.

 

(Calvet J.-L., Linguistique et colonialisme, Paris, 1974

Goyghenetche M., L’oppression culturelle française au Pays basque, Anglet, 1974)

 

(Fermaut Jacques)

Het Frans-Vlaams regionalisme nu

 

(p.113) Nog meer misschien dan voor de andere minderheden in Frankrijk betekende de Tweede Wereldoorlog een zware klap voor Frans-Vlaanderen. Evenals Elzas en een deel van Lotharingen draagt de streek de erfzonde germaanssprekend gebied te zijn. Al werd de repressie veel gematigder dan in Belgisch-Vlaanderen, toch werden ‘les Boches du Nord’ nauwlettend in het oog gehouden. Zo kregen Joseph Tillie en Jacques Fer-maut, verantwoordelijke uitgevers van de heel brave brochure Nous les Flamands de France, onmiddellijk na verschijnen in 1970 bezoek van de Renseignements Généraux (de Franse Veiligheidsdiensten). Zo genoot Frans-Vlaanderen niet van de schrale toegevingen van de Wet Deixonne (1951), onder het voorwendsel dat het Vlaams tegenover het Frans traditioneel vijandig stond.

 

(p.114) De mentaliteit in Frans-Vlaanderen

 

Frankrijk scheen dus zijn doel te bereiken. Het had ook niets onbenut gelaten om het Franse patriottisme en de Franse taal bij de schoolkinderen koste wat kost erin te hameren. En het had heel wat gekost. Frans-Vlaanderen zou als ‘Béotie fran­çaise’ (de uitspraak is van Victor Duruy, minister van nationale opvoeding rond 1850) alle Bretoense Bécassines overtreffen. Terecht zuchtte Henri Blanckaert in een brief van 23 september 1888 ,,over den ongelukkigen staat van ons volkje onder oog-merk van beschaafdheid en geleerdheid ». Het signum en de doeltreffende propaganda hadden gewerkt. In zijn Histoire du patriotisme en France (Albin Michel) beweert Jean Lestocquoy van een overal verspreid boekje, Tour de France par deux

enfants (door ene Mevrouw Fouillé) ,,qu’il fut le livre par ex­cellence des Français de 1880 à 1914″. Het haalde meer dan vierhonderd uitgaven en lag dan ook in allé huizen. Twee Lotharingers, Julien en André, zwerven door dat Frankrijk dat ze, na 1870, verkozen hebben boven Duitsland. Julien door uit te roepen: ,,J’aime la France de tout mon cœur (…) je voudrais qu’elle fût la première na­tion du monde. » En de slottonen zijn veelzeggend: ,,André a vingt ans sonnés, il sera bientôt sous les drapeaux, il sera bientôt soldat de la France. » Voeg bij die propagan­da het signum, de patriottische overtuiging en de doorgaans goede kwaliteit van de onderwijzers, en men heeft zowat de sfeer waarin de Frans-Vlaamse schoolgaande (p.115) kinderen in die tijd opgroeiden.

 

In de kerk kon men nog af en toe Vlaams horen. Maar een groot deel van de geestelijkheid in Frans-Vlaanderen had hoge rangen bekleed bij het léger en beschouwde het Franse patriottisme als een tweede gods-dienst; ze legde zich neer bij de verfransing. Ook de ‘Kapelaan’ (onder-pastoor) van Winnezeele (Gabriel Persyn) die in Le livre du centenaire du Comité Flamand de France (1954) een lang gedicht publiceert onder de ti-tel ‘Symphonie flamande’. Voor hem is de geschiedenis duidelijk: het Vlaams werd eertijds opgedrongen door veroveraars aan een ‘Gallische’ bevolking (waarvan ,,les vieux papiers (…) parlent tous le vieux français ») en is gedoemd om uit te sterven, wat eigenlijk geen verlies betekent, al wekt het een beetje weemoed, voor wie het Frans in ruil krijgt:

 

Me plaît le savoureux dialecte d’antan

Imposé autrefois par l’orgueil conquérant (…)

Il rimailla dans nos Chambres de Rhétorique,

Scanda la tragédie avec Vondel, de Swaen,

Commit des vers touchants, des récits colorés,

Mais, sur deux fronts, fut évincé anachronique (…).

Voici pour me combler impérialement,

Le parler de ce grand pays qui est le tien (…)

Lumière pour l’esprit et musique pour l’âme.

 

 

1984

in : Le Courrier des Pays-Bas français, 4, 1984

 

(p.3) « UNE IDEE DE SANS-CULOTTES PARISIEN ». Paradoxalement « l’emblème » (cf. Le Courrier des P.B.F. n° 1 et 2) aura déclenché une remise en cause de l’appellation. « Nord – Pas-de-Calais », ce qui n’était pas l’objet principal de la campagne pu­blicitaire… Les lettres ouvertes au Conseil Régional se suivent et se ressem­blent. Pour Régis de Mol (Comité Pays-Bas Français, 26, rue de Champagne, 59155 Faches-Thumesnil) : « Que penserait-on d’une Bretagne qui s’appellerait Ouest -Ile et Vilaine, ou d’une Alsace qui aurait été transformée en Est – Vallée du Rhin ? Et pourtant il nous faut toujours supporter sans broncher d’être du Nord – Pas-de-Calais alors que nous sommes autant du « Sud » des Pays-Bas que du « Nord » de la France, et que le « Pas-de-Calais », ça n’est que de l’eau salée et mazoutée ! (…). Il y a gros à parier que 1 »image de marque du « Nord – Pas-de-Calais » restera intacte une fois les 600 millions partis en fumée ! Hélas ! (…). Cette appellation imposée en 1790 par des sans-culottes parisiens, a de plus en plus une image de vieille guimbarde essoufflée (…). Par contre « Pays-Bas Français » évoquent la propreté et la prospérité des cités, le dynamisme éco­nomique, le commerce conquérant, les qualités nordiques de tolérance et d’art de vivre, l’âge d’or de la Flandre et de l’Artois… avant la nuit économico-culturelle du norpadcalésisme (…). Rendez-nous nos Pays-Bas Français ».

 

 

1984

in : Le Courrier des Pays-Bas français, 9, 1984, p.5

 

LES PRENOMS REGIONAUX

 

Vous souvenez-vous de la famille Le Goarnic qui mit 19 années à faire accepter par l’administration les prénoms bretons de ses cinq enfants ? Leur situation ne fut régularisée qu’âpres intervention du Conseil de l’Europe et de la Cour Internatio­nale de La Haye, qui décernèrent aux enfants Le Goarnic une « carte d’identité de citoyen européen de nationalité bretonne », document reconnu par plus de 40 ambassa­des étrangères.

Les officiers d’état civil exercent encore aujourd’hui des choix arbitraires et nous avons régulièrement des exemples de refus de prénoms régionaux, alors que des prénoms fantaisistes ou exotiques sont acceptés sans problème. A Lille, il y a quelques années, une employée de l’état civil refusa plusieurs Lydéric. Elle avoua ignorer que Lydëric était le géant fondateur de Lille, que la rue Lydéric était à deux pas de l’hôtel de ville, et que sa statue ornait l’angle du beffroi.. .

Si Winoc (ou Winch) ne pose pas de problème à Bergues, Hildegonde ne devrait pas en poser à Maubeuge ni Hiltrud à Liessies, pour les mêmes raisons.

Certaines mairies refusent Marieke. Brel serait-il mort trop tôt pour faire honte à leur ignorance ? D’autres refusent Nele, prénom de la compagne de Tyl Uilenspiegel. Dans ces mêmes mairies, les employés ont accepté Sue Ellen, Pamela, Steeve… La mairie de Dunkerque, qui a accepté Hutch et Starsky pour des jumeaux, a refusé le prénom Jan (dans la cité de Jan Baert !) ; le procureur préférait la graphie bretonne Yann, ou à la rigueur Jan en second prénom…

On nous a signalé à plusieurs reprises cette mise en demeure (qui ne s’appuie sur aucun texte légal) de la part d’officier d’état civil de reléguer en second ou troisième place des prénoms à consonnance trop nordique ou trop germanique. Par contre l’enregistrement de prénoms d’origine anglo-saxonne ou méditerranéenne ne souffrait aucune difficulté. Cette discrimination dans l’héritage, qui s’accompagne parfois d’affront public aux parents (« Nele, pourquoi pas Zorro ? »)* n’a aucune ex­plication légale. La mode télévisée et l’acculturation expliquent seules cette atti­tude .

Existe-t-il des prénoms propres aux Pays-Bas Français ?

Avant toute chose, il faut se rappeler ce qu’est un prénom. Prénommer, c’est donner une signification, un sens. Il fait appel à une qualité ou une origine, il est un souhait pour l’enfant. Prénommer, c’est rattacher l’enfant à un environnement his­torique et spirituel, à un héritage.

Quel est notre héritage ? Il est multiple. Celtes, Romains et Germains se sont mê­lés sur notre terre. Il se trouve cependant que l’implantation des Francs, Saxons et Frisons a été plus massive chez nous que dans le reste de la France (« Royaume des Francs ») et que cette caractéristique a naturellement induit une plus grande fréquence de prénoms d’origine germanique. Cette fréquence a changé au cours des siècles. Aux nombreux prénoms francs et saxons ont été peu à peu substitués des prénoms latins ou bibliques par l’Eglise qui imposa les noms des saints comme noms de baptême. Du Concile de Trente en 1545 à Vatican II en 1969, l’attitude de l’Egli­se est restée intransigeante sur ce point. Il en est résulté un appauvrissement des prénoms disponibles, une certaine amnésie culturelle, et m§me une substitution d’héritage. Malgré cela, la gamme des prénoms germaniques qui ont survécu reste ri­che, qu’ils soient sous leur forme originelle ou sous une forme romanisée : Amélie, Clothilde, Odile, Ingrid, Bruno, Frédéric, Thierry, Arnold, Guillaume, Cédric, Gérard, etc.**

Il importe ensuite de distinguer la forme du prénom de son origine. Par exemple, Marieke est la forme flamande du prénom hébraïque Myriam tandis que Gauthier est la forme romane du prénom germanique Walter.

La formation de nos vieux prénoms obéit à certaines règles. Nos ancêtres germani­ques avaient pour coutume de donner à leurs enfants des noms ayant une significa­tion précise, dont le sens s’est perdu avec le temps. Ils y projetaient les quali­tés et valeurs qu’ils honoraient : beauté, force, lignée, courage au combat, loyau­té, etc. Et il est intéressant de signaler que les femmes contrairement à leurs contemporaines grecques et romaines ne portaient pas le nom de leur père ou de leur époux, mais un nom qui leur était propre et dont la composition répondait aux mêmes règles que les noms masculins.

Le prénom a non seulement une signification, mais aussi une force magique pour ce­lui qui va le porter. On espère que le sens aura une influence bénéfique sur le ca­ractère (ce qui n’a rien à voir avec l’horoscope ni avec les interprétations farfe­lues des prénoms qui ont fait l’objet d’ouvrages récents).

Ainsi Bernard sera « fort comme un ours » et Lydéric « riche de gloire ». En effet, Bernard vient de Ber (ours) et de hard (fort) et Lydéric de hlod (gloire) et rie (riche). De même Mathilde signifie « puissante au combat », de math (puissant) et hilde (combat) et Edwina « amie du patrimoine » de ed (patrimoine) et win (ami).

Ces prénoms, nombreux, souvent originaux et même rares, doivent se perpétuer sous leurs formes variées (Arnaud, Arnold, Arnould, Arnolf...) malgré l’attitude parfois discriminatoire de certains services d’état civil, et malgré la mode individualiste (« liberté totale de choix ») qui nie l’héritage au profit de l’éphémère (le feuille­ton télévisé) et du superficiel (le prénom qui n’a pas de sens).

Pour nous, la liberté doit s’exercer dans la fidélité à notre peuple, c’est pour­quoi nous choisissons pour nos enfants les prénoms qui honorent ce peuple et sa culture.

* A Hazebrouck, en 1983.

Nele est la forme régionale du prénom d’origine romaine Cornélie. ** En attendant un « Guide des prénoms des Pays-Bas français », vous consulterez avec profit le « Guide pratique des prénoms », édité chaque année par Enfants-Magazine. En vente partout.

 

 

1984

J.-M. Durieze

65, rue pasteur

Gr. Synthe 59 760

 

Par désision de la

Justice française

Prison de Dunkerque

62 rue Terquem

59140

 

Mesdame (sic) et Messieurs,

 

Je suis né en 1934 à Dunkerque d’une mère flamandophone et d’un père francophone.

Je ‘jouis’ donc de la nationalité française.

J’ai accompli mes devoirs scolaires quand j’étais enfants (sic) et mes devoirs utilitaires quand j’étais adulte ‘en FRANÇAIS ».

C’est-à-dire que j’ai été puni chaque fois que je parlais flamand à l’école ou à la caserne .

Je croyais qu’arrivé à l’âge de 50 ans, devenu père de 5 fils, vivant dans un pays qui est celui de mes ancêtres, j’aurais droit à l’attention et aux encouragements des cultures menacés (sic).

Comme le kabyle, l’arabe, le swali (sic) ou le kherm que l’on utilise dans les administrations française (sic) par interprète rénumérés (sic)…

Militant flamand, j’ai théoriquement le droit de m’exprimer dans cette langue.

Pratiquement, hélas, il n’en est pas de même.

Ayant répondu aux provocations d’un employé municipal, j’ai écrit pour m’en plaindre une lettre assez vive à mon maire.

Sans jugement d’aucun tribunal, j’ai été arrêté et détenu 10 jours à la prison.

A ma sorti (sic), j’avais perdu mon emploi. L’administration pénitenciaire me réclame maintenant des frais « d’hébergement » que je ne peu (sic) payer.

C’est pourquoi on me remettra en prison.

Toujours sans jugement…

Devenu étranger et criminel dans mon propre pays, j’envisage de me laisser mourir dans les prisons française (sic).

 

(signature)

 

 

1987

PARTI FEDERALISTE FLAMAND / Vlaemsche Federalistische Party – parti des Flamands de France

(24, allée de la Source, « Le village enFlandre », F-59130 Lambersart)

PFF-VFP, BP 58, F-59155 Faches-Thumesnil

 

Le 3/11/86, le président du PFF, Guy Maurice Triquet, demeurant à Dunkerque, a été arrêté par la police française/

Le motif de la perquisition de son domicile, suivi de son arrestation, serait une présomption de trafic de stupéfiant sur M. Triquet et sa famille. La perquisition, effectuée sans mandat, n’a donné aucun résultat. Pourtant, M. triquet n’est à aucun soupçonnable de trafic illicite.

Après une nuit en garde à vue, M.  Triquet a été mené dans la matinée du mardi 4 novembre 1986 à comparaître au Tribunal de Grande instance de Dunkerque, où il a été immédiatement condamné à 2 mois de prison, dont 4( jours avec sursis, dont 15 jours de prison ferme, pour « rébellion ».

La presse locale a décrit M. triquet comme étant un individu sans emploi, alors qu’il est en réalité un architecte-urbaniste estimé (…).

 

Fait curieux : les téléphones d’un certain nombre de régionaistes flamands n’ont plus eude tonalité dès le matin de l’arrestation de M. Triquet.

 

>> Envoi d’une copie de ce communiqué du PFF à Jean-Louis Xhonneux, de l’Action fouronnaise (copie pour M. Lefin ! ! !)

 

Lettre le 10 … février 1987 à l’ambassaeur de France, 1000 BXL

de Jean-Louis Xhonneux (secrétaire général de l’Action fouronnaise)

 

(extrait)

Monsieur l’ambassadeur,

 

Je viens de recevoir une copie d’u commuiqué du « Parti fédéraliste flamand » (voir photocopie en annexe).

 

Supposant que cette littérature n’est destinée qu’à ternir l’image de la France, pays respectueux des droits de l’homme, j’ai la certitude que vous pourrez me rassurer bien vite enme communiquant les raisons véritables de l’arrestation de M. TRIQUET et de sa détentin pendant 15 jours.

(…)

 

 

1988

Max Paumen, De taalfierheid van Frans Vlaanderen, in: Zannekin-nieuwsbrief, 3/1988, p.7

 

« Er liggen en dorpen met equivalente Nederlandse namen.  Kales voor Calais, Grevelingen voor Gravelines, Duinkerke voor Dunkerque, Bonen voor Boulogne, Grauwenesse voor Cap Gris Nez, Atrecht voor Arras, Roboken voor Roubaix. »

 

« Volgens Fermaut spreken vijftig tot honderdduizend Franse Vlamingen nog hun Vlaamse dialect. « De mensen kunnen het wel, maar ze durven niet, zomin als ze ervoor durven uit te komen dat ze liever bij Vlaanderen dan bij Frankrijk horen.  Dat verdoezelen is hen van jongs af ingepeperd.  Mijn moeder kreeg op de lagere school straf, omdat ze het waagde Vlaams te spreken.  Frankrijk is het zachte Rusland.  Het heeft altijd de aandrang gehad alle andere talen te verdrukken.  Ze schelden ons uit voor ‘de Moffen van het noorden’.  Men beschouwt ons als de stomste inwoners van Frankrijk. »

 

1991

Michel Galloy, Rapport sur la situation du peuple flamand en France, Europa Ethn., 4/1991, p.207-208

 

(p.207) L’ aire linguistique “flamande” (de langue néerlandaise) en France couvre +- 1500 km² avec 100.000 parlant encore le néerlandais (West-Vlaams) sur 400.000 habitants, dont 100.000 sont des immigrés: étrangers du Tiers-Momnde ou fonctionnaires français.

région incorporée à l’ Etat français entre 1662 et 1678 et démantèlement du système scolaire néerlandais (alors très développé, et en avance sur le niveau du Royaume français).

Sur le programme câblé, les émissions flamandes de Belgique viennent d’ être supprimées, et remplacées par une chaîne italienne …”

 

 

1992

in: KFV – Mededelingen, 2, 1992, p. 22-23

 

(p.23) “Sur décision prise à Paris, la société de câblage supprime les deux chaînes BRT néerlandophones /à Dunkerque/, et les remplace par une italienne et une espagnole.” … “On leur explique / aux gens/ que la langue néerlandaise brouille les récepteurs anciens. (tandis que la RTBF, diffusée en français, a le mérite de ne pas brouiller les émissions!).”

 

1996

Gilbert Van de Louw, in: Le enseignement du néerlandais en France: ouverture et différence, in: Le polyglotte, n° 26, 1996, p.3

 

“aucune chaîne néerlandophone n’ est diffusée sur les réseaux câblés.”

 

2002

Les retrouvailles des cousins de Flandre si longtemps séparés, ZANNEKIN, 4, 2002, p.15-16

 

C’était il y a seize ans, Cris Mercier a racheté un estaminet, à Godewaersvelde, un petit village au milieu des moulins, près de l’ autoroute qui longe la frontière avec la Belgique. Pas loin du mont Cassel, qui domine de ses 176 mètres ce pays plat. L’établissement existait depuis l830. Il l’a baptisé Het Blauwershof – en flamand, l’enclos du contrebandier de tabac – et a cherché à reconstituer le décor qui devait être le sien au début du siècle, « quand le flamand était la langue maternelle de 90 % de la population locale », précise-t-il. Une petite bibliothèque a été montée :  » Nous voulions rappeler aux gens d’ici combien leur culture avait été massacrée », résume le cafetier-militant.

 

Le succès de Het Blauwershof a dépassé toutes ses espérances, les clients ont afflué. L’estaminet de Godewaersvelde est devenu un lieu de ralliement pour nombre de Lillois « branchés », en dépit des 40 kilomètres d’autoroute qui le séparent de la métropole régionale. La mode était lancée: dans ses dépliants, l’Office du tourisme des monts de Flandre recommande une dizaine d’établissements similaires. D’ autres se sont ouverts à Lille. (…) Comme pour accompagner ce mouvement, les moulins à vent, amoureusement restaurés par des passionnés, brassent de nouveau l’air du pays. Lors des fêtes populaires, les géants d’osier, figures symboliques exhibées depuis le début du XVI siècle, reprennent leur place; toutes les villes veulent le leur. Les bourloires – ancêtres flamands des bowlings – attirent une clientèle passionnée le tir à l’ arc traditionnel (vertical, sur des  » oiseaux » de bols fixés au sommet de très hautes perches) se pratique plus que jamais: près de quatre-vingts sociétés d’archers sont répertoriées entre Lille et Dunkerque.

 

Pour Chris Mercier, « le combat est gagné ». La preuve: « Depuis environ cinq ans, tous les mai res des communes de la région placent le lion flamand à côté du drapeau français, ce qui était impensable dans les années 1980″, assure-t-il. Maintenant qu' »au niveau culturel tout ce qui pouvait être sauvé l’a été », il veut se battre sur la question linguistique, L’enseignement du néerlandais en primaire, lancé dans tout le département du Nord par l’inspection académique de Lille en l996, concerne déjà plus de 4 000 enfants et connait un succès foudroyant auprès des parents.

La cause est entendue: les Flamands de France affichent désormais clairement leur identité culturelle. Ils ne l’avaient jamais vraiment oubliée,  » Un quart des habitants des villages situés entre Bailleul et Dunkerque parlent encore le flamand et les trois quarts d’entre eux le comprennent », affirme Jérôme Steenkiste, président de l’Office de tourisme des monts de Flandre…

 

Ici, la frontière a toujours été poreuse. Des deux côtés, l’architecture, la géographie, les paysages sont semblables. De nombreux Français vont travailler, voire s’installer, en Flandre belge, où le taux de chômage est très faible. Jusqu’aux années l950, le flot était inverse.

 

Suspicion et scepticisme

 

Pourtant, en trois siècles d’évolution séparée, les deux pays ont en tout le temps de développer leurs différences et quelques incompréhensions : les premières « histoires belges » sont nées dans la région lilloise et les Flamands nourrissent souvent une certaine suspicion envers ces Français qui prétendent subitement partager leur culture. A Lille, de nombreux sceptiques parlent de « phénomène de mode », de « nostalgie écolo », voire d’ « aboiement anti-Parisien »,.. La volonté de se distinguer de Paris, à une heure de TGV, n’est sans doute pas étrangère à ce retour aux sources. Mais l’élan flamand des Nordistes a peu de points communs avec les revendications régionalistes des Corses, des Basques ou des Bretons. Le néerlandais n’est évidemment pas une langue régionale et, côté français, pratiquement plus personne ne réclame l’enseignement systématique d’un dialecte flamand qui n’a pas évolué depuis le XVII siècle, encore moins Une  » nation flamande ». La résurgence inattendue de cette identité flamande française correspond plutôt aux retrouvailles de cousins séparés par l’histoire.  » Un sentiment beaucoup plus européen que flamand », estime Guy Fontaine.

Cet historien de la littérature européenne dirige la Villa Monthoir, centre de résidence d’écrivains européens créé il y a cinq ans par le conseil général du Nord dans la propriété familiale de Marguerite Yourcenar. Dès son ouverture, explique-t-il, « j’ai vu débarquer mes collègues belges de Flandre occidentale, venus solliciter, dans un français impeccable, la participation des écrivains invités à des manifestations culturelles chez eux ». Les Flamands de Belgique ont dû lutter jusqu’en 1894 pour obtenir une reconnaissance culturelle. Depuis qu’ ils ont  » tué le père colonial » francophone,  » beaucoup d’intellectuels belges flamands reconnaissent que leur mode de travail et de pensée est plus proche de celui des Français que de celui des Hollandais protestant » témoigne Guy Fontaine.

Parallèlement, la Flandre française vient de fermer une parenthèse industrielle d’un siècle et demi. Se souvenant de son passé de cité marchande, Lille se vit désormais comme une  » métropole européenne transfrontalière », tertiaire et commerçante, point de rencontre des civilisations latine, germanique, anglo-saxonne. Ce « ménage à trois » entre Flamands belges néerlandophones de Courtrai et de Bruges, Wallons de Tournai et Flamands français devient comme un exercice pratique d’une Europe concrète, pas celle des capitales.

 

(*) Bron: Jean-Paul Dufour, in: Le Monde, 24 juli 2001.

 

2003

Franse Nederlanden, in: Delta 9, 2003, p.19-20

 

(p.19) Op vraag van verscheidene hoge gezagsdragers uit de Franse Nederlanden om het Nederlands te voegen bij het honderdtal (!) regionale talen die in Frankrijk mogen onderwezen worden, hebben de hh. Luc Ferry, Minister van Nationale Opvoeding en Jean-Paul Gaudemar Directeur van het Franse Onderwijs, geantwoord met een categorieke weigering! Nochtans heeft deze regering heel wat inspanningen gedaan voor het onderwijs van regionale (p.20) talen, onder andere voor het…. Arabisch!

De heer J.P. Gaudemar liet een vlugschrift verspreiden op de scholen, waarin we onder meer lezen: “Votre enfant peut recevoir à l’école l’enseignement de la langue arabe et de la culture algérienne. Tout en valorisant les origines de sa familIe, cet enseignement peut être un atout pour sa réussite personnelle ». 

Die « réussite personnelle » geldt klaarblijkelijk niet voor Vlamingen die het « geluk » mochten smaken onder de knoet van Louis XIV te geraken.

 

2004

Van: Alliance Régionale Flandre-Artois-Hainaut [mailto:communication@alliance-regionale.org]
Verzonden: woensdag 10 maart 2004 22:32
Aan: info@alliance-regionale.org
Onderwerp: Communiqué de presse de l’Alliance Régionale Flandre Artois Hainaut
Urgentie: Hoog

Si votre outil de messagerie ne peut lire ce courriel, reportez-vous au pdf joint ou au site internet de l’Alliance Regionale : http://www.alliance-regionale.org

 

PAS DE REGIONALISTES AUX REGIONALES ?

 

L’ALLIANCE REGIONALE FLANDRE-ARTOIS-HAINAUT, tout jeune mouvement régionaliste et fédéraliste, mise sur la modernité de ses propositions : une Europe des Régions, notre Région dans l’Europe, pour une Europe fédérale.
Et s’invite aux élections régionales !

Créée en novembre 2003, à partir d’un regroupement de régionalistes flamands et de fédéralistes européens, l’ALLIANCE REGIONALE FLANDRE-ARTOIS-HAINAUTs’était d’emblée fixé comme challenge de défendre l’identité et les intérêts de notre région sur le terrain électoral. Les élections dites « régionales » étaient l’occasion idéale pour faire connaître des propositions authentiquement « régionales » à l’opinion publique « régionale » !

Il s’en est suivi une véritable course contre la montre pour réaliser cette ambition :

  1. Etablissement d’un programme articulé autour de 5 axes : Culture et identité, Europe, Economie et société, Réforme institutionnelle et Environnement-écologie. Ce programme est en cours d’achèvement.
  2. Mise en place d’un site Internet, moyen de communication essentiel. Ce site http://www.alliance-regionale.org est désormais consultable et est appelé à devenir une référence sur l’identité de la Région.
  3. Constitution d’une liste de 117 candidats, répartis sur les deux départements et soumis à une parité hommes-femmes.
  4. Collecte de fonds de… 45 000 euros. La participation à des élections exige des sommes considérables, perdues irrémédiablement en cas de score inférieur à 5%.

Une perspective à long terme

L’activité de nos militants fut intense dans chacun de ces domaines, et fut récompensée par l’excellente fréquentation de notre site Internet. Nous avons couru à bride abattue avec la volonté d’être présents. Conscients de l’obstacle financier, nous avons tenté des alliances tactiques avec d’autres organisations, notamment écologistes indépendants. Il est vite apparu que les compromis envisageables allaient déboucher sur des compromissions… très vite rejetées.

Aussi, plutôt que d’hypothéquer l’avenir politique et financier de l’ALLIANCE REGIONALE, notre bureau a préféré in extremis se retirer de la compétition et poursuivre l’effort de fonds entrepris sur son programme. Notre équipe reste plus que jamais mobilisée !

Nous engrangeons pour le long terme, persuadés que nos idées sur le pouvoir régional et le fédéralisme, sur la réhabilitation de notre identité la plus authentique, sur l’ancrage des Pays-Bas-Français dans l’Europe du Nord, etc. sont des réponses au déclin économique de notre Région. Ces idées ne sont pas passéistes, mais d’avant-garde, voire révolutionnaires et.. européennes ! Nous voulons donner le pouvoir politique aux habitants de la Région !

A ce jour, ces élections auront surtout été le début d’une reconquête politique de la Région dans les cœurs et les esprits. Et nous avons en vue d’autres échéances électorales.

Ni à droite, ni à gauche, mais… ailleurs ! … c’est-à-dire « ici » !

Soyons clairs, le conditionnement idéologique étant ce qu’il est, il est une question spontanée que se pose, non sans frissons préalables, tout observateur devant un nouveau mouvement : « Est-il de droite ?…voire d’extrême droite ?… Ou bien de gauche ?…voire d’extrême gauche ? » Et bien souvent, la fatwa tombe avant l’examen honnête des textes (nous avons déjà fait l’expérience…) ! Comme il y a des diabolisations plus efficaces que d’autres, le refoulement se fait de préférence vers l’extrême droite ! Et la cause est définitivement entendue ! Circulez, il n’y a plus rien à voir !

Nous ne répondrons pas à ce type de sentence totalitaire, malheureusement courante en France.

L’ALLIANCE REGIONALEne s’est pas constituée à partir de théories et de dogmes préétablis, mais à partir de quelques constats. Nous partons du « terrain », c’est à dire de notre terre, de notre peuple, de notre histoire, de nos intérêts réels. Ces constats nous ont amenés à examiner les causes du déclin, pour ne pas dire de la décadence, de notre Région, et à proposer des solutions politiques et institutionnelles alternatives.

Quant à l’« extrémisme », il est totalement étranger à la mentalité nordique qui nous sert de référence permanente ! Cette tare n’est pas de chez nous !

Précisons enfin que l’ALLIANCE REGIONALEest farouchement indépendante de tout parti ou organisation politique, d’où qu’ils soient, qu’elle ne reçoit aucune subvention et n’en sollicitera aucune.

Un ennemi clairement identifié

Si les politologues ont défini l’essence du politique comme fondée sur la distinction « ami-ennemi », l’ALLIANCE REGIONALE a désigné clairement l’ennemi : ce n’est pas la France en tant qu’entité historique assemblant des peuples proches ethniquement, bien que niés (cf. le « peuple » Corse ), mais l’Etat-Nation jacobin, l’Etat centralisé parisien, son : « une-et-indivisibilité »(1), affirmée fanatiquement, son extraordinaire prétention à l’universalité des dogmes de 1789, mis en application méthodiquement, depuis le génocide des Vendéens jusqu’ au colonialisme (« les peuples supérieurs doivent apporter la civilisation aux peuples inférieurs » dixit Ferry… Jules !), dogmes ayant inspiré directement Lénine et Mussolini, qui ne s’en sont jamais caché !

Aujourd’hui, l’application de ces dogmes se poursuit avec le véritable génocide de substitution qui se passe sous nos yeux impuissants, consistant à remplacer massivement nos bacs + 5 par des bacs – 5. Le consensus est quasi général sur ce dernier point, du MEDEF jusqu’à… l’extrême gauche, au moins officiellement ! Haro sur celui qui conteste ! Il est voué aux gémonies ! Le Peuple n’a pas à donner son avis, pour ça il y a les jeux du cirque parisianistes à la TV !

Mais ça commence à craquer de partout ! L’impuissance – sinon la stupidité – de ce système rigide a éclaté de manière magistrale sous nos yeux avec le surréaliste débat sur le « voile » qui ne résout rien ! Révélateur s’il en est des véritables débats de fond pour l’avenir, qui ne sont manifestement plus de nature « droite-gauche » !

Ce système jacobin est donc bien l’ennemi des peuples, ennemi impitoyable et totalitaire, mais aussi ennemi de l’Europe, et nous en reparlerons.

1- Afin de se faire une idée plus « frappante » de ce concept, la notion française d’ « un seul Peuple, un seul Etat », imposée de force avec le Droit du sol, se traduit en allemand littéralement par « Ein Reich ! Ein Volk ! » (remarque purement provocatrice !)

… et la suite ?

L’ALLIANCE REGIONALE FLANDRE-ARTOIS-HAINAUT, seul parti 100% régional, sera donc officiellement absente des bureaux de vote à la fin du mois de mars. D’ici là, nous aurons entendu toutes les promesses habituelles des partis hexagonaux, qui auront mêlé allègrement à un catalogue de propositions pour la Région (dont, bien sûr, aucune relative à son identité !), leurs préoccupations politiciennes (Martine, Jack et les autres, parachutés, ou du cru, parlent « Nationales » mais pensent « Présidentielles » !). D’ici là, le « norpad’calé » se sera enfoncé un peu plus dans sa grisaille indifférenciée !

La campagne de ces régionales ne marquera pas plus les esprits que les précédentes et la bonne volonté de quelques uns ne pourra rien contre la machine à broyer les peuples : les partis nationaux vont se disputer les places, mais tant que le système n’aura pas changé la situation ne changera pas. Car c’est précisément le système qui entretient et nourrit cette situation.

Regis Demol 3 mars 2004

 

L’ALLIANCE REGIONALEs’invitera donc à la fête en donnant une consigne de vote : faites-vous entendre, votez pour une Région libre, et pas pour une Région impuissante, emprisonnée car à la botte du centralisme.
Nous invitons chaque électeur à utiliser les bulletins de vote suivants (ou à confectionner le sien).